[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
wonende te 8023 CT [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte (hierna: [verdachte] ) heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 april 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door [verdachte] en zijn raadsman, mr. D.P. Poppe, en de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 1] , mr. T. Buskop, naar voren is gebracht.
De omvang van het hoger beroep
[verdachte] is door de rechtbank [locatie 2] vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 primair en 1 subsidiair is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door [verdachte] onbeperkt ingesteld en is daardoor mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor [verdachte] tegen deze beslissing geen hoger beroep open.
Het hof zal [verdachte] daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Het vonnis waarvan beroep
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, en voor zover hier aan de orde, heeft de rechtbank:
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het gedeeltelijk tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan [verdachte] is - voor zover in hoger beroep aan de orde - tenlastegelegd dat:
2. hij op of omstreeks 12 augustus 2023 te [plaats 1] , op/aan de openbare weg, te weten de [straat] , althans op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van:
- een telefoon en/of
- een jas en/of
- een geurtje en/of
- een pashouder met ID kaart en/of bankpas en/of rijbewijs en/of
- een basic fit pas en/of een kentekenbewijs en/of
- sleutels en/of
- oordopjes en/of - zestig euro, althans enig geldbedrag en/of
- benodigdheden voor diabetes patiënten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan voornoemde [benadeelde 1] en/of een derde toebehoorde(n) door:
- naast voornoemde [benadeelde 1] te gaan rijden en/of
- tegen voornoemde [benadeelde 1] te zeggen "meneer mag ik iets vragen?" althans woorden van gelijkende aard en/of strekking en/of
- ( vervolgens) om voornoemde [benadeelde 1] heen te gaan staan en/of
- ( vervolgens) tegen voornoemde [benadeelde 1] te zeggen "geef geld, doe je jas uit" althans woorden van gelijkende aard en/of strekking en/of (daarbij) zichtbaar een mes te dragen en/of
- te zeggen "Ik ga mijn nakku pakken", althans woorden van gelijkende aard en/of strekking en/of
- voornoemde [benadeelde 1] in het gezicht te slaan en/of
- tegen voornoemde [benadeelde 1] te zeggen "doe je broek uit", althans woorden van gelijkende aard en/of strekking en/of
- de broekzakken van voornoemde [benadeelde 1] te doorzoeken;
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 12 augustus 2023 tot en met 14 augustus 2023 te [plaats 1] , een telefoon, iPhone 11 pro (zwart), en/of een jas van het merk Parajumper, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
3.hij op of omstreeks 14 augustus 2023 te [plaats 1] , althans in Nederland, een telefoon, iPhone 11 (rood), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
4.hij op of omstreeks 14 augustus 2023 te [plaats 1] een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing vuurwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen (te weten een pistool van het merk Browning, model BDA-45), voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Het hof is van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het onder 2 primair en 3 en 4 tenlastegelegde bewezen kan worden. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
De rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van het bewijs – hieronder cursief weergegeven – het navolgende overwogen.
De rechtbank komt op grond van de hieronder opgenomen feiten en omstandigheden, die in
de bewijsmiddelen zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, tot een
bewezenverklaring van het onder feit 2 primair, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde. De
rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Op 12 augustus 2023 heeft [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij die nacht omstreeks 02:45 uur in [plaats 1] fietste toen hem drie scooters, met op elke scooter twee jongens, tegemoet kwamen. Het waren zes jongens in totaal. De scooters draaiden om en kwamen achter [benadeelde 1] aan. [benadeelde 1] werd aangesproken door de bestuurder van de scooter die naast hem kwam rijden. De bestuurder vroeg: “meneer mag ik wat vragen”, waarna [benadeelde 1] en de scooters stopten op de [straat] . De andere twee scooters stopten voor en achter [benadeelde 1] , waardoor hij werd ingesloten. De bestuurders en de jongens achterop de scooters stapten af en kwamen om [benadeelde 1] heen staan. Ze vroegen om zijn spullen en zeiden tegen [benadeelde 1] 'geef geld, doe je jas uit’. [benadeelde 1] zag dat een van de jongens een mes in een tasje in zijn broek had zitten en dat het mes een beetje uit het tasje stak. [benadeelde 1] hoorde de jongen die rechts naast hem stond zeggen dat hij zijn 'nakku’ ging pakken. [benadeelde 1] wist dat een 'nakku’ straattaal is voor een pistool. De jongen die dit zei gaf [benadeelde 1] daarna een klap in zijn gezicht. [benadeelde 1] voelde zich angstig en dacht dat de jongens hem wat aan zouden doen als hij ze niks zou geven. [benadeelde 1] gaf zijn Parajumper jas met een geel label links in de hals, zijn iPhone 11 Pro met in het hoesje een Basic fit pas en kentekenbewijs, zijn pasjeshouder met rijbewijs, ID-kaart en pinpas, Apple oortjes, sleutelbos, geurtje, diabetesbenodigdheden en zestig euro contant geld aan de jongens. De jongens zeiden daarna dat [benadeelde 1] zijn broek uit moest doen. De jongens doorzochten [benadeelde 1] ’s broekzakken. Toen [benadeelde 1] riep naar een voorbij lopende man gingen de jongens weg. [benadeelde 1] dacht dat de jongens allemaal rond de achttien jaar oud waren. Zijn spullen werden door verschillende jongens meegenomen en alle jongens hebben aan [benadeelde 1] gezeten tijdens de afpersing.
