[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
thans verblijvende in [verblijfplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 11 oktober 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met uitzondering van de overwegingen over de strafbaarheid van de verdachte en met dien verstande dat - indien vast staat dat de vordering van de materiële schade van de kinderen, waar het betreft de weggenomen geldbedragen, in gezamenlijkheid is gevorderd -
de gevorderde materiële schade van in totaal € 5.518,95 kan worden toegewezen aan de gezamenlijke erfgenamen van [slachtoffer] .
Het gerechtshof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. V. Poelmeijer, en hetgeen door en/of namens de nabestaanden/benadeelde partijen is aangevoerd ter terechtzitting in hoger beroep.
Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht heeft de rechtbank:
met dien verstande dat het deel van de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] dat ziet opvergoeding van de weggenomen geldbedragen (totaal € 5.518,95), aan de kinderen gezamenlijk (als erfgenaam) moet worden toegewezen en dat het bedrag aan weggenomen gelden gelijkelijk wordt verdeeld onderhen, waarbij de rechtbank dit bedrag in drie gelijke delen van elk €1.839, 65 heeft verdeeld en aan elk van de kinderen toegewezen,
alsmede met dien verstande dat de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering voor zover het betreft de kosten voor een eventueel hoger beroep, ten bedrage van € 887,16;
- de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, voor zover het (telkens) betreft een bedrag van € 3.679,30.
Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen, behalve voor zover het betreft de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het gerechtshof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Daarnaast komt het gerechtshof - naar aanleiding van de medewerking van de verdachte aan hernieuwde observatie in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) in de fase van het hoger beroep en het daaruit voortgekomen rapport van het PBC - met een aanvulling op de overweging van de rechtbank omtrent de strafbaarheid van de verdachte en de motivering van de opgelegde tbs-maatregel.
Strafbaarheid van de verdachte en oplegging van maatregel
In aanvulling op hetgeen de rechtbank heeft overwogen in het vonnis stelt het gerechtshof het volgende vast.
In eerste aanleg heeft de verdachte geweigerd mee te werken aan een observatie in het PBC. In hoger beroep heeft de verdachte zijn proceshouding op dit punt veranderd en is hij, op verzoek van de verdediging, opnieuw ter observatie opgenomen in het PBC. De verdachte heeft vervolgens meegewerkt aan het onderzoek in het PBC, hetgeen heeft geresulteerd in een onderzoeksrapport van 23 februari 2024, opgemaakt door M. Fluit, psychiater, en A.J. van den Dorpel, GZ-psycholoog onder supervisie van J. Heerschop, GZ-psycholoog.
De belangrijkste conclusies van deze onderzoekers zijn:
Het verbergen en wegvoeren van het lijk, alsmede het opnemen van geld van de bankrekening zijn betrokkene geheel toe te rekenen;
De verdachte en de verdediging hebben in het kader van het in hoger beroep gevoerde verweer tegen het gebruik van dit PBC-rapport geen zodanig bijzondere of relevante objectieve feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof aanleiding ziet te concluderen dat dit PBC-rapport niet ten grondslag kan worden gelegd aan de beslissing om TBS met dwangverpleging op te leggen. Aangevoerd is onder meer dat in het PBC-rapport een te eenzijdig beeld van de verdachte is geschetst, waarbij zijn middelengebruik onderbelicht is gebleven. Verder is aangevoerd dat de periode van de verdachte in het PBC een momentopname is geweest en dat uit de gedragsrapportage van de penitentiaire inrichting een heel ander beeld van de verdachte volgt, alsmede dat de onderzoekers van het PBC de verdachte verkeerd hebben begrepen. Deze subjectieve kijk van de verdachte op het PBC-rapport kan naar het oordeel van het gerechtshof niet afdoen aan de bevindingen en conclusies van het PBC-onderzoek. Niet aannemelijk is geworden dat die bevindingen en conclusies tot stand zijn gekomen op grond van een onjuist beeld van de onderzoekers over de verdachte.
De inhoud en strekking van het rapport getuigen naar het oordeel van het gerechtshof van een voldoende volledig en zorgvuldig onderzoek, waarvan uitgebreid en genuanceerd verslag is gedaan in het rapport. De onderzoeksbevindingen zijn naar het oordeel van het gerechtshof dragend ter zake van de conclusies van de onderzoekers. Daarbij overweegt het gerechtshof in het bijzonder dat de onderzoekers zich niet alleen baseren op de gegevens die zij hebben verkregen uit de observatie, maar ook op veel door hen in hun rapport besproken informatie uit verdachtes verleden. Bij een observatieperiode van zes weken kan al bezwaarlijk worden gesproken van een momentopname. Dat is nog minder zo nu de onderzoekers uitvoerig hebben gemotiveerd welke kenmerken het door hen geconstateerde probleempatroon beginnend in de jongvolwassenheid omvat. Waarom de verdachte stelt dat zijn middelengebruik onderbelicht is gebleven, is het gerechtshof niet duidelijk. Onderzoekers hebben daar wel degelijk aandacht voor gehad en zij hebben met name het gebruik van alcohol en cocaïne besproken en in hun deskundig oordeel betrokken. Zij zijn met meewegen van het middelengebruik tot hun hiervoor weergegeven conclusies gekomen.
