ECLI:NL:GHARL:2024:7031

ECLI:NL:GHARL:2024:7031, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19-11-2024, 200.331.978

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 19-11-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.331.978
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBOVE:2023:1239
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005289

Samenvatting

Hoger beroep van ECLI:NL:RBOVE:2021:4936, ECLI:NL:RBOVE:2022:1516 en ECLI:NL:RBOVE:2023:1239; echtheid ondertekening onderhandse akte tot hoofdelijk medeschuldenaar; bewijskracht originele akte; uitwisseling akte; geen natte handtekening; handschriftonderzoeken; montageverweer handtekening; tegenstrijdige verklaringen van beweerde ondertekenaar. Artikelen 88, 152, 159 en 160 Rv.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.331.978

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 264457)

arrest van 19 november 2024

in de zaak van

[appellante] ,

die woont in [woonplaats1] ,

die hoger beroep heeft ingesteld

en bij de rechtbank optrad als gedaagde partij,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. B.R. Kleij

tegen

de vennootschap onder firma

Van Oorspronk Agro V.O.F.,

die is gevestigd in Nijbroek,

die ook voorwaardelijk hoger beroep heeft ingesteld

en bij de rechtbank optrad als eisende partij,

hierna: Van Oorspronk V.O.F.,

advocaat: mr. E.J. Loor.

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het (eind)vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 8 maart 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

 de arrestbepaling.

2. De kern van de zaak en haar voorgeschiedenis

de kern

Het gaat hier om de vraag of [appellante] , naast haar echtgenoot [naam1] , (hoofdelijk) medeschuldenaar is geworden van een door deze en schuldeiser Van Oorspronk V.O.F. verlengde en gewijzigde schriftelijke overeenkomst van geldlening.

de vaststaande feiten

Bij onderhandse schuldbekentenis van 30 maart 2015 hebben [naam1] en Innove Beheer B.V. verklaard € 75.000 te hebben geleend van Van Oorspronk V.O.F., uiterlijk een jaar daarna terug te betalen.

Op 31 maart 2015 heeft Van Oorspronk V.O.F. dat bedrag overgemaakt naar een bankrekeningnummer op naam van [appellante] .

Omdat het geleende bedrag niet werd terugbetaald, hebben partijen in het voorjaar van 2017 tevergeefs onderhandeld over vestiging op naam van [naam1] en [appellante] van hypotheek- en pandrechten.

Van Oorspronk V.O.F. heeft het uitgeleende bedrag met rente en kosten van [naam1] en VGO Beheer B.V. (voorheen Innove Beheer B.V.) opgevorderd bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen.

Op de mondelinge behandeling van 6 maart 2018 in die procedure hebben de contractspartijen onderhandeld over een schikking.

Bij brief van 27 maart 2018 heeft mr. Loor namens Van Oorspronk V.O.F., met afschrift aan mr. Gerdes, advocaat van [naam1] en VGO Beheer B.V., een op naam van alle partijen getekende akte van 26 maart 2018 naar de rechtbank gezonden. De akte vermeldt als partijen: Van Oorspronk V.O.F., VGO Beheer B.V., [naam1] en [appellante] . De considerans van de daarin neergelegde overeenkomst vermeldt dat:

“c) Op 6 maart 2018 een mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden ten overstaan van de behandelend rechter (…), waarbij Partijen zijn overeengekomen de termijn van terugbetaling van de geldlening te verlengen met 18 maanden in ruil voor zekerheid in de vorm van mede debiteurschap van [appellante] ;

d) [appellante] zich bereid heeft verklaard als mede debiteur hoofdelijk (mede) aansprakelijk te zijn voor de terugbetaling van de geldlening (…)”.

De overeenkomst bevat vervolgens in artikel 1 een schuldigverklaring door VGO Beheer B.V., [naam1] en [appellante] voor € 78.500 met de hoofdelijke verplichting in artikel 2 tot terugbetaling uiterlijk op 6 september 2019. Verder verplicht de overeenkomst partijen in artikel 6 een kopie ervan aan de rechtbank in te zenden met het verzoek vonnis te wijzen overeenkomstig die aan het vonnis te hechten overeenkomst, zodat “Van Oorspronk V.O.F. terstond executiemaatregelen tegen VGO, [naam1] en [appellante] kan nemen”.

