GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 23/279 t/m 23/290
uitspraakdatum: 27 augustus 2024
Uitspraak van de eenentwintigste enkelvoudige kamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 5 januari 2023, nummers AWB 21/3444, 21/3447, 21/3451 t/m 21/3455, 21/3457, 21/3465, 21/3467, 21/3468 en 21/3470 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Ede (hierna: de heffingsambtenaar)
alsmede de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Minister)
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft verenigd in één aanslagbiljet, voor de waardepeildatum 1 januari 2018, de beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) en de daarbij horende aanslagen onroerendezaakbelasting (hierna: OZB), voor onder andere de volgende onroerende zaken vastgesteld:
Zaaknummer Hof
Zaaknummer Rechtbank
Object
Beschikte waarde
€
20/144
[adres1] 5
370.000
23/279
21/3444
[adres2] 54
96.000
23/280
21/3447
[adres3] 1
225.000
23/281
21/3451
[adres4] 98
244.000
23/282
21/3452
[adres5] 51
136.000
23/283
21/3453
[adres4] 98A
105.000
23/284
21/3454
[adres4] 98B
87.000
23/285
21/3455
[adres4] 98C
90.000
23/286
21/3457
[adres4] 98D
96.000
23/287
21/3465
[adres4] 98E
61.000
23/288
21/3467
[adres4] 98F
73.000
23/289
21/3468
[adres4] 98G
83.000
23/290
21/3470
[adres4] 98H
82.000
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank.
De Rechtbank heeft op 28 juli 2021 – naar aanleiding van hetgeen ter zitting van 14 juli 2021 is besproken – in het beroep tegen de waarde van het object [adres1] 5 uitspraak gedaan. Voor de beroepen ten aanzien van de overige objecten (zie 1.1.) heeft de Rechtbank twaalf nieuwe dossiers aangemaakt en daarvoor een nadere zitting gepland.
Bij uitspraak van 5 januari 2023 heeft de Rechtbank de beroepen met betrekking tot [adres3] 1 en [adres4] 98A gegrond verklaard, de waarden verlaagd, de aanslagen OZB dienovereenkomstig verminderd en aan belanghebbende een vergoeding van proceskosten (€ 2.266) en griffierecht (€ 96) toegekend. De andere beroepen heeft de Rechtbank ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de Rechtbank aanleiding gezien om aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen, voor 2/3 (€ 367) te betalen door de heffingsambtenaar en 1/3 (€ 133) door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Minister).
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank van 5 januari 2023 hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar.
2. Vaststaande feiten
Op het aanslagbiljet, gedagtekend 28 februari 2019, met aanslagbiljetnummer [nummer1] , is de waarde van zestien – waaronder de bij 1.1. genoemde - onroerende zaken vermeld.
Belanghebbende heeft bij brief van 10 april 2019 bezwaar ingediend tegen de WOZ-waarden en de daarmee samenhangende aanslagen, onder verwijzing naar het aanslagbiljetnummer ( [nummer1] ) en een aan het bezwaarschrift gehechte kopie van het aanslagbiljet.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 29 november 2019 heeft de heffingsambtenaar – onder verwijzing naar het aanslagbiljetnummer ( [nummer1] ) – de bezwaren ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft de uitspraak per object toegelicht.
Bij brief van 6 januari 2020, door de Rechtbank ontvangen op 9 januari 2020, heeft belanghebbende beroep tegen de uitspraken op bezwaar ingesteld. In het beroepschrift staat vermeld dat het beroep ziet op ‘ [adres1] 5 e.a.’ (Hof lees: ‘en andere’), terwijl eveneens wordt verwezen naar het nummer [nummer1] (zie 2.3.). Als bijlage bij het beroepschrift heeft belanghebbende een kopie van de uitspraak op bezwaar meegezonden.
