ECLI:NL:GHARL:2025:2238

ECLI:NL:GHARL:2025:2238, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-04-2025, 21-005712-23

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 11-04-2025
Datum publicatie 22-12-2025
Zaaknummer 21-005712-23
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Artikel 282 Sr, 285 Sr en 300 Sr. Artikel 26 en 55 WWM. Bevestiging van het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaringen, de kwalificaties en de strafbaarheid van verdachte, met aanvulling van gronden. Veroordeling van verdachte voor het plegen van de mishandeling, de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de bedreiging van aangeefster en het voorhanden hebben van munitie tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, in combinatie met een taakstraf van 180 uren, met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1991,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 maart 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. F.H. Kappelhof, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank:

Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid van verdachte en zal het vonnis ten aanzien van deze onderdelen bevestigen, met aanvulling van gronden. Het hof overweegt ter aanvulling dat verdachte in hoger beroep alle feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Het hof voegt daarom aan de door de rechtbank opgesomde bewijsmiddelen toe de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2025.

Het hof komt ten aanzien van de strafoplegging tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan mishandeling, wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging van aangeefster, met wie hij op dat moment verschillende dates had gehad. Toen er op 15 juni 2022 een conflict ontstond tussen verdachte en aangeefster en aangeefster wilde vertrekken uit de woning van verdachte, heeft verdachte een arm om de keel van aangeefster geslagen, haar door zijn huis gesleept, haar bedreigd en haar vastgehouden in zijn woning. Op 10 juli 2022 heeft een soortgelijk incident tussen verdachte en aangeefster plaatsgevonden. Het spreekt voor zich dat aangeefster pijn en angst heeft ervaren. Door op deze manier te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster en haar vrees aangejaagd. Voorgenoemde feiten zijn ernstige feiten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de feiten hebben plaatsgevonden in de relationele sfeer en dat zeker in die sfeer sprake hoort te zijn van een veilige, vertrouwde omgeving waar geen plaats is voor geweld.

Naast voornoemde feiten heeft verdachte zich op 28 juli 2022 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van munitie. Het voorhanden hebben van munitie brengt grote veiligheidsrisico’s met zich en verhoogt het risico op levensbedreigende geweldsdelicten. Het hof rekent verdachte al het voorgaande aan.

Het hof heeft wat betreft de persoon van de verdachte gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 20 februari 2025, waaruit blijkt dat hij in het verleden onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Het hof neemt dat in strafverzwarende zin mee. Ook na de bewezenverklaarde feiten is verdachte onherroepelijk veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Gelet hierop is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Verder heeft het hof kennisgenomen van over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapporten, waaronder de adviezen van 2 november 2023 en 25 maart 2025. In het rapport van 2 november 2023 schat de reclassering het risico op recidive en het risico op letsel in als gemiddeld. Deze risico’s zijn dan volgens de reclassering in remissie, nu verdachte heeft aangegeven geen alcohol meer te nuttigen en geen behoefte te hebben aan een nieuwe relatie. De reclassering acht het van belang dat verdachte wordt behandeld om recidive te voorkomen. De behandeling moet onder andere gericht zijn op verdachtes cannabisafhankelijkheid en zijn agressieproblematiek. Tevens dient er binnen de behandeling aandacht te zijn voor de problematiek vanuit een eerdere relatie, die ook is geëindigd na geweld en een veroordeling daarvoor. De reclassering adviseert oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer, meewerken aan middelencontrole en het geven van inzicht in het eventueel aangaan van een nieuwe relatie.

Uit het reclasseringsrapport van 25 maart 2025 volgt daarentegen dat de reclassering op dit moment geen bijzondere voorwaarden meer adviseert, nu verdachte met uitzondering van de bewindvoering geen hulpverlening heeft en het hem lukt om al enkele jaren niet met politie en justitie in aanraking te komen. De reclassering ziet bij verdachte voldoende beschermende factoren die moeten voorkomen dat verdachte weer terugvalt in delict gedrag. Het enige dat vraagtekens op zou kunnen leveren is het psychosociaal functioneren van verdachte, maar aangezien verdachte nooit is onderzocht en/of behandeld en er daarom geen diagnose is, kan de reclassering niet stellen of het psychosociaal functioneren invloed heeft gehad op het delict gedrag van verdachte. Gelet op eerdere veroordelingen voor delicten met een geweldscomponent, kan de reclassering delict gedrag in de toekomst echter niet zomaar uitsluiten. Het risico op recidive en op letsel wordt door de reclassering geschat op gemiddeld.

Het hof houdt bij de strafoplegging ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals door hem en zijn raadsman naar voren zijn gebracht op de terechtzitting in hoger beroep. Verdachte verklaart dat het goed met hem gaat. Hij heeft een baan, een woning en zijn schulden afgelost. Volgens verdachte heeft het drinken van alcohol een negatieve invloed op zijn gedrag. Dit is dan ook de reden dat verdachte geen alcohol meer drinkt. Verdachte kan geen verklaring geven voor het plegen van de bewezenverklaarde feiten, maar geeft aan open te staan voor behandeling, onder meer om erachter te komen waarom hij zo heeft gehandeld. Ook heeft verdachte aangegeven mee te willen werken aan de overige door de reclassering in het rapport van 2 november 2023 geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Bij de ernst van de feiten past in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof ziet, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in deze zaak reden om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een werkstraf. Gebleken is dat het goed gaat met verdachte. Hij heeft een fulltimebaan en er is sprake van stabiele huisvesting. Het hof wil deze positieve ontwikkelingen niet doorkruisen. Het hof komt daarom tot een andere strafoplegging dan de rechtbank. Nu het hof geen poging tot zware mishandeling, maar enkel mishandeling bewezen acht, komt het hof ook tot een andere strafoplegging dan de advocaat-generaal heeft geëist.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, in combinatie met een taakstraf van 180 uren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De voorwaardelijke gevangenisstraf is ter voorkoming van recidive, dat bij verdachte als een risico wordt gezien. Anders dan de reclassering in het rapport van 25 maart 2025 heeft geadviseerd, acht het hof oplegging van de bijzondere voorwaarden – zoals eerder door de reclassering geadviseerd in het rapport van 2 november 2023 – wel geboden. Het is van belang dat verdachte behandeling krijgt en leert omgaan met de agressie die in hem schuilt om te voorkomen dat hij opnieuw soortgelijke strafbare feiten zal plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 282, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. de verdachte zich meldt bij de reclassering Verslavingszorg Noord Nederland [locatie] op het adres [straat] en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. de verdachte zich gedurende de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat behandelen door de Forensische Poli van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, waarbij de verdachte zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 1] 1991 te [geboorteplaats 2] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

4. de verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen, waarbij de reclassering urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) kan gebruiken voor de controle en bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;

5. de verdachte het aangaan van een nieuwe relatie meldt bij de reclassering en, indien sprake is van een nieuwe relatie, meewerkt aan contact van de reclassering met deze relatie.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. F.E.J. Goffin, voorzitter,

mr. Z.J. Oosting en mr. M.B. de Wit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier,

en op 11 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. F.E.J. Goffin
  • mr. Z.J. Oosting
  • mr. M.B. de Wit

Griffier

  • mr. L. Kiemel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?