Op 16 augustus 2023 heeft [persoon 1] , de moeder van [benadeelde 2] ( [benadeelde 2] ), aangifte gedaan
namens haar zoon van diefstal van zijn rode iPhone 11 in de nacht van 12 op 13 augustus
2023. [benadeelde 2] heeft verklaard dat hij die nacht met vrienden in [plaats 2] was en rond 03:00
uur wat is gaan eten bij de [restaurant] in [plaats 2] . [benadeelde 2] dacht dat hij zijn telefoon in zijn
kontzak had gedaan. Toen hij uit de [restaurant] liep kwam hij erachter dat hij zijn telefoon
niet meer had. De volgende avond probeerde hij via ‘Find my iPhone’ zijn telefoon te
traceren. Zijn iPhone peilde uit op het adres [locatie 1] , een locatie van [instelling] . [benadeelde 2] heeft toen de politie gebeld.
Op 14 augustus 2023 rond 18:00 uur kreeg de politie een melding dat een vermoedelijk gestolen telefoon zou uitpeilen op het adres van [instelling] in [plaats 1] . Ter plaatse spraken de politieagenten met [verdachte] , die bij [instelling] woont. [verdachte] vertelde dat een doorzoeking niet nodig was, omdat hij een aantal telefoons ter reparatie op zijn kamer had liggen maar kon deze niet zo snel vinden. Toen de agenten zijn kamer doorzochten troffen ze een boodschappentas met daarin een grijze plastic tas. In die tas troffen de agenten twee iPhones aan. [verdachte] vertelde dat hij de telefoons van ‘ [bijnaam] ’ gekregen had. Daarnaast troffen de agenten een op echt gelijkend nepvuurwapen in de grijze plastic tas aan. Eén van de iPhones bleek de rode iPhone 11 die van [benadeelde 2] gestolen is in [plaats 2] . De andere iPhone bleek de iPhone 11 Pro van [benadeelde 1] te zijn, die hij onder dreiging met geweld had afgegeven op 12 augustus 2023.
Het aangetroffen nepvuurwapen bleek een nabootsing van een pistool van het merk
Browning, model BDA-45 in het kaliber .45 ACP te zijn, dat voor dreiging of afdreiging
geschikt is.
De iPhone 14 van [verdachte] zelf is vervolgens in beslag genomen en onderzocht door de politie.
De politie trof een chat in de Whatsapp-groepsapp ‘ [naam 1] ’ waarin de gebruiker ‘ [naam gebruiker 1]
’ op 12 augustus 2023 een foto heeft gestuurd. Te zien was dat de persoon op de foto
een grijze Parajumperjas droeg met een geel label in de kraag. De gebruiker ‘ [naam gebruiker 2] ’ reageert in de groepsapp op de foto met: “Voorzichtig zijn” en “Je kan geen gezeik
veroorloven”. In de fotogalerij op de iPhone van [verdachte] werd diezelfde foto gespiegeld
aangetroffen.
In de zoekopdrachten in de telefoon is er in de periode van 11 augustus 2023 tot 14 augustus 2023 onder andere gezocht op ' [zoekterm] ’, ‘how to remove activation lock without previous owner' , ‘is iphone traceable in recovery mode’. Op 12 augustus 2023 is er tussen 13.06 uur en 13.09 uur een paar keer gezocht op ‘ [zoekterm] ’. Die dag is om 13.07 uur de website bezocht: [website 1] . Ook is diezelfde dag om 22.55 uur gezocht op ‘ [zoeknaam] ’ en is de [website 2] bezocht. Op 13 augustus 2023 te 17.35 uur is de website [website 3]
.
