GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.331.022
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 397321)
arrest van 17 september 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. E.F.E. van Essen
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats1]
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie, verweerder in reconventie
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. M.P.H. van Maanen Winters
1. De procedure bij het hof
Naar aanleiding van het arrest van 19 maart 2024 heeft op 5 juli 2024 een (enkelvoudige) mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat (met de spreekaantekeningen van beide partijen) aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Tevoren had [geïntimeerde] bij rolbericht van 19 juni 2024 een productie ingezonden en [appellant] bij rolbericht van 4 juli 2024 ook een productie. Verder heeft [appellant] op de mondelinge behandeling een akte vermeerdering eis verzocht, waarop het hof nog moet beslissen. Aan het eind van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2. Schets van de zaak en de vorderingen in hoger beroep
[geïntimeerde] heeft in het verleden een eenmanszaak gehad (een tabakswinkel). [appellant] was directeur/grootaandeelhouder van [naam1] B.V. en heeft tot en met 2019 de boekhouding en belastingaangiftes voor [geïntimeerde] verzorgd. In een notariële akte van 11 augustus 2011 staat dat [geïntimeerde] erkent € 40.000 in hoofdsom van [appellant] ter leen te hebben ontvangen. In die akte is een tweede hypotheek op het appartementsrecht van [geïntimeerde] ( [adres] te [woonplaats1] , hierna: de woning) gevestigd ter zekerheid van terugbetaling van deze lening.
[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat hij en [appellant] niet daadwerkelijk een lening zijn aangegaan en dat [appellant] hem dit bedrag niet heeft verstrekt. [geïntimeerde] voert aan dat de geldleningsovereenkomst die in de notariële akte is vermeld een fictieve overeenkomst is, waarbij het de bedoeling van partijen was om de toenmalige overwaarde van de woning (ongeveer € 40.000) buiten een mogelijk faillissement van [geïntimeerde] te houden. Dit was een opzetje bedacht door [appellant] , aldus [geïntimeerde] . Op 14 december 2011 is het faillissement van [geïntimeerde] aangevraagd door een crediteur (Lekkerland Nederland B.V.) en op 10 januari 2012 is dit faillissement uitgesproken. Het faillissement is op 3 juli 2012 opgeheven bij gebrek aan baten.
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank – na wijziging van eis, samengevat - gevorderd een verklaring voor recht dat de geldlening en het daaraan verbonden hypotheekrecht niet bestaan respectievelijk nietig zijn en subsidiair dat [appellant] het recht heeft verwerkt om nakoming te vorderen dan wel tot tenuitvoerlegging over te gaan, met steeds zijn veroordeling tot vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden schade. [appellant] heeft bij de rechtbank in reconventie – na eiswijziging, samengevat – veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 43.194,25, verhoogd met rente en kosten, gevorderd. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen, omdat naar het oordeel van de rechtbank [appellant] er niet in is geslaagd te bewijzen dat hij € 40.000 aan [geïntimeerde] heeft overhandigd.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat zijn afgewezen vorderingen, na vermeerdering, alsnog worden toegewezen en dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen.
3. De beoordeling in hoger beroep
Beide partijen verwijzen ter onderbouwing van hun stellingen naar financiële gegevens en bescheiden, die zij voor een deel niet hebben onderbouwd of overgelegd. Het hof zal daarom ieder der partijen op de voet van artikel 22 Rv bevelen om bij akte de hierna te noemen bescheiden, voorzien van een korte toelichting, over te leggen.
[geïntimeerde] enerzijds en [appellant] anderzijds moeten de door ieder van hen te nemen akte op voorhand, twee weken voor de hierna te noemen roldatum, aan elkaar zenden zodat zij daarop wederzijds in hun te nemen akte kunnen reageren. Zonder instemming van de wederpartij staat het de advocaten niet vrij de tekst van hun akte (met uitzondering van de reactie) te wijzigen nadat deze is toegezonden aan de advocaat van de wederpartij.
[geïntimeerde] kan daarnaast in zijn akte kort reageren op de akte vermeerdering eis van [appellant] van 5 juli 2024, gezien het feit dat [appellant] deze akte pas een dag voor de mondelinge behandeling heeft ingezonden.
Alle verdere beslissingen, waaronder die over de verdeling van de stelplicht en de bewijslast, worden aangehouden.
4. De beslissing
Het hof:
beveelt [appellant] bij akte de volgende bescheiden (met een korte toelichting) over te leggen:
bescheiden ter onderbouwing en concretisering van zijn stelling dat hij - naast [geïntimeerde] – aan andere ondernemers leningen heeft verschaft en in welke omvang hij die leningen in contanten heeft verschaft;
bescheiden waaruit de herkomst blijkt van het volgens hem in 2011 aan [geïntimeerde] in contanten verschafte bedrag;
de jaarrekeningen 2012 tot 2015 van zijn persoonlijke beheervennootschap, waaruit naar zijn stellingen het bestaan van zijn vordering op [geïntimeerde] blijkt;
de hem ter beschikking staande (kopieën van de) boekhouding en belastingaangiftes van [geïntimeerde] inzake 2011 en 2012;
bescheiden ter vaststelling van de opbrengst van de veiling van [geïntimeerde] ’ woning, de beoogde bestemming van die opbrengst en de stand van de rangregeling;
beveelt [geïntimeerde] bij akte de volgende bescheiden (met een korte toelichting) over te leggen:
zijn boekhouding en belastingaangiftes inzake 2011 en 2012;
doorlopende bescheiden, zonder onderbreking, waaruit het verloop van de door Bank of Scotland aan hem verstrekte eerste hypothecaire lening vanaf 1 januari 2011 en de daarop sinds die datum tot de veiling van zijn woning verrichte aflossingen blijken;
bescheiden ter vaststelling van de opbrengst van de veiling van zijn woning, de beoogde bestemming van die opbrengst en de stand van de rangregeling;
verwijst de zaak daartoe naar de rol van 12 november 2024 voor het gelijktijdig nemen van de hiervoor omschreven aktes;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.J. van der Korst, M.B. Beekhoven van den Boezem en A.W. Steeg, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 september 2024.