Op basis daarvan heeft de rechtbank te Zutphen in haar vonnis van 16 april 2018 Van Oorspronk V.O.F. respectievelijk [naam1] en VGO Beheer veroordeeld tot nakoming van de gemaakte afspraken zoals opgenomen in de aan het vonnis gehechte overeenkomst. Omdat [appellante] geen partij was in die procedure, heeft de rechtbank het vonnis echter uitdrukkelijk niet tegen haar gewezen.

het proces bij de rechtbank

Volgens Van Oorspronk V.O.F. heeft [appellante] (de akte van) de overeenkomst ondertekend en moet zij als hoofdelijk aansprakelijk medeschuldenaar deze nakomen. Maar [appellante] ontkent die ondertekening stellig.

Na beslaglegging heeft Van Oorspronk V.O.F. [appellante] voor de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, gedagvaard en (na eiswijziging) haar veroordeling gevorderd tot betaling van primair € 78.500 met de wettelijke rente vanaf 6 september 2019 (op grond van de overeenkomst en/of huwelijksgoederengemeenschap) en subsidiair van € 75.000 met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2016, althans vanaf 12 februari 2021 (op grond van onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatige daad). Meer subsidiair heeft zij een zodanige beslissing gevorderd als de rechtbank in goede justitie meende te behoren.

Na verweer en een mondelinge behandeling heeft de rechtbank in haar tussenvonnis van 29 december 2021 geoordeeld dat [appellante] niet aan de overeenkomst is gebonden op grond van de verklaringen van mr. Gerdes (hierna aangehaald in rov. 3.5) en dat de grondslag van gemeenschap van goederen te laat was aangevoerd. De rechtbank heeft daarbij aan Van Oorspronk V.O.F. opgedragen te bewijzen dat de handtekening onder de overeenkomst van [appellante] is. Na een in het tussenvonnis van 18 mei 2022 beslist instructie-incident tot onder meer overlegging van de originele overeenkomst, hebben partijen deskundigenrapporten laten opmaken en overgelegd (door Van Oorspronk V.O.F. van drie medewerkers van Justiniana, forensisch schriftexperts, d.d. 21 juli 2022 en door [appellante] van [naam2] , medewerker van Niehoff & De Jong, forensisch schriftdeskundigen, d.d. 22 augustus 2022, gevolgd door een repliek van Justiniana d.d. 14 oktober 2022). In haar eindvonnis van 8 maart 2023 heeft de rechtbank een en ander tegen elkaar afgewogen en bewezen geoordeeld dat de handtekening afkomstig is van [appellante] . Het (subsidiaire) verweer van [appellante] dat haar handtekening op de overeenkomst is gemonteerd, heeft de rechtbank op formele gronden verworpen. De rechtbank heeft [appellante] vervolgens op grond van de overeenkomst veroordeeld tot betaling van € 78.500 met de wettelijke rente vanaf 6 september 2019, € 2.284,15 wegens kosten van Justiniana, € 1.850 wegens beslagkosten, met de wettelijke rente en de proces- en nakosten.

de hoger beroepen

De bedoeling van het principaal hoger beroep van [appellante] (met overlegging van een dupliek van [naam2] d.d. 21 november 2023) is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. [appellante] richt haar grieven 1, 3 en 4 tegen het oordeel van de rechtbank dat Van Oorspronk V.O.F. heeft bewezen dat de handtekening afkomstig is van haar, [appellante] . Grief 2 keert zich tegen het oordeel dat [appellante] haar verweer van montage van haar handtekening onvoldoende heeft gemotiveerd en bovendien te laat heeft aangevoerd. Grief 5 betreft de proceskostenveroordeling.

Van Oorspronk V.O.F. heeft (voor het geval één van de grieven in het principaal hoger beroep slaagt) met één grief voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het oordeel in rov. 4.9 van tussenvonnis van 29 december 2021 dat [appellante] niet gebonden is aan de overeenkomst op grond van verklaringen van mr. Gerdes.

3. Het oordeel van het hof

enkele uitgangspunten

Het principaal hoger beroep en de bestrijding ervan richten zich praktisch volledig op de vragen 1) of [appellante] de akte met de overeenkomst heeft ondertekend en 2) of de handtekening, als deze van haar afkomstig is, door een ander op de akte is gemonteerd.