Op 18 augustus 2023 is de woning van de moeder van [verdachte] doorzocht. Hier werd een grijze
Parajumperjas met een geel label in de kraag aangetroffen op de kapstok. [verdachte] moeder
verklaarde dat [verdachte] die zondag 13 augustus 2023 de jas bij haar thuis had opgehangen en
haar had verteld dat de jas van een vriend was.
De politie trof in de groepsapp ‘ [naam 1] ’ twee gebruikersnamen aan die gekoppeld waren aan
telefoonnummers van de vader van [verdachte] , [persoon 2] . De telefoongesprekken van [verdachte]
vader zijn daarom afgeluisterd. [verdachte] vader zegt in een telefoongesprek op 28 augustus 2023 onder meer het volgende:
“ [verdachte] heeft het ook een beetje zelf veroorzaakt. Het is geen klein kind hè.
Misschien heeft hij wel het verstand van een klein kind, maar..
We moeten ons niet druk maken. Ik maak mij ook druk, ik pieker ook wel. Maar ja, het is
mijn kind toch. Snap je?
Daarom. Soms denk ik ook wel eens, het is zijn eigen schuld. Laat hem maar vallen. Keihard op zijn bek. Hij heeft stoere praatjes, dit dat, hij gaat overval plegen, dit en dat. Weet je nog?
Dat hij 's avonds belde van ik heb overval gepleegd, dit en dat.
Dom, dom, dom. Ja mijn fout dat ik hem het pistool heb gegeven. Maar ja, ik kan niets meer
terug draaien.”
Op 31 augustus 2023 belt [verdachte] vader met een persoon ( [naam 2] ), daarin wordt onder meer het volgende gezegd: [persoon 2] geeft aan dat hij dat pistool nooit aan [verdachte] had moeten geven.
[persoon 2] zegt: als ik dat pistool nooit had gegeven dan had hij die overval nooit gedaan.
[naam 2] zegt hierop dat [verdachte] het heeft gedaan omdat hij gepusht werd door die jongens en hij was ook met die jongens. ’
Op 9 september 2023 is [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) gehoord als verdachte van een straatroof.
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij op 12 augustus 2023 (het hof begrijpt: 11 augustus 2023) vanaf 20:00 uur op het schoolplein van de [naam school] was met [verdachte] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] . [medeverdachte] en [naam 3] zijn tot 02.00 uur op het schoolplein gebleven. Toen zijn de andere jongens weggegaan op de scooter. [medeverdachte] is door [naam 3] afgezet bij [instelling] . [medeverdachte] wist niet waar [verdachte] en de andere vijf jongens waren heengegaan. [verdachte] was heel erg dronken die nacht. [verdachte] had de volgende dag tegen [medeverdachte] gezegd dat er dingen waren gebeurd. [medeverdachte] heeft ook verklaard dat hij een Parajumperjas van [verdachte] aan heeft gehad en een (nep)vuurwapen van [verdachte] heeft vastgehouden, hier heeft [medeverdachte] ook op 14 augustus 2023 een filmpje van gemaakt. Dit filmpje is door de politie aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte] .
Uit informatie van het nachtregister, bijgehouden door de nachtbewaker van [instelling] , bleek dat [verdachte] op 12 augustus 2023 om 03:50 uur bij [instelling] was afgezet door een auto of scooter. Op de camerabeelden van [instelling] is te zien dat er om 03:20 uur een jongen door een scooter wordt afgezet, die jongen loopt vervolgens het pand van [instelling] binnen. De nachtbewaker heeft genoteerd dat dit [medeverdachte] was. Ook is te zien dat er iets later om 03:50 uur een jongen door een scooter wordt afgezet, die jongen loopt vervolgens ook het pand van [instelling] binnen. De nachtbewaker heeft genoteerd dat dit [verdachte] was. De nachtbewaker heeft die nacht [verdachte] meerdere keren geappt en gebeld. De nachtbewaker merkte op dat [verdachte] onder invloed leek toen hij ’s nachts thuis kwam.
[verdachte] heeft verklaard dat hij niet bij de straatroof is geweest […] Het klopt
dat hij de gebruiker ‘ [naam gebruiker 1] ’ is in de groepsapp ‘ [naam 1] ’. Het klopt dat hij een foto
van de jas heeft gestuurd in die groepsapp, omdat hij zijn nieuwe jas wilde laten zien. Het
klopt niet wat zijn vader over hem zegt in de tapgesprekken. […]
[verdachte] heeft verklaard dat hij de twee iPhones heeft gekregen van [bijnaam] om de ICloud-
activation er af te halen, maar dat hij dit uiteindelijk niet heeft gedaan omdat dit geld kost.
