WETVVS P2024-272
Beschikking van 21 oktober 2024
[veroordeelde] ,
Beschikking gegeven naar aanleiding van een op 21 juni 2024 ter griffie van dit hof ingekomen bezwaarschrift, op grond van artikel 2:27, derde lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETVVS) ingediend door:
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] (Polen),
thans gedetineerd in het [inrichting] te [plaats] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procesverloop
De veroordeelde is bij arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2018 (hierna: de rechterlijke uitspraak) veroordeeld ter zake van een poging doodslag, een poging tot zware mishandeling en een woninginbraak tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden met aftrek van het voorarrest.
Op 21 mei 2024 is de veroordeelde in kennis gesteld van het voornemen van de minister voor Rechtsbescherming (hierna: de minister) om de rechterlijke uitspraak aan Polen te zenden met het oog op de verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf aldaar.
Op 10 juni 2024 is namens de veroordeelde een bezwaarschrift ingediend tegen dit voornemen.
Bij brief van 26 juli 2024 heeft de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid gereageerd op het bezwaarschrift.
Op 27 september 2024 is namens de veroordeelde het bezwaarschrift aangevuld.
Het bezwaarschrift is op 7 oktober 2024 behandeld door de raadkamer van het hof. Gehoord zijn de veroordeelde en diens raadsvrouw, mr. S.R. den Toonder, en de advocaatgeneraal, mr. S.T.C. van der Werf.
Vreemdelingenrechtelijke procedures
Bij besluit van 25 februari 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de staatssecretaris) het EUverblijfsrecht van de veroordeelde beëindigd, aan de veroordeelde een onmiddellijke vertrekplicht opgelegd en de veroordeelde ongewenst verklaard.
Het standpunt van de veroordeelde
De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het voornemen om de rechterlijke uitspraak aan de uitvoerende lidstaat toe te zenden, op de grond dat de minister bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing heeft kunnen komen.
De veroordeelde stelt hiertoe dat hij niet geschikt is voor een regulier detentieregime. De veroordeelde meent dat de zorg die hij nodig heeft, niet beschikbaar is in Polen, en ook indien deze zorg wel beschikbaar is, meent hij dat van tevoren door de minister in afstemming met de Poolse autoriteiten aandacht moet worden besteed aan zijn psychische problematiek en dat rekening moet worden gehouden met de bevindingen van het [inrichting] .
Voorts meent de veroordeelde dat, gelet op de tijd die het kost om een persoon naar Polen over te dragen, niet in verhouding staat tot het beperkte strafrestant; de einddatum van zijn detentie ligt in mei 2025.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister in redelijkheid tot het voorgenomen besluit heeft kunnen komen en dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.
De veroordeelde is in Nederland ongewenst verklaard en mag dus niet in Nederland blijven. De resocialisatie van de veroordeelde zal moeten plaatsvinden in Polen.
Daarnaast is de advocaat-generaal van mening dat erop mag worden vertrouwd dat de behandeling die de veroordeelde in [inrichting] ondergaat in Polen kan worden voortgezet. De Poolse autoriteiten kunnen daarbij op voorhand op de hoogte worden gesteld over de aard van zijn behandeling.
Ten slotte stelt zij zich ten aanzien van het strafrestant op het standpunt dat op beleidsmatige gronden is gekozen voor de procedure van strafoverdracht en niet voor de procedure van strafonderbreking. Dat slechts een klein deel van de straf resteert is op zichzelf geen grond voor gegrondverklaring van het bezwaarschrift.
Het oordeel van het hof
Het hof zal eerst nagaan of aan de formele voorwaarden is voldaan.
Artikel 2:24 WETVVS luidt als volgt:
Een Nederlandse rechterlijke uitspraak kan aan de uitvoerende lidstaat worden gezonden, met het oog op de tenuitvoerlegging aldaar, indien:
Ten aanzien van deze voorwaarden overweegt het hof als volgt.
Ad a) De veroordeelde, die de Poolse nationaliteit heeft, bevindt zich in Nederland.