Bij de overeenkomst gaat het om een onderhandse akte waarvan [appellante] , tegen wie dat stuk dwingend bewijs zou opleveren, de ondertekening stellig ontkent. Zo’n akte levert geen enkel bewijs op zolang niet bewezen is van wie de handtekening afkomstig is. De stelplicht en bewijslast van de echtheid van de handtekening rusten hier op Van Oorspronk V.O.F.

geen natte handtekening

Van Oorspronk V.O.F. heeft de akte met de overeenkomst aan Justiniana aangeleverd. Het gaat daarbij om een kopie ervan met aan de rechterkant onderaan een aan [appellante] toegeschreven handtekening, geen natte versie. Aan het bevel bij vonnis van 18 mei 2022 om onder meer de originele overeenkomst over te leggen, heeft [appellante] niet voldaan omdat zij, aldus haar opmerking, daarover niet beschikt(e). Dit heeft gevolgen, want de kracht van het schriftelijke bewijs is in de oorspronkelijke akte gelegen. Anders komt daaraan slechts vrije bewijskracht toe.

hoe is de akte van de overeenkomst uitgewisseld?

Dat roept dan de vraag op naar de natte, aan [appellante] toegeschreven, handtekening: hoe is die akte eigenlijk tot stand gekomen? Daarover hebben partijen enkele producties overgelegd en op de mondelinge behandeling bij het hof verklaringen afgelegd. Daaruit is het volgende over de totstandkomingsgeschiedenis af te leiden.

Op de mondelinge behandeling op 6 maart 2018 bij de rechtbank in Zutphen hebben Van Oorspronk V.O.F. en zijn advocaat, mr. Loor, en [naam1] met zijn advocaat, mr. Gerdes, over een schikking gesproken. Daarbij verlangde Van Oorspronk V.O.F. betaling met rente binnen maximaal 12 maanden en bood [naam1] betaling aan na 18 maanden. Tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling hebben die partijen verder schikkingsoverleg gevoerd. Daarbij heeft [naam1] , aldus Van Oorspronk V.O.F., op enig moment getelefoneerd met, naar hij begreep, [appellante] .

Terug in de zittingszaal heeft mr. Gerdes toen onder meer verklaard:

“Het komt erop neer dat de vrouw van [naam1] mee wil tekenen als hoofdelijk schuldenaar, waarbij een uitstel van betaling wordt gegeven voor een periode van 18 maanden. Maar Van Oorspronk V.O.F. wil als maximale termijn 12 maanden.”

Na een tweede schorsing van de mondelinge behandeling heeft de rechter voorgesteld:

“Aangezien de echtgenote van [naam1] niet aanwezig is kunnen we het nu niet vastleggen. Ik stel voor dat de zaak 2 weken wordt aangehouden en dat u in die periode de regeling op papier zet en aan de rechtbank stuurt. We hechten dat dan aan het vonnis zodat u een titel heeft die u kunt executeren.”

Mr. Loor heeft daarop, onweersproken, samengevat:

“We zijn overeengekomen dat de termijn wordt verlengd naar 18 maanden waarbij het totaal te betalen bedrag uitkomt op € 78.500,00. Over uiterlijk 18 maanden vanaf vandaag wordt dat bedrag betaald. [naam1] zal de overeenkomst ondertekenen, ook namens de BV en zijn vrouw tekent mee.”

Per e-mail van 26 maart 2018 heeft [naam1] toen onder het onderwerp “ovk van oorspronk” aan zijn advocaat mr. Henry Gerdes “Hierbij de getekende ovk” gestuurd. Mr. Gerdes heeft die mail een minuut later doorgestuurd naar mr. Loor met de tekst “Bijgaand de door cliënten getekende overeenkomst.”

Mr. Loor heeft daarop binnen een uur geantwoord:

“Dank hiervoor. Ik heb de overeenkomst doorgestuurd naar cliënte.

Ten aanzien van artikel 7 (bedoeld zal zijn: 6, hof) van de overeenkomst nog het volgende: het is uiteraard wel van belang dat het vonnis van de rechtbank ook uitvoerbaar bij voorraad is tegen [appellante] ( [appellante] , hof). Zij zal dus ook als ‘partij’ opgenomen moeten worden in de lopende procedure. Tijdens de mondelinge behandeling liet u weten dat u ter zake ook voor [appellante] zou (willen) optreden en haar toestemming hiervoor nodig had, zodat de rechter [appellante] mee kon nemen in het vonnis als ‘partij’.

Wilt u mij dit bevestigen alsook dat u morgen bij het indienen van de overeenkomst ter rolle de rechtbank zult mededelen dat u ook voor [appellante] optreedt en door haar gemachtigd bent om de rechter te verzoeken om haar ook in de procedure en het vonnis te betrekken, zodat het executoriale vonnis ook tegen haar uitvoerbaar is?”

Diezelfde minuut heeft mr. Gerdes geantwoord: “Akkoord”.

Het vervolg was hierboven al te lezen in rov. 2.2.6. en 2.2.7.

de handschriftonderzoeken

Het voorgaande wijst in de richting dat [appellante] de overeenkomst heeft ondertekend, maar helemaal zeker is dat niet. Daarom oriënteert het hof zich nu op de onderzoeken van de aan haar toegeschreven handtekening onder de overeenkomst. Het hof volgt de rapportage van Justiniana, die, [naam3] en op basis van 21 overeenkomsten zonder afwijkingen van betekenis heeft geconcludeerd dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de betwiste handtekening door [appellante] is geproduceerd dan door een willekeurig andere persoon. Het hof onderschrijft in dit verband rov. 3.5, 3.7, 3.11 en 3.13 van het vonnis van 8 maart 2023. De in hoger beroep overgelegde dupliek van [naam2] van 21 november 2023 brengt daarin geen verandering. Mét Justiniana en de rechtbank oordeelt het hof het niet uitgesloten om een handtekening in kopie te onderzoeken, mits daarbij met dat feit rekening wordt gehouden, zoals Justiniana heeft gedaan. De klacht dat Justiniana slechts over tien vergelijkingshandtekeningen beschikte, is niet terecht omdat zij daarmee voor haar onderzoek wel heeft kunnen volstaan en [appellante] bovendien meer vergelijkingshandtekeningen had kunnen aanleveren. [naam2] heeft tenslotte zijn opvatting dat de waarschijnlijkheidsgraad te hoog zou zijn, niet onderbouwd met een plausibele, gefundeerde visie wat de waarschijnlijkheidsgraad in zijn optiek dan wel zou moeten zijn.

is de handtekening gemonteerd?

Voor het geval de handtekening onder de overeenkomst van [appellante] blijkt, voert zij met een beroep op beide rapporten van [naam2] aan dat deze zonder haar instemming en medeweten op de overeenkomst is gezet c.q. gemonteerd. Daarvan draagt [appellante] dan de bewijslast. Hoewel dat op haar weg lag, heeft [appellante] in hoger beroep geen bewijs aangeboden van deze specifieke stelling, zodat die niet is komen vast te staan. [appellante] heeft nog aangevoerd dat de mogelijkheid van montage bij de handschriftonderzoeken had moeten worden meegewogen, maar daarvan heeft Justiniana in haar repliek van 14 oktober 2022 al uiteengezet dat het document waarop de handtekening is gemonteerd hooguit kwestieus wordt en dat dit een vraagstuk vormt dat buiten de competentie van de schriftexpert valt, welk oordeel het hof deelt.

tegenstrijdige verklaringen van [appellante]

Tenslotte is nog van belang dat [appellante] eerder tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en niet naar de mondelinge behandeling bij het hof is gekomen, zodat het hof aan haar geen vragen heeft kunnen stellen en haar ook niet heeft kunnen confronteren met tegenstrijdigheden. Uit het niet-verschijnen op de mondelinge behandeling zal het hof de gevolgtrekking maken die het hierna geraden acht. Het gaat dan om het volgende.

[appellante] heeft op de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 5 oktober 2021 verklaard:

U vraagt mij of het bankrekeningnummer op productie 8 van de wederpartij van mij is (waaruit blijkt van de betaling door Van Oorspronk V.O.F. van € 75.000 op 31 maart 2015 op een bankrekening op naam van [appellante] ; hof). Dat klopt. U vraagt mij of mijn man ( [naam1] , hof) toegang had tot mijn rekening. Dat had hij niet. U vraagt mij of het bedrag mij iets zegt. Inmiddels wel. Daar gaat het hier over. U vraagt mij hoe het bedrag bij mijn man terecht is gekomen. Ik heb het op de rekening voorbij zien komen. In die tijd heb ik er wel kosten van betaald. Ik zou terug moeten kijken (…). De rekening stond op mijn naam. Als iets overgeboekt moet worden, dan doe ik dat. Het kan voor mijn man ·zijn geweest. U vraagt mij of ik het bedrag op enig moment aan mijn man heb gegeven. Dan moet ik terugkijken.