Hij weet niet meer wanneer dit was. Hij vond dit niet raar, omdat hij wel vaker dit soort
dingen deed voor anderen. [verdachte] wil verder niet verklaren over [bijnaam] . [verdachte] had de telefoon
niet aangenomen als [bijnaam] had gezegd dat de telefoons gestolen waren.
[verdachte] wil niet zeggen of hij het nepvuurwapen van zijn vader heeft gekregen. Hij heeft het
nepvuurwapen van familie gekregen. [verdachte] wist niet dat het strafbaar was om een
nepvuurwapen te hebben.
Het hof verenigt zich met de voorgaande vaststelling van de feiten en omstandigheden door de rechtbank en neemt deze over. In aanvulling op het voorgaande stelt het hof het volgende vast.
Op de zitting van het hof heeft [verdachte] , anders dan bij de rechtbank, wel verklaard over de personen met wie hij de avond van 11 augustus 2023 op het schoolplein was, namelijk met [medeverdachte] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] . Ook verklaart [verdachte] wie van deze jongens volgens hem aanwezig zijn geweest bij het plegen van de straatroof ten aanzien van [benadeelde 1] . Hij geeft aan dat later van hen te hebben gehoord. [verdachte] heeft verder verklaard dat hij de telefoons van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet van ene [bijnaam] (dat was een ‘schaduwnaam’), maar van [naam 5] heeft gekregen. De Parajumperjas heeft hij van [naam 8] gekregen. Die werd rondgegeven. Zo heeft [verdachte] de jas ook aan [medeverdachte] gegeven. Bij het geven en krijgen van deze spullen werd over de herkomst van de spullen niets gezegd. Hij dacht dat ze die spullen kwijt wilden. [verdachte] heeft bij het hof verklaard dat hij wel kon weten dat het mis was. Op de zitting van het hof heeft [verdachte] verder verklaard dat hij die nacht behoorlijk dronken (en stoned) was. Ook geeft hij aan dat hij de volgende dag niet vroeg uit zijn bed is gekomen en waarschijnlijk direct na het wakker worden op zijn telefoon heeft gekeken.
De bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 primair: afpersing in vereniging
De rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde – hieronder cursief weergegeven – het navolgende overwogen.
De betrouwbaarheidsverweren
De raadsman heeft een betrouwbaarheidsverweer gevoerd ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte] en de tapgesprekken van de vader van [verdachte] . De rechtbank stelt vast dat [verdachte] heeft verklaard dat wat [medeverdachte] heeft verklaard en wat zijn vader in de gesprekken heeft gezegd niet
klopt.
[medeverdachte] heeft een volledige en duidelijke verklaring gegeven die steun vindt in andere
bewijsmiddelen, bijvoorbeeld de notitie van de nachtbewaker waarin staat dat [verdachte] onder
invloed leek toen hij thuis kwam bij [instelling] . De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte] .
De rechtbank heeft daarnaast geen reden om te twijfelen aan de tapgesprekken van [verdachte]
vader. De rechtbank ziet niet welk motief of voordeel [verdachte] vader zou hebben bij het
afleggen van een dergelijke verklaring [het hof begrijpt: bij dat wat hij in het telefoongesprek bespreekt], zeker nu uit de tapgesprekken juist is gebleken dat
[verdachte] vader hem wilde helpen door spullen weg te laten maken en personen te beïnvloeden.
Uit voornoemde gesprekken blijkt dat [verdachte] zelf aan zijn vader verteld heeft dat hij een
straatroof gepleegd heeft. Daarnaast belast [verdachte] vader zichzelf door te vertellen dat hij het
nepvuurwapen aan [verdachte] heeft gegeven.
[verdachte] heeft op de terechtzitting op veel vragen, die logisch voortvloeien uit de processen-
verbaal geen antwoord willen of kunnen geven. De eigen verklaring van [verdachte] dat hij niet bij
de afpersing aanwezig was en zowel de iPhone als de Parajumperjas gekregen heeft van
anderen, acht de rechtbank - tegen de achtergrond van bovenstaande bewijsmiddelen in
onderling verband en samenhang bezien - geheel onaannemelijk.
Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank de betrouwbaarheidsverweren.
