ECLI:NL:GHARL:2023:904

ECLI:NL:GHARL:2023:904, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31-01-2023, 21/01634

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 31-01-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/01634
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBGEL:2021:5396
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2023:1783
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 17 zaken
Aangehaald door 2 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001833 BWBR0002320 BWBR0002740 BWBR0006358 BWBR0008331

Samenvatting

Overdrachtsbelasting. Sloop voormalig gezondheidscentrum gevolgd door bouw woning. Tot moment van overdracht hebben nog geen verbouwingswerkzaamheden plaatsgevonden. Verlaagd tarief voor woningen?

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 21/01634

uitspraakdatum: 31 januari 2023

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 oktober 2021, nummer AWB 20/5713, ECLI:NL:RBGEL:2021:5396, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende heeft, tezamen met zijn echtgenote, op 19 juni 2020 op aangifte € 8.400 overdrachtsbelasting betaald (6% van € 140.000) en vervolgens daartegen bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2020 heeft de Inspecteur beslist dat geen teruggave wordt verleend.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 11 oktober 2021 het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft op 20 november 2021 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

De Inspecteur heeft op 24 maart 2022 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2023. Namens belanghebbende zijn verschenen zijn schoonouders [naam1] en [naam2] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam3] en [naam4] . De zaken met de nummers 21/01634 en 21/01635 zijn ter zitting gezamenlijk behandeld. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

Belanghebbende oefent zijn tandartspraktijk uit in (een gedeelte van) een pand aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het pand).

Het pand is oorspronkelijk ontworpen en gebouwd als gezondheidscentrum. Behalve belanghebbendes tandartspraktijk waren ook een huisartsenpraktijk, een praktijk voor fysiotherapie en een kinderopvang daarin gevestigd. In 2014 zijn de huisartsenpraktijk, de praktijk voor fysiotherapie en de kinderopvang verhuisd naar een andere locatie.

Belanghebbende heeft, tezamen met zijn echtgenote, in september 2017 het gedeelte van het pand gekocht waarin de tandartspraktijk wordt uitgeoefend alsmede de daaraan grenzende ruimte. Dit gedeelte is geleverd in oktober 2017. Het overige gedeelte van het pand (hierna: het overige gedeelte) bleef in eigendom van stichting [naam5] (hierna: de stichting). In dit verband is het pand fysiek gesplitst, waarbij aan de zijde van de tandartspraktijk een nieuwe buitenmuur is opgetrokken en aan de zijde van het overige gedeelte een noodvoorziening is getroffen door het open gedeelte met hechthoutplaten dicht te maken.

Belanghebbende heeft, tezamen met zijn echtgenote, in juni 2020 het overige gedeelte van het pand gekocht van de stichting, met de bedoeling dat gedeelte te slopen en er een woning te bouwen. De overdracht heeft plaatsgevonden op 19 juni 2020. Ter zake van deze verkrijging hebben belanghebbende en zijn echtgenote op aangifte € 8.400 overdrachtsbelasting betaald, zijnde 6% van de koopsom van € 140.000.

Voorafgaand aan de overdracht heeft de gemeente de bestemming van het perceel gewijzigd in een woonbestemming. In dat verband heeft een asbestinventarisatie plaatsgevonden, en hebben bodem- en explosievenonderzoeken plaatsgevonden. In het overige gedeelte hebben geen verbouwingswerkzaamheden plaatsgevonden met het oog op bewoning.

Ten tijde van de overdracht van het overige gedeelte aan belanghebbende en zijn echtgenote was daarvoor een omgevingsvergunning verstrekt voor het bouwen van een woning.

Na de voltooiing van de sloopwerkzaamheden is in het najaar van 2020 een aanvang gemaakt met de aanleg van de fundering.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat voor de heffing van overdrachtsbelasting het overige gedeelte niet kan worden aangemerkt als een woning in de zin van artikel 14, lid 2, Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: WBR), zodat het lage tarief van 2% niet van toepassing is. De Rechtbank heeft in dat verband overwogen dat het overige gedeelte oorspronkelijk als niet-woning is ontworpen en gebouwd, dat dit gedeelte in 2019 een woonbestemming heeft gekregen, dat dit gedeelte na levering zal worden gesloopt en vervangen door een woning, en dat dit meebrengt dat het overige gedeelte op het moment van de verkrijging naar zijn aard niet bestemd was voor bewoning en dus niet kan worden aangemerkt als woning.