Het gerechtshof kan zich met de in voormeld PBC-rapport weergegeven bevindingen en conclusies verenigen, waarbij het gerechtshof opmerkt dat het beeld dat het van de verdachte gekregen heeft bij de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep past binnen de conclusies in het PBC-rapport over de persoonlijkheid van de verdachte. De verdachte heeft het doden van het slachtoffer bekend maar heeft zich als een slachtoffer van de omstandigheden geschetst waarbinnen hij tot zijn daden is gedreven. Ziekte-inzicht heeft het gerechtshof vanuit de uitlatingen van de verdachte niet kunnen waarnemen, noch wat er om gaat in de binnenwereld van de verdachte. Het voorgaande betekent dat het gerechtshof, met de onderzoekers, van oordeel is dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dat de veiligheid van anderen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Verder oordeelt het gerechtshof dat feit 1, de doodslag, de verdachte verminderd toe te rekenen is en dat de feiten 2 en 3, het wegmaken van het lijk, respectievelijk de diefstal van geld, geheel toe te rekenen zijn.
Het gerechtshof is daarnaast, evenals de rechtbank, van oordeel dat behandeling en begeleiding in een strak en gedwongen kader geïndiceerd zijn en ziet dan ook aanleiding en noodzaak om de terbeschikkingstelling van de verdachte te gelasten en daarbij te bevelen dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
Anders dan de verdediging in hoger beroep heeft bepleit vormt de oplegging van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege voor het gerechtshof geen aanleiding ook maar iets af te doen aan de duur van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf. Het gerechtshof verwijst nadrukkelijk naar de door de rechtbank gegeven strafmotivering. Evenals de rechtbank wijst het gerechtshof op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De rechtsorde is op buitengewone wijze geschokt door die feiten; de nabestaanden moeten verder leven met het feit dat de verdachte hun moeder en dochter op schokkende wijze het leven heeft ontnomen waarna hij op verbijsterend mensonterende wijze met het lichaam van het slachtoffer is omgegaan door haar in een koffer te bewaren en de nabestaanden lange tijd in het ongewisse te laten over wat er met haar was gebeurd.
De dochter van wijlen [slachtoffer] en de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op indringende wijze verwoord welk gemis en verdriet zij heeft door het verlies van haar moeder door toedoen van de verdachte. Matiging van de opgelegde gevangenisstraf zou naar het oordeel van het gerechtshof ook in de ogen van de samenleving onvoldoende recht doen aan de inbreuk op de rechtsorde die de verdachte met zijn handelen heeft gemaakt.
De door de raadsman opgevoerde wachtlijstproblematiek ter zake van de instroom in een tbs-instelling maakt dit naar het oordeel van het gerechtshof niet anders.
Algemene overweging over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en wijlen [benadeelde 1]
De rechtbank heeft in het vonnis overwogen dat de gevorderde materiële schade bestaande uit vergoeding van de weggenomen geldbedragen (gerechtshof: feit 3 van de bewezenverklaring) door de drie kinderen van het slachtoffer als schadepost is opgevoerd.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de schadevergoeding aan de kinderen als erfgenamen gezamenlijk toekomt en heeft vervolgens bepaald dat het bedrag aan weggenomen gelden gelijkelijk wordt verdeeld onder hen.
Het gerechtshof komt met betrekking tot dit laatste tot een ander oordeel en sluit zich aan bij hetgeen mr. Spoelstra als advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde 2] hierover heeft aangevoerd bij brief van 8 juli 2024, gericht aan het gerechtshof:
Vordering weggenomen geld
Namens de drie kinderen in hun hoedanigheid als gezamenlijke erfgenamen van [slachtoffer]
is in eerste aanleg gevoegd voor het door verdachte gestolen geld a € 5.518,95.
De rechtbank heeft dat weliswaar toegewezen, maar heeft de vorderingen verdeeld en
een 1/3e deel aan ieder toegewezen.
De toewijzing van het totaal is juist, de verdeling in drie gelijke delen niet. Daarmee heeft
de rechtbank in feite een voorschot op de verdeling genomen. Dat gaat een stap te ver.
De nalatenschap van [slachtoffer] bevindt zich nog in de vereffeningsfase. De vordering van
de gezamenlijke erven op verdachte moet nog worden geïnd. In de vereffeningsfase
moeten ook eventuele schuldeisers nog worden betaald uit de boedel.
Pas wanneer de vereffening is voltooid – en enkel indien een overschot resteert –
komen de erfgenamen toe aan verdeling van dat overschot. Een beslissing zoals de
rechtbank die heeft genomen (met een voorschot op de verdeling) kan voor allerlei
praktische problemen zorgen.