Medeplegen
Aangever [benadeelde 1] [ [benadeelde 1] ] heeft verklaard dat alle zes jongens actief deelnamen aan de afpersing, onder andere door aan hem te zitten en dreigend om hem heen te gaan staan. De rechtbank stelt vast dat uit die uiterlijke verschijningsvorm volgt dat alle personen daarmee een rol hebben vervuld van voldoende significante bijdrage. Aanknopingspunten die wijzen op een andere samenwerking of bijdrage ontbreken. De rechtbank beschouwt dit gezamenlijk optreden van [verdachte] met anderen als nauwe en bewuste samenwerking, zodat sprake is van medeplegen.
Conclusie
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat [verdachte] samen met anderen door middel van het dreigen met geweld en ook het daadwerkelijk gebruiken van geweld [benadeelde 1] [ [benadeelde 1] ] heeft gedwongen om zijn spullen en een geldbedrag af te geven.
Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank en neemt deze over. Dat [verdachte] in hoger beroep wel de namen van de betrokken personen heeft genoemd, maakt de rest van zijn verklaring niet geloofwaardiger en leidt dan ook niet tot een ander oordeel. [verdachte] noemt bij het hof overigens slechts vijf namen, terwijl er volgens [benadeelde 1] zes daders waren. Het hof komt - evenals de rechtbank - tot het oordeel dat [verdachte] de zesde persoon moet zijn geweest. In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank merkt het hof verder op dat [verdachte] kennelijk vrijwel direct nadat hij op 12 augustus 2023 wakker werd op zijn telefoon is gaan zoeken naar 112-meldingen, terwijl hij naar eigen zeggen pas later van zijn vrienden hoorde dat er ‘iets’ was gebeurd. Het hof ziet niet in waarom [verdachte] dan op dat moment al naar 112-meldingen is gaan zoeken. Tenslotte acht het hof ongeloofwaardig dat de daders van de straatroof een deel van de buit (de jas en telefoon van [benadeelde 1] , waar zij expliciet om vroegen) direct aan iemand anders zouden geven. [verdachte] heeft op de dag van de straatroof al een foto gedeeld waarop hij te zien is met de Parajumperjas van [benadeelde 1] aan. Het hof acht derhalve bewezen dat ook [verdachte] betrokken was bij de straatroof en dat de telefoon en jas van [benadeelde 1] zijn deel van de buit waren.
De bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3: schuldheling
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde, waarbij [verdachte] wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan opzet- dan wel schuldheling van de iPhone 11 van [benadeelde 2] , heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Tijdens de zitting bij het hof heeft [verdachte] hierover verklaard dat hij de rode iPhone van [naam 5] heeft gekregen en dat hij wel had kunnen weten dat er iets mis mee was, mede gelet op de vraag van [naam 5] om de beveiliging van de iPhone 11 eraf te halen, maar dat hij hier geen vragen over heeft gesteld.
Het hof is van oordeel dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden op [verdachte] tijdens het voorhanden krijgen van de iPhone 11 de plicht rustte om onderzoek te verrichten naar de herkomst daarvan. [verdachte] heeft dit nagelaten en geeft zelf ook aan dat hij wel had kunnen weten dat er iets mis mee was. Daarom is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] destijds redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de rode iPhone 11 een door misdrijf verkregen goed betrof. [verdachte] heeft zich daarom schuldig gemaakt aan schuldheling. Op dit punt komt het hof dus tot een iets ander oordeel dan de rechtbank.
De bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4: voorhanden hebben nepvuurwapen
De rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde – hieronder cursief weergegeven – het navolgende overwogen.
De rechtbank is van oordeel dat het nepvuurwapen geschikt is voor bedreiging of afdreiging, nu het nepvuurwapen nauwelijks van een echt vuurwapen te onderscheiden is. Het feit is daarmee wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank merkt nog op dat de verklaring van [verdachte] dat hij niet wist dat het hebben van een nepvuurwapen strafbaar was, hier niet aan af doet.
Het hof verenigt zich met de voorgaande overwegingen van de rechtbank en neemt deze over.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het onder 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
2. hij op 12 augustus 2023 te [plaats 1] , op de openbare weg, te weten de [straat] , tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van:
- een telefoon en
- een jas en
- een geurtje en
- een pashouder met ID kaart en bankpas en rijbewijs en
- een basic fit pas en een kentekenbewijs en
- sleutels en
- oordopjes en
- zestig euro en
- benodigdheden voor diabetes patiënten,
die geheel of ten dele aan voornoemde [benadeelde 1] toebehoorden door:
- naast voornoemde [benadeelde 1] te gaan rijden en
- tegen voornoemde [benadeelde 1] te zeggen "meneer mag ik iