GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 30 augustus 2023, betreffende
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 196,50 (inclusief € 9,- administratiekosten). Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Hetgeen in hoger beroep door de gemachtigde van de betrokkene wordt aangevoerd, beperkt zich tot de grond inhoudende dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek om een proceskostenvergoeding heeft afgewezen. De betrokkene is immers (gedeeltelijk) in het gelijk gesteld, aldus de gemachtigde.
2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat hij in deze zaak te laat uitspraak doet, gelet op het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369, het bedrag van de sanctie gematigd met 25 procent en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
3. Het hof stelt het volgende vast. De inleidende beschikking is op 4 mei 2021 verzonden. In het beroepschrift bij de kantonrechter d.d. 19 oktober 2021 brengt de gemachtigde naar voren dat namens de betrokkene een pro forma beroepschrift wordt ingediend en op een nader door de kantonrechter te bepalen datum de (nadere) gronden zullen worden ingediend. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde bij brief d.d. 29 april 2022 tot uiterlijk 30 mei 2022 in de gelegenheid gesteld om de gronden in te dienen dan wel aan te vullen. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde bij brief d.d. 7 oktober 2022 bericht dat tot op heden geen (aanvullende) gronden zijn ontvangen en de gemachtigde tot uiterlijk 21 oktober 2022 in de gelegenheid gesteld dat alsnog te doen. De gemachtigde heeft een aanvullend beroepschrift bij de kantonrechter ingediend dat op 6 december 2022 door de rechtbank is ontvangen. De kantonrechter heeft op 30 augustus 2023 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist.
4. De redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in eerste aanleg aangevangen toen de inleidende beschikking op 4 mei 2021 aan de betrokkene is verzonden. De termijn van berechting is geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 30 augustus 2023. De gemachtigde heeft, hoewel aan hem op verzoek een termijn die afliep op 30 mei 2022 is geboden voor het indienen c.q. aanvullen van de gronden, pas op 6 december 2022 - ruim na afloop van een verlenging van de termijn - een aanvullend beroepschrift bij de kantonrechter ingediend. Het voorgaande leidt ertoe dat de redelijke termijn van berechting is verlengd in verband met het aan de (gemachtigde van de) betrokkene toe te rekenen niet binnen de tweede termijn aanvullen van de beroepsgronden. Het hof stelt deze verlenging van de redelijke termijn van berechting op de periode van 30 mei 2022 tot en met 21 oktober 2022 (= ruim twintig weken). Het hof stelt derhalve vast dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg niet is overschreden.
5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter in casu ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. Dat brengt mee dat de kantonrechter het sanctiebedrag ten onrechte heeft gematigd en de betrokkene aldus ten onrechte in het gelijk heeft gesteld. Er bestaat daarom geen rechtens te honoreren belang bij vergoeding van de gemaakte proceskosten (vgl. het arrest van het hof van 16 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4561). De aangevoerde grond treft dan ook geen doel.
6. Gelet op het vorenstaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Er bestaat geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.