GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2023, betreffende
wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd
van € 150,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt en/of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 oktober 2021
om 07:42 uur op de President Kennedylaan ter hoogte van perceel 851 in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken].
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene met zijn parkeeractie geen gevaar of hinder voor voetgangers heeft veroorzaakt. De betrokkene stelt dat hij zijn voertuig zodanig op het trottoir heeft geparkeerd, zoals blijkt uit een door hem overgelegde afbeelding, dat voetgangers, rolstoelgebruikers en kinderwagens niet worden belemmerd in het gebruik van het trottoir. Het bedrijfsvoertuig van de betrokkene is slechts 1,95 meter breed, terwijl de oprit 5,80 meter breed is. Daarnaast is geen sprake van hinder in het mogelijke gebruik van de garageboxen door de wijze van parkeren van het voertuig. Daarnaast wijst de gemachtigde er op dat er in dit geval sprake is van een lex specialis. De bedrijfsauto stond immers op de in- en uitrit van de garageboxen geparkeerd. Het stond de ambtenaar dan ook niet vrij om een sanctie op te leggen voor de algemene norm van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994, aangezien de specifiekere feitcode R397b “parkeren voor een in- en/of uitrit”, met een lager sanctiebedrag, voor deze gedraging beschikbaar is. Die feitcode had de ambtenaar moeten hanteren, aldus de gemachtigde.
3. Het hof heeft de navolgende afbeelding via de openbare bron Google Maps Street View met betrekking tot de situatie ter plaatse verkregen.
© Google 2024: situatie maart 2021
4. De plaats alwaar het bedrijfsvoertuig van de betrokkene zich bevond ten tijde van het vaststellen van de gedraging is op de afbeelding weergegeven. Op deze afbeelding is daarnaast te zien dat het ter plaatse gaat om een brede strook bestrating die voor de in de straat aanwezige flatgebouwen en de daarbij behorende garageboxen is gelegen. Het weggedeelte dat toegang geeft tot de garageboxen is van de rijbaan afgescheiden met een verlaagde band van grijze, rechthoekige tegels. Daarnaast kan worden waargenomen dat de stenen op dit weggedeelte afwijken van de vierkante, grijze stoeptegels die aansluitend aan dit weggedeelte de toegang tot de portiek van de bovengelegen flatwoningen markeren.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat voor zover hier van belang de volgende gegevens:
“Ik (...) zag dat het motorvoertuig buiten de fiscale parkeerplaatsen met vier wielen op het trottoir hinderlijk voor de voetgangers stond. (…) Ik zag dat het voertuig de doorloop van voetgangers hinderde.”
6. Vooropgesteld wordt dat het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 (hierna RVV 1990) geen definitie of omschrijving bevat van de begrippen “trottoir” of “voetpad”. Van belang is met name hoe een weggedeelte zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet.
7. Het hof is van oordeel dat het weggedeelte dat voor de garageboxen van de verschillende flatgebouwen is gelegen, ook al is dit weggedeelte mede bestemd voor het bereiken van die boxen, als trottoir moet worden aangemerkt. Dit weggedeelte sluit immers naadloos aan op het zich aan beide zijden van het betreffende weggedeelte bevindende trottoir dat voor de toegang tot de portiek van de bovengelegen flatwoningen is gelegen, zodat het zich voor de gemiddelde weggebruiker als zodanig voordoet.
8. Gelet op de positie van het bedrijfsvoertuig, zoals hiervoor weergegeven, en de omvang van het betreffende voertuig staat naar het oordeel van het hof onvoldoende vast dat het voertuig van de betrokkene op dusdanige wijze stond geparkeerd dat eventueel passerende voetgangers hierdoor worden dan wel kunnen worden gehinderd. De gedraging als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990 kan in deze situatie worden vastgesteld, maar niet kan worden vastgesteld dat meer dan in die gedraging verdisconteerde hinder aanwezig is.
9. Het zaakoverzicht bevat, naast de hiervoor onder 5 weergegeven verklaring, nog de volgende verklaring van de ambtenaar:
“Ik (...) zag dat het motorvoertuig buiten de fiscale parkeerplaatsen met vier wielen (…) belemmerend met vier wielen op in-/uitrit geparkeerd stond. (…) Ik zag dat het voertuig de doorgang van de in-/uitrit belemmerde.”
10. De gemachtigde voert in dat verband aan dat voor de geconstateerde gedraging een specifiekere feitcode beschikbaar is (R397b). Deze feitcode betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het RVV 1990, waarin is bepaald dat de bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren voor een in- of uitrit. De begrippen in- en uitrit zijn in de regelgeving niet gedefinieerd, omdat de veelheid van feitelijke situaties zich lastig in een definitie laat vangen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een in- of uitrit, is daarom van belang of van iedere verkeersdeelnemer ter plaatse mag worden verwacht dat hij een uitmonding op duidelijk herkenbare wijze als in- of uitrit kan herkennen. Daarbij speelt de bestemming van de uitmonding (bijvoorbeeld de toegang tot een erf van een woning of bedrijfsunit) en de constructie van de uitmondingsituatie een belangrijke rol (zie het arrest van dit hof van 18 mei 2018, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2018:4543). Het hof overweegt hierbij nog dat sprake is van een absoluut verbod.
11. Het hof is gelet op de situatie ter plaatse van oordeel dat de hier aanwezige garagedeuren in dit geval de in- en uitrit vormen.
12. Alhoewel uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat door de gedraging (mogelijk ook) hinder wordt of kon worden veroorzaakt voor de daar aanwezige garageboxen, heeft de ambtenaar naar het oordeel van het hof in dit geval ook om die reden ten onrechte gekozen voor het opleggen van een sanctie voor deze gedraging. Weliswaar heeft de ambtenaar een discretionaire bevoegdheid, maar dit neemt niet weg dat in een dergelijk geval, waarin een speciale feitcode is opgenomen voor de specifieke gedraging ‘parkeren voor een in-/uitrit’, het de ambtenaar niet vrijstond om te schrijven voor de algemenere bepaling van artikel 5 van de WVW 1994, waarop een hogere sanctie is bepaald.
13. In het geval de betrokkene daardoor niet in rechtens te respecteren belangen is geschaad, is het
- ook in hoger beroep - mogelijk om de feitcode en de daaraan gekoppelde omschrijving van de gedraging te wijzigen. Naar het oordeel van het hof is de betrokkene daardoor niet in zijn verdediging geschaad, omdat uit de beroepschriften blijkt dat hij weet waartegen hij zich moet verdedigen. Verder is het bedrag van de sanctie behorend bij feitcode R397b niet hoger dan het bedrag van de sanctie die de betrokkene is opgelegd. Het hof zal daartoe dan ook overgaan.
14. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter en - met gegrondverklaring van het beroep daartegen - de beslissing van de officier van justitie moeten worden vernietigd.
15. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift
dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Aan het verschijnen ter zitting van de kantonrechter moet een punt worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.780,50 (= (1,5 x € 624,- x 0,5) + (3 x € 875,- x 0,5)).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
wijzigt de inleidende beschikking in die zin dat de feitcode en de omschrijving van de gedraging komen te luiden "R397b - als bestuurder een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit" en stelt het bedrag van de administratieve sanctie vast op € 100,-;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv teveel tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.780,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.