Ad b) Op grond van artikel 2:25, aanhef en onder b, WETVVS is sprake van een geval waarin de instemming van de bevoegde autoriteit van Polen niet is vereist. De veroordeelde is onderdaan van de uitvoerende lidstaat en de staatssecretaris heeft, op grond van de Vreemdelingenwet 2000, bij besluit van 25 februari 2017 het EUverblijfsrecht van de veroordeelde beëindigd, aan de veroordeelde een onmiddellijke vertrekplicht opgelegd en de veroordeelde ongewenst verklaard.
Ad c) Uit artikel 2:26, aanhef en onder b, WETVVS volgt dat de instemming van de veroordeelde in dit geval niet is vereist omdat hij na invrijheidsstelling naar Polen kan worden uitgezet als gevolg van de aan de veroordeelde opgelegde vertrekplicht. Hierbij wordt verwezen naar wat hiervoor onder b) is overwogen.
Ad d) Uit de stukken waaronder de bestreden voorgenomen beslissing komt naar voren dat de minister zich ervan heeft vergewist dat de tenuitvoerlegging in de uitvoerende lidstaat kan bijdragen aan de maatschappelijke re-integratie van de veroordeelde in Polen (‘Ik meen dat dit zal bijdragen aan uw resocialisatie. Volgens mijn gegevens heeft u de Poolse nationaliteit en geen verblijfsrecht (meer) in Nederland’). Van overleg met de bevoegde autoriteit van Polen is het hof niet gebleken. Bij de stukken bevinden zich wel stukken, zoals het besluit van 25 februari 2017 tot ongewenstverklaring, op grond waarvan de minister heeft kunnen beoordelen of de verdere tenuitvoerlegging in Polen kan bijdragen aan de maatschappelijke re-integratie van de veroordeelde in dat land.
Gelet op het voorgaande is aan de formele voorwaarden voldaan en kan de rechterlijke uitspraak in zoverre aan Polen worden gezonden.
Op grond van artikel 2:27, vierde lid, WETVVS dient het hof te beoordelen of de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing heeft kunnen komen.
Resocialisatieperspectief
Vast is komen te staan dat de veroordeelde is geboren in Polen. De veroordeelde is in Nederland ongewenst verklaard. Dit betekent dat de re-integratie in de Nederlandse maatschappij niet tot de mogelijkheden behoort: de veroordeelde heeft na zijn invrijheidstelling geen verblijfsrecht in Nederland. De veroordeelde kan worden uitgezet naar Polen, waar hij het recht heeft om te verblijven. Met Polen heeft de veroordeelde ook de meeste binding voor wat betreft de culturele, sociale, familiale en andere aspecten die bij de maatschappelijk reintegratie een rol spelen. Naar het oordeel van het hof kon de minister vanuit resocialisatieperspectief dan ook in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing komen.
Detentieomstandigheden in Polen
Het hof heeft daarnaast beoordeeld of, indien de veroordeelde naar Polen wordt overgebracht voor de verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf aldaar, een reëel gevaar bestaat dat de veroordeelde in Polen zal worden onderworpen aan zodanig gebrekkige detentieomstandigheden dat sprake is van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
De onderhavige vorm van samenwerking in strafzaken tussen lidstaten van de Europese Unie is gebaseerd op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dit beginsel veronderstelt dat de lidstaten erop vertrouwen dat de andere lidstaten de door het Unierecht erkende grondrechten in acht nemen. Hieruit volgt dat het de lidstaten in beginsel niet is toegestaan om te beoordelen of een andere lidstaat in een concreet geval die grondrechten daadwerkelijk eerbiedigt (HvJ EU 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857, punt 47).
Dit vertrouwen in andere lidstaten is echter niet absoluut en kan in uitzonderlijke omstandigheden worden beperkt. Toegepast op deze zaak betekent dit dat als het hof sterke aanwijzingen heeft dat er voor een gedetineerde in Polen een reëel gevaar bestaat om in een penitentiaire inrichting te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, afgemeten aan de beschermingsnorm van grondrechten die is gewaarborgd door het Unierecht en met name door artikel 4 van het Handvest, het hof moet toetsen of dit gevaar ook van toepassing is op de veroordeelde in het geval van verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Polen (vgl. HvJ EU 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198, punt 88).
Hiertoe dient het hof zich te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentie-omstandigheden die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel van aard zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), uit (andere) rechterlijke beslissingen van of over de betreffende lidstaat, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren.