3. Geschil

Ook in hoger beroep is uitsluitend in geschil of het overige gedeelte voor de heffing van overdrachtsbelasting kan worden aangemerkt als een woning in de zin van artikel 14, lid 2, WBR, in welk geval slechts 2% van de koopsom aan overdrachtsbelasting is verschuldigd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot een teruggave van in totaal € 5.600, zijnde 4% van € 140.000. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Wettekst

Overdrachtsbelasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen (artikel 2, lid 1, WBR).

Ingevolge artikel 14, lid 1, WBR bedraagt de belasting 6%. In afwijking van dit tarief bedraag de belasting 2% voor de verkrijging van een woning (artikel 14, lid 2, WBR; tekst 2020).

Uitleg wettekst

In zijn arrest van 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1779, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat van een woning in de zin van artikel 14, lid 2, WBR sprake is indien het een onroerende zaak betreft die naar zijn aard voor bewoning is bestemd. Daarbij moet zoveel mogelijk worden aangeknoopt bij de kenmerken van het bouwwerk zelf. De geschiktheid van de onroerende zaak om als woning te dienen is volgens de Hoge Raad niet beslissend. Aanknoping bij de kenmerken van het bouwwerk zelf wordt bereikt door aansluiting te zoeken bij het doel waarvoor het oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd. Indien dat doel bewoning is geweest maar het bouwwerk nadien is verbouwd om het geschikt te maken voor een andere vorm van gebruik, kan het alleen worden geacht zijn aard van woning te hebben behouden indien niet meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor bewoning geschikt te maken. Met een pand dat oorspronkelijk is gebouwd voor bewoning wordt in dit verband gelijkgesteld een pand dat oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning is ontworpen maar door latere verbouwing naar zijn aard tot woning is bestemd, aldus de Hoge Raad.

In een geval waarin een oorspronkelijk als bedrijfs- of kantoorpand gebouwde onroerende zaak wordt overgedragen nadat reeds bouwkundige wijzigingen zijn aangebracht en voordat ook de feitelijke oplevering plaatsvindt, moet evenzeer aansluiting worden gezocht bij het doel waarvoor het bouwwerk oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd (HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1779, r.o. 2.3.4).

In een geval waarin verbouwingswerkzaamheden hebben plaatsgevonden die, ook indien zij nog niet zijn voltooid, de gevolgtrekking kunnen rechtvaardigen dat die werkzaamheden onmiskenbaar strekken tot (op)levering van een woning, kan het bouwwerk alleen worden geacht de oorspronkelijke aard te hebben behouden indien de inspecteur aannemelijk maakt dat niet meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor het oorspronkelijke doel geschikt te maken. De vaststelling van de strekking van de verbouwingswerkzaamheden dient te geschieden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Zo kan naast de aard en inhoud van de verrichte werkzaamheden ook de inhoud van de koop-/aannemingsovereenkomst(en) in aanmerking worden genomen (HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1779, r.o. 2.3.4).

Indien de bouwkundige staat en kenmerken van de onroerende zaak geen uitsluitsel bieden, kan mede betekenis worden toegekend aan de uit publiekrechtelijke voorschriften voortvloeiende eisen of beperkingen (HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1779, r.o. 2.3.4).

Bewijslastverdeling

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die aanspraak maakt op het lage tarief voor woningen, feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen dat het overige gedeelte op het moment van de overdracht naar zijn aard tot woning is bestemd.

Beoordeling

Vaststaat dat het overige gedeelte oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd voor ander gebruik dan bewoning, dat tot het moment van de overdracht daaraan geen verbouwingswerkzaamheden hebben plaatsgevonden en dat dit nadien is gesloopt. Gelet op deze omstandigheden is het overige gedeelte naar zijn bouwkundige aard niet voor bewoning bestemd. Bovendien is het overige gedeelte ook niet geschikt om als woning te dienen. Dat voorafgaand aan de overdracht de gemeente de bestemming van de grond heeft gewijzigd in een woonbestemming en in dat verband een asbestinventarisatie heeft plaatsgevonden alsmede een bodem- en explosievenonderzoek, brengt – anders dan belanghebbende betoogt – niet mee dat het overige gedeelte naar zijn aard voor bewoning was bestemd. Hetzelfde heeft te gelden voor het feit dat ten tijde van de overdracht reeds een omgevingsvergunning was verstrekt voor het bouwen van een woning.

Voor de toepassing van artikel 14 WBR heeft belanghebbende dus geen woning verkregen, zodat terecht een tarief van 6% is gehanteerd.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2023.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 01 februari 2023

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.J.H. van Suilen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2023/0378 V-N Vandaag 2023/389 Notamail 2023/46 Belastingadvies 2023/7.7 V-N 2023/20.1.3 Viditax (FutD) 2023021005 FutD 2023-0419
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?