GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 1 februari 2024, betreffende
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 april 2022 om 19:18 uur op het Hoedemakerplein in Enschede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat aan de betrokkene in strijd met het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden (het Beleidskader) in korte tijd meerdere sancties zijn opgelegd. De onderhavige inleidende beschikking is de tweede uit een rijtje van vier en is niet aan de betrokkene opgelegd nádat de eerste inleidende beschikking naar de betrokkene is toegezonden. De betrokkene is daardoor niet in de gelegenheid gesteld om zijn gedrag aan te passen.
3. In deze zaak is sprake van digitale handhaving van een voetgangersgebied. In het hier van toepassing zijnde relevante onderdeel van het Beleidskader is bepaald dat per week maximaal één beschikking per kenteken wordt geregistreerd en de eerste beschikking in ieder geval aan de betrokkene moet zijn verzonden voordat bij de nieuwe beschikking de volgende sanctie wordt opgelegd.
4. Uit het dossier blijkt dat aan de betrokkene – naast de onderhavige sanctie – nog drie andere sancties zijn opgelegd bij inleidende beschikkingen van 11 mei 2022. Het gaat in alle zaken om “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)” met als pleeglocatie het Hoedemakersplein in Enschede. Het gaat om gedragingen die zouden zijn verricht op 8 april 2022 (CJIB-nummer 249140368), 20 april 2022 (CJIB-nummer 249140193) en 9 mei 2022 (CJIB-nummer 249612164).
5. De kantonrechter heeft overwogen dat hij alleen de eerste sanctie in stand zal laten en dat de overige zaken, gelet op de bijzondere omstandigheden, gegrond zullen worden verklaard en dat de opgelegde sancties in die zaken zullen worden vernietigd. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking in de onderhavige zaak in stand gelaten.
6. Omdat de kantonrechter de inleidende beschikkingen in de andere drie zaken heeft vernietigd, is nog slechts sprake van één inleidende beschikking zodat van strijd met het Beleidskader geen sprake meer is. Dat de gedraging in de onderhavige zaak in tijd niet de eerste maar de tweede is, doet hier niet aan af. De grond treft geen doel.
7. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Dat brengt mee dat het hof niet toekomt aan het betoog van de gemachtigde dat artikel 13a, derde lid, van de Wahv, waarin is bepaald dat uitbetaling van de proceskosten dient plaats te vinden op een bankrekening van een betrokkene, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.