Daarom wordt verzocht om de vordering voor het weggenomen geld a € 5.518,95 toe te
wijzen aan de gezamenlijke erfgenamen van [slachtoffer] . Ook hier geldt dat de
gezamenlijke erfgenamen zich in de incasso-/executiefase dan kunnen en moeten
wenden tot het CJIB voor de uitbetaling van de geïnde schadevergoeding dan wel de
uitbetaling op grond van de voorschotregeling op een boedelrekening.
Het gerechtshof zal op grond van het bovenstaande aan ieder van de kinderen (als erfgenamen en ten behoeve van de nalatenschap) het gehele bedrag aan weggenomen gelden toewijzen, met dien verstande dat indien en voor zover de verdachte aan een van de afzonderlijke betalingsverplichtingen ter zake van dit deel van de materiële schade (in totaal € 5.518,95) heeft voldaan, de andere twee vervallen.
Het bovenstaande leidt er toe dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en wijlen [benadeelde 1] geheel zullen worden toegewezen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 3.877,82 en immateriële schade ten bedrage van € 17.500,-. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht grotendeels toegewezen. Deze benadeelde partij heeft zich onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep. Gelet op het in eerste aanleg gedane verzoek namens deze benadeelde partij om niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering voor zover het betreft de kosten voor een eventueel hoger beroep, ten bedrage van € 887,16, gaat het gerechtshof er daarbij van uit dat laatstgenoemd bedrag thans geen onderdeel meer vormt van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Vordering van wijlen de benadeelde partij [benadeelde 1]
Deze benadeelde partij heeft zich bij leven in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 14.794,05 en immateriële schade ten bedrage van € 17.500,-. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht grotendeels toegewezen. Deze benadeelde partij heeft zich bij leven onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Het gerechtshof volgt de verwijzing door mr. Spoelstra naar artikel 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en zal het daar bepaalde analoog toepassen in het strafproces. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 5.518,95 en immateriële schade ten bedrage van € 20.000,-. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht grotendeels toegewezen. Deze benadeelde partij heeft zich onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 5.518,95 en immateriële schade ten bedrage van € 20.000,-. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht grotendeels toegewezen. Deze benadeelde partij heeft zich onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep.
Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 151, 287 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 21.377,82 (eenentwintigduizend driehonderdzevenenzeventig euro en tweeëntachtig cent) bestaande uit € 3.877,82 (drieduizend achthonderdzevenenzeventig euro en tweeëntachtig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 21.377,82 (eenentwintigduizend driehonderdzevenenzeventig euro en tweeëntachtig cent) bestaande uit € 3.877,82 (drieduizend achthonderdzevenenzeventig euro en tweeëntachtig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 140 (honderdveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 31 maart 2020.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 32.294,05 (tweeëndertigduizend tweehonderdvierennegentig euro en vijf cent) bestaande uit € 14.794,05 (veertienduizend zevenhonderdvierennegentig euro en vijf cent) materiële schade, waarvan € 5.518,95 toekomt aan de nalatenschap van [slachtoffer] , en
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de namens de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 32.294,05 (tweeëndertigduizend tweehonderdvierennegentig euro en vijf cent) bestaande uit € 14.794,05 (veertienduizend zevenhonderdvierennegentig euro en vijf cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 196 (honderdzesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt met betrekking tot het aan de nalatenschap van [slachtoffer] toekomende bedrag dat indien en voor zover de verdachte dat heeft betaald aan een van de drie erfgenamen de betalingsverplichting aan de anderen in zoverre vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 31 maart 2020.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 25.518,95 (vijfentwintigduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) bestaande uit
€ 5.518,95 (vijfduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) materiële schade, toekomend aan de nalatenschap van [slachtoffer] , en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.518,95 (vijfentwintigduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 5.518,95 (vijfduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 162 (honderdtweeënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt met betrekking tot het aan de nalatenschap van [slachtoffer] toekomende bedrag dat indien en voor zover de verdachte dat heeft betaald aan een van de drie erfgenamen de betalingsverplichting aan de anderen in zoverre vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 31 maart 2020.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 25.518,95 (vijfentwintigduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) bestaande uit
€ 5.518,95 (vijfduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) materiële schade, toekomend aan de nalatenschap van [slachtoffer] , en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.518,95 (vijfentwintigduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 5.518,95 (vijfduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 162 (honderdtweeënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt met betrekking tot het aan de nalatenschap van [slachtoffer] toekomende bedrag dat indien en voor zover de verdachte dat heeft betaald aan een van de drie erfgenamen de betalingsverplichting aan de anderen in zoverre vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 31 maart 2020.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. A.F. van Kooij, voorzitter,
mr. F. van der Maden en mr. E.W. van Weringh, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 25 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.