Het hof heeft kennisgenomen van het [inrichting] -rapport van 22 februari 2024. In dit rapport zijn zorgen geformuleerd over de bezochte forensisch psychiatrische instelling (de ‘National Centre for the Prevention of Dissocial Behaviour’, zowel de hoofdlocatie in Gostynin als de nevenlocatie in Czersk). Deze zorgen hebben betrekking op het excessieve gebruik van beveiligingscamera’s, ook in ruimtes waar patiënten regelmatig geen kleding dragen (zoals bij het gebruik van sanitaire voorzieningen) en in ruimtes die patiënten gebruiken om zich om te kleden, en overbevolking (op de locatie in Gostynin).
Deze bevindingen kunnen van belang zijn voor de voorgenomen overbrenging van de veroordeelde, die op dit moment in een forensisch psychiatrische instelling verblijft ( [inrichting] ) en stelt daar te worden behandeld voor een psychische stoornis. Tegen deze achtergrond is het voorstelbaar dat de veroordeelde na zijn overbrenging naar Polen opnieuw in een forensisch psychiatrische instelling zal worden geplaatst.
Als door de autoriteiten van de beoogde uitvoerende lidstaat de garantie is gegeven dat de betrokkene niet zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling vanwege de concrete omstandigheden van zijn detentie, ongeacht de penitentiaire inrichting waarin hij zal worden ondergebracht in de uitvoerende lidstaat, mag de minister bij gebreke van enig nauwkeurig gegeven dat erop wijst dat de detentieomstandigheden in een bepaalde detentie-inrichting strijdig zijn met artikel 4 van het Handvest in beginsel afgaan op deze garantie (vgl. HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:589, punt 112). Uit de rechtspraak van het EHRM en het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat niet alleen ruimte een belangrijke factor is bij de beoordeling of de detentieomstandigheden adequaat zijn (wanneer een gedetineerde in een meerpersoonscel zal verblijven), maar dat ook andere factoren een rol spelen, in het bijzonder het ontbreken van toegang tot een binnenplaats of frisse lucht en daglicht, slechte ventilatie, te lage of te hoge binnentemperaturen, gebrek aan privacy op het toilet of (andere) slechte sanitaire en hygiënische omstandigheden (zie EHRM 20 oktober 2016, nr. 7334/13, Muršić/Kroatië, § 139, en HvJ EU 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857, punt 75 en punt 76).
Het hof is hierdoor van oordeel dat het aan de minister is om een garantie te bedingen die ertoe leidt dat de veroordeelde niet in een detentieregime zal worden geplaatst waarin hij wordt blootgesteld aan het reële gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling.
Het hof gaat er hierbij van uit dat de minister in het kader van de overbrenging van de veroordeelde naar Polen in de afstemming met de Poolse autoriteiten aandacht zal besteden aan de psychische problematiek van de veroordeelde en rekening zal houden met de genoemde bevindingen van het [inrichting] . Tegen deze achtergrond is het oordeel dat die bevindingen van het [inrichting] geen reden vormen voor gegrondverklaring van het bezwaar.
Met betrekking tot reguliere penitentiaire inrichtingen (lees: inrichtingen die bestemd zijn voor de tenuitvoerlegging van onherroepelijke vrijheidsstraffen) beschikt het hof niet over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit blijkt dat er voor gedetineerden in Polen een reëel gevaar bestaat om in een inrichting te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling.
Strafrestant
Naar het oordeel van het hof bestaat onvoldoende reden aan te nemen dat de door de minister voorgenomen strafoverdracht niet realiseerbaar zal blijken.
Het hof merkt op dat op grond van artikel 17 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, de tenuitvoerlegging van de sanctie in geval van overdracht hiervan wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingstaat.
Dat de Poolse autoriteiten mogelijk aanleiding zien gebruik te maken van de facultatieve weigeringsgrond dat te weinig strafrestant resteert, is geen reden om te oordelen dat de minister niet in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing heeft kunnen komen.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen tot de voorgenomen beslissing tot strafoverdracht. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart het bezwaar ongegrond.
Aldus gegeven op 21 oktober 2024 door
mr. A.B.A.P.M. Ficq als voorzitter,
mr. M.L. Plas en mr. O.G. Schuur als raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Klein als griffier,
en ondertekend door de voorzitter en de griffier.