GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 4 november 2022, betreffende
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard, die beslissing gewijzigd en de sanctie gematigd tot een bedrag van
€ 310,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 529,75.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De gemachtigde heeft het verzoek om de zaak op een zitting van het hof te behandelen ingetrokken.
De beoordeling
1. Het hoger beroep richt zich tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding die is toegekend voor het indienen van een administratief beroepschrift. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter daarvoor ten onrechte slechts € 15,- heeft toegekend.
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd naar € 250,-, omdat tijdens de procedure het sanctiebedrag voor de betreffende feitcode was verlaagd. Er is een proceskostenvergoeding toegekend van in totaal € 529,75, die als volgt is opgebouwd:
- indienen administratief beroepschrift: € 15,-
- telefonische hoorzitting officier van justitie: 0,5 punt x € 541,- x wegingsfactor 0,5
- indienen beroepschrift kantonrechter: 1 punt x € 759,- x wegingsfactor 0,5.
3. De kantonrechter heeft onder verwijzing naar artikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:HR:2015:2990) met betrekking tot de vergoeding voor het indienen van het administratief beroepschrift overwogen dat het vasthouden aan het puntensysteem uit het Bpb ertoe zou leiden dat de toegekende vergoeding de werkelijke kosten ver zou overtreffen. De kantonrechter neemt in aanmerking dat de onderneming van de gemachtigde jaarlijks zeer vele administratief beroepschriften indient. Het beroepschrift wordt gekenmerkt door ‘bouwstenen’ en aangenomen kan worden dat er veel sprake is van “digitaal knip- en plakwerk” of een grotendeels geautomatiseerd proces. Het administratief beroepschrift bevat in dit geval geen specifiek op de zaak toegespitste beroepsgronden. Daarom matigt de kantonrechter de vergoeding voor het indienen van het administratief beroepschrift. Hij acht € 15,- een redelijke vergoeding.
4. Het hof is onder verwijzing naar het arrest van 30 maart 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:2770) van oordeel dat er geen redenen zijn om de vergoeding voor het indienen van het administratief beroepschrift te matigen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de proceskostenvergoeding daarom vernietigen en zelf een proceskostenvergoeding vaststellen.
5. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt € 597,- voor het administratief beroep en € 837,- voor het beroep bij de kantonrechter en het hof. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe voor de punten in het administratief beroep en voor het punt voor het beroepschrift bij de kantonrechter. Nu de gemachtigde in hoger beroep slechts in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt voor het procespunt voor het hoger beroep wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.075,50 (1,5 x € 597,- x 0,5) + (1 x € 837,- x 0,5) + (1 x € 837,- x 0,25)).
6. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de toegekende proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.075,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.