Bij brief van 13 mei 2020 heeft de Rechtbank belanghebbende geïnformeerd dat een beroep is aangemaakt voor het object [adres1] 5, maar dat in de uitspraak op bezwaar meerdere objecten zijn opgenomen. De Rechtbank verzoekt belanghebbende om aan te geven op welke objecten het beroep betrekking heeft, waarbij zij opmerkt dat bij het uitblijven van een reactie wordt aangenomen dat het beroep op alle objecten in de uitspraak op bezwaar ziet.
Bij uitspraak van 5 januari 2023 heeft de Rechtbank, in verband met een overschrijding van de redelijke termijn, aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend. De Rechtbank heeft de overschrijding vastgesteld op drie maanden. De periode tussen 9 januari 2020 (datum ontvangst van het beroepschrift) en 14 juli 2021 (datum van de eerste zitting) heeft de Rechtbank voor de vaststelling van de overschrijding buiten beschouwing gelaten. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat belanghebbende pas op de zitting van 14 juli 2021 voor het eerst zou hebben gesteld dat het beroep ook op de andere objecten dan alleen de [adres1] 5 was gericht, zodat het aan belanghebbende te wijten is dat de Rechtbank niet eerder dan op 14 juli 2021 op de hoogte was van de omvang van het beroep.
3. Geschil
In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de Rechtbank de juiste bedragen aan proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, aan belanghebbende heeft toegekend. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.
Alle overige hogerberoepsgronden heeft belanghebbende ter zitting van het Hof uitdrukkelijk ingetrokken.
4. Beoordeling van het geschil
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte de redelijke termijn, in het kader van vergoeding van immateriële schade, heeft verlengd. Deze hogerberoepsgrond slaagt.
Gelet op hetgeen onder 2.1. t/m 2.6. is vastgesteld, is het Hof van oordeel dat er geen aanleiding bestond om de redelijke termijn te verlengen en dat de Rechtbank dus ten onrechte een periode van achttien maanden en vijf dagen buiten beschouwing heeft gelaten. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden met (afgerond) één jaar en negen maanden. Hiermee correspondeert een totaalbedrag van € 2.000 aan immateriële schadevergoeding, waarvan 2/21 (€ 190) voor rekening van de heffingsambtenaar komt en 19/21 (€ 1.810) voor rekening van de Minister. Gelet op de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 20.210, heeft het Hof ervan afgezien de Minister in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen.
Belanghebbende stelt voorts dat de Rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan van het lage tarief (€296 per punt) voor de bezwaarfase (onderdeel B2 en onder 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht). Gezien het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, slaagt deze hogerberoepsgrond. Het Hof stelt de proceskosten die heffingsambtenaar aan belanghebbende voor de beroepsfase moet vergoeden, vast op € 2.998 (2 punten voor de bezwaarfase (bezwaarschrift en bijwonen hoorzitting) x € 624 en 2 punten voor het beroep (beroepsschrift en bijwonen zitting) x € 875 x wegingsfactor 1).
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5. Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Daarnaast moet de heffingsambtenaar het in hoger beroep geheven griffierecht van € 136 vergoeden.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met het hoger beroep heeft gemaakt overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 437,50 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) x € 875 x wegingsfactor 0,25).
Opmerking verdient dat de vergoedingen voor de proceskosten in beroep en hoger beroep, voor immateriële schade alsmede voor het griffierecht voor het hoger beroep op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 30a, lid 4, van de Wet WOZ uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dienen te worden uitbetaald.
6. Beslissing
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, voor zover deze ziet op de vergoeding van
proceskosten en de vergoeding van immateriële schade,
- veroordeelt de Minister in de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een
bedrag van € 1.810 en de heffingsambtenaar tot een bedrag van € 190,
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor het
bezwaar en beroep tot een bedrag van € 2.998 en het hoger beroep tot een bedrag
van € 437,50, tezamen € 3.435,50,
- gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht
vergoedt, te weten € 136 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
De griffier, De raadsheer,
J. Hollander T. Tanghe
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 28 augustus 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.