ECLI:NL:GHARL:2024:2173

ECLI:NL:GHARL:2024:2173, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-03-2024, 23/291

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 26-03-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/291
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2022:5546
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0007119 BWBR0007165

Samenvatting

Wet Woz. Vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 23/291

uitspraakdatum: 26 maart 2024

Uitspraak van de elfde enkelvoudige belastingkamer

op het incidentele hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 21 november 2022, nummer UTR 21/1702, in het geding tussen de heffingsambtenaar en

[belanghebbende] B.V. (hierna: belanghebbende)

1. Ontstaan en loop van het geding

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 10 te [plaats1] (hierna: het kantoorpand), per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 5.059.000. Tegelijk met deze beschikking is aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) opgelegd.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is hiertegen in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (heffingsambtenaar € 857,15, de Staat € 142,85), proceskosten (ieder € 379,50) en griffierecht (ieder € 180).

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] , taxateur, en [naam3] .

2. Vaststaande feiten

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een kantoorpand (bouwjaar 1985) met een oppervlakte van 5.564 m2 dat is gelegen op een kavel met een oppervlakte van 4.660 m2.

De waarde van de onroerende zaak is bij beschikking vastgesteld op € 5.059.000. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Na de afwijzende uitspraak op bezwaar is belanghebbende in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar wel aanleiding gezien om de heffingambtenaar en de Staat te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade (heffingsambtenaar € 857,15, de Staat € 142,85), proceskosten (ieder € 379,50) en griffierecht (ieder € 180) wegens overschrijding van de redelijke termijn met (naar boven afgerond) een jaar.

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld vanwege de ongegrondverklaring van zijn beroep betreffende de waarde van de onroerende zaak. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de nevenbeslissingen omtrent de immateriëleschadevergoeding, de proceskosten en het griffierecht. De Staat heeft in de uitspraak van de Rechtbank berust.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn hoger beroep betreffende de waarde van de woning ingetrokken, zodat het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar ter beoordeling overblijft.

3. Geschil

In geschil is of de Rechtbank de heffingsambtenaar terecht en tot juiste bedragen heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht.

De heffingsambtenaar beantwoordt die vraag ontkennend, belanghebbende bevestigend.

4. Beoordeling van het geschil

De Rechtbank heeft geconstateerd dat de redelijke termijn in eerste aanleg met (naar boven afgerond) een jaar is overschreden, welke overschrijding deels toerekenbaar is aan de bezwaarfase en deels aan de beroepsfase.

In hoger beroep betoogt de heffingsambtenaar dat het procedeergedrag van gemachtigde Bartels (diens gebruikelijke werkwijze) een bijzondere omstandigheid vormt die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt met een jaar. De heffingsambtenaar wijst in dit verband op een recente uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221 waarin de rechtbank in die zin heeft geoordeeld. Van een overschrijding van de redelijke termijn is dan geen sprake meer, aldus de heffingsambtenaar.

Het Hof is met de heffingsambtenaar van oordeel dat onder omstandigheden het uitzonderlijke geval zich kan voordoen dat de algemene proceshouding van een professionele rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die een verlenging rechtvaardigt van de redelijke termijn. Daarbij kan dan ook worden betrokken hetgeen buiten het verband van de desbetreffende procedure bekend is over het gedrag van deze gemachtigde (vgl. HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, r.o. 2.2.5; HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1370, r.o. 4.6.8).

In de omstandigheden van het geval ziet het Hof daartoe echter geen aanleiding. Het rechtbankdossier biedt onvoldoende feitelijke aanknopingspunten dat het procedeergedrag van gemachtigde Bartels in de weg heeft gestaan aan het doen van uitspraak binnen de termijn van twee jaar die volgens de uitgangspunten van het overzichtsarrest als redelijk moet worden beschouwd. Voor zover de heffingsambtenaar bedoelt te stellen dat gemachtigde Bartels door zijn gebruikelijke werkwijze in staat is grote aantallen bezwaar- en beroepsprocedures te entameren, waardoor bestuursorganen en de belastingrechtspraak in het hele land dreigen vast te lopen, overweegt het Hof nog dat het Rechtbankdossier geen concrete aanknopingspunten bevat dat de berechting van deze zaak hierdoor is vertraagd. De behandelende rechters in eerste aanleg hebben daar kennelijk evenmin aanleiding voor gezien, terwijl die bij uitstek zicht hebben op wat zich in eerste aanleg heeft afgespeeld.

De Rechtbank heeft overeenkomstig het overzichtsarrest geoordeeld dat de door belanghebbende geleden immateriële schade moet worden berekend op € 1.000 (twee maal € 500 per halfjaar overschrijding) en dat de heffingsambtenaar hiervan € 857,15 moet vergoeden. Ondanks de actuele ontwikkelingen bij de rechtbanken onderschrijft de Hoge Raad de uitgangspunten van het overzichtsarrest – waaronder een standaardvergoeding van € 500 per half jaar overschrijding (vgl. HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1370, r.o. 4.9.2) – nog steeds. Het Hof volgt daarom niet het betoog van de heffingsambtenaar dat in gevallen als het onderhavige de vergoeding van immateriële schade beperkt moet blijven tot € 50 per half jaar overschrijding overeenkomstig de recente rechtspraak van met name Rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RMNE:2022:5547 en ECLI:NL:RBMNE:2023:4481).

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden bij overschrijding van de redelijke termijn spanning en frustratie verondersteld, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang. Wel kan een uitzondering worden gemaakt voor het geval het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. In een dergelijk geval bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belastingplichtige heeft veroorzaakt. Bij het ontbreken van zodanige spanning en frustratie kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1361, r.o. 3.3.2).

Indien het belang van een procedure uitsluitend is gelegen in de vaststelling van een of meer door of aan een bestuursorgaan te betalen bedragen, moet worden aangenomen dat de procedure betrekking heeft op een zeer gering financieel belang, indien de som van die bedragen niet meer beloopt dan € 15 (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292, r.o. 2.3).

Het financieel belang in onderhavige procedure beloopt meer dan € 15, zodat op basis van de heersende jurisprudentie van de Hoge Raad geen aanleiding bestaat om vanwege die reden geen spanning en frustratie aan te nemen.

Evenals de Rechtbank ziet het Hof in de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval geen aanleiding om af te wijken van de uitgangspunten die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn overzichtsarrest HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Anders dan de heffingsambtenaar betoogt, staat aan toekenning van een immateriëleschadevergoeding niet in de weg dat aan belanghebbende bijstand is verleend op basis van ‘no cure no pay’ en evenmin dat belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald (HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3). Naar het oordeel van het Hof heeft de Hoge Raad daarbij het oog gehad op een geval als het onderhavige, waarin de schadevergoeding niet alleen aan de rechtsbijstandverlener moet worden uitbetaald maar dat deze de vergoeding op grond van gemaakte afspraken ook mag behouden (als beloning voor de verleende rechtsbijstand). In zoverre slaagt het incidentele hoger beroep niet.

De Rechtbank heeft het beroep op zichzelf beschouwd ongegrond geacht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend. De Rechtbank heeft hierin terecht aanleiding gezien een proceskostenveroordeling uit te spreken (overzichtsarrest r.o. 3.14.1). De proceskosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft de Rechtbank overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend op € 759, met toepassing van gewichtsfactor 0,5 (licht). Met de heffingsambtenaar is het Hof van oordeel dat in dit geval toepassing van gewichtsfactor 0,25 (zeer licht) op zijn plaats is (HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2).

De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase dient derhalve te worden berekend op € 437,50 (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 875). Hiervan komt € 218,75 (de helft) voor rekening van de heffingsambtenaar. Dit is minder dan de proceskostenveroordeling die de Rechtbank ten laste van de heffingsambtenaar heeft uitgesproken (€ 379,50), zodat het incidentele hoger beroep in zoverre slaagt.

Griffierecht

Vanwege het toekennen van een immateriëleschadevergoeding, heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar opgedragen de helft van het in eerste aanleg betaalde griffierecht (€ 180) aan belanghebbende te vergoeden.

In een geval als het onderhavige, waarin het beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, het verzoek tot vergoeding van immateriële schade is gedaan gedurende het beroep, en op het verzoek titel 8.4 van de Awb (‘Schadevergoeding’) van toepassing is, bestaat geen recht op vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht. Op grond van artikel 8:94, lid 2, van de Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, lid 1, van de Awb, zoals hier aan de orde, namelijk geen griffierecht verschuldigd. Het toekennen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn leidt in dit geval dus niet tot vergoeding van het griffierecht (vergelijk CRvB 12 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:102, ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1160 en gerechtshof Amsterdam 12 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3068). Ook in zoverre slaagt het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar.

De Staat heeft geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld tegen de te zijnen laste uitgesproken nevenbeslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht, zodat het Hof die beslissingen in stand laat.

Slotsom Op grond van het vorenstaande is het incidentele hoger beroep gegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover het betreft de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht ten laste van de heffingsambtenaar,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 218,75.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. C.M.R. Bouwman als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.

De griffier, De voorzitter,

(C.M.R. Bouwman) (V.F.R. Woeltjes)

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 27 maart 2024.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. V.F.R. Woeltjes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Belastingblad 2024/170 met annotatie van J.C. Scherff
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?