Daarentegen heeft [appellante] in de memorie van grieven opgemerkt:

[naam1] en Van Oorspronk hadden afgesproken dat het bedrag zoals afgesproken in de geldleningsovereenkomst naar de bankrekening van [appellante] werd overgemaakt. [naam1] was gemachtigd tot die rekening en beschikte ook over de bankpas van die rekening. Hij kon betalingen van die rekening doen.”

Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft mr. Borman, advocaat van [appellante] , op de vraag wat er met het geld is gebeurd, geantwoord dat [appellante] het geld zelf heeft doorgezet en overgemaakt naar de bankrekening van haar man en daarvan stukken kan terugvinden en dat [appellante] er kosten (niet “van”, maar) “over” heeft betaald met de opmerking dat [appellante] mogelijk tijdens de zitting niet uit haar woorden kwam.

Een en ander levert onverklaarde tegenstrijdigheden op.

De doorzending van de overeenkomst vanaf [naam1] naar zijn advocaat mr. Gerdes en door deze naar mr. Loor heeft in zeer korte tijd tussen deze drie betrokkenen plaatsgevonden. De aan [appellante] toegeschreven handtekening moet, als zij deze niet zelf had gezet, zijn geplaatst door ofwel [naam1] ofwel mr. Gerdes, die schreef over “de door cliënten (in meervoud, hof) getekende overeenkomst”. Toen [appellante] eenmaal werd geconfronteerd met de aan haar toegeschreven handtekening onder de overeenkomst had het voor de hand gelegen dat zij daarover bij haar echtgenoot [naam1] (met wie zij onder koude uitsluiting was gehuwd) zou hebben geklaagd en bij diens advocaat mr. Gerdes en/of de Raad van Discipline zou hebben geprotesteerd c.q. geklaagd. Maar op dit punt heeft [appellante] niets (concreets) aangevoerd, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zij een en ander op zijn beloop heeft gelaten.

tussenconclusie

Op grond van al het voorgaande (de totstandkoming van de akte met de overeenkomst, de handschriftonderzoeken van Justiniana en de tegenstrijdige verklaringen van [appellante] ), in onderling verband en samenhang beschouwd, heeft Van Oorspronk V.O.F. afdoende bewezen dat [appellante] zich door plaatsing van haar handtekening onder de overeenkomst heeft verbonden tot hoofdelijk medeschuldenaar. De rechtbank heeft [appellante] , die verder geen (onderbouwde) verweren heeft aangevoerd, terecht tot betaling veroordeeld.

bewijsaanbod

[appellante] heeft geen concrete feiten en/of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Daarom passeert het hof haar, overigens algemeen geformuleerde, bewijsaanbod in hoger beroep.

was [appellante] eigenlijk borg?

Op de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof nog aan de orde gesteld of de overeenkomst wat betreft het aandeel van [appellante] niet in wezen neerkomt op een particuliere borgtocht, die slechts kan worden bewezen door een door de borg ondertekend geschrift. Over dit aspect heeft [appellante] in haar memorie van grieven echter niet gegriefd en het gaat hier niet om dwingend recht van de openbare orde. Daarom blijft deze kwestie verder buiten beschouwing.

slotconclusie en proceskosten

De grieven 1 - 4 in het principaal hoger beroep falen dus. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep behoeft geen behandeling meer en daarop valt in dit geval geen proceskostenveroordeling. Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, gaat grief 5 tegen de proceskostenveroordeling door de rechtbank niet op en zal het hof [appellante] veroordelen tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep, en wel volgens het liquidatietarief. Voor de door Van Oorspronk V.O.F. gevorderde veroordeling in de volledige c.q. werkelijke proceskosten heeft zij geen argumenten aangevoerd en er is ook niet gebleken van misbruik van procesrecht, zodat die vordering in zoverre zal worden afgewezen. Onder de toewijsbare proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4. De beslissing

Het hof:

in het principaal hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 8 maart 2023;

veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van Van Oorspronk V.O.F. in het principaal hoger beroep:

€ 2.135 aan griffierecht en

€ 4.426 aan salaris van de advocaat van Van Oorspronk V.O.F. (2 procespunten x appeltarief IV);

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag en dat die kosten, als niet op tijd wordt betaald, worden verhoogd met de wettelijke rente;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat verder is gevorderd;

in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:

verstaat dat dit geen behandeling meer behoeft en dat daarop geen proceskostenveroordeling valt.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M.E. Lagarde, A.W. Steeg en L. Spronck, is ondertekend door de voorzitter en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 november 2024.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RBP 2025/6
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?