GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/00390
uitspraakdatum: 9 januari 2024
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
gedaan ter verbetering van de uitspraak van het Hof van 13 juni 2023, op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 december 2021, nummer AWB 21/2411, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/kantoor Apeldoorn (hierna: de Inspecteur).
1. Ontstaan en loop van het geding
Het Hof heeft in deze zaak op 13 juni 2023 uitspraak gedaan (hierna: de uitspraak).
Belanghebbende heeft erop gewezen dat in onderdeel 4.6 van de uitspraak ten onrechte bij een aantal daar genoemde data als jaartal ‘2000’ in plaats van ‘2020’ is vermeld. De uitspraak kan bijgevolg niet juist zijn. Het Hof herstelt deze misslag met deze hersteluitspraak.
Herstel van deze fout brengt mee dat de tekst van onderdeel 4.6 van de uitspraak als volgt komt te luiden:
“Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet in die bewijslast is geslaagd. Daartoe overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende heeft gesteld dat de auto bij zijn garage ter reparatie was aangeboden door de heer [naam1] . Volgens de verklaringen van de heer [naam1] zou de auto vijf tot zes keer in de garage van belanghebbende zijn geweest sinds de problemen met de auto begonnen (begin 2020, volgens de verklaring). De auto zou zes tot acht weken bij de garage zijn gebleven, maar de data waarop weet de heer [naam1] niet meer. De reparaties zijn gefactureerd op 21 oktober 2020. Belanghebbende stelt op basis van het voorgaande dat de auto hem dan vanaf 26 augustus 2020, dan wel 9 september 2020, ter beschikking heeft gestaan. Die verklaring kan het Hof echter niet volgen, nu het feit dat de auto bij vijf tot zes bezoeken in zijn totaliteit zes tot acht weken bij de garage heeft gestaan, niet impliceert dat de auto gedurende een aaneengesloten periode bij de garage heeft gestaan. Deze uitleg strookt ook niet met de verklaring die belanghebbende bij de staandehouding heeft afgelegd. Daar komt bij dat er geen onderbouwend stuk door belanghebbende wordt aangeleverd, zoals (bijvoorbeeld) een urenregistratie of werkagenda aan de hand waarvan een en ander concreet en verifieerbaar zou zijn. Belanghebbende is daarmee niet in zijn tegenbewijs geslaagd, waardoor de conclusie is dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.”
2. Beslissing
Het Hof verbetert de bovenvermelde fout in de uitspraak op de wijze als hiervoor in onderdeel 1.3 omschreven en verstaat dat de uitspraak aldus verbeterd moet worden gelezen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2024.
De griffier, De voorzitter
(G.J. van de Lagemaat) (R.A.V. Boxem)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 10 januari 2024.
In de uitspraak van 13 juni 2023 is vermeld op welke wijze een rechtsmiddel kan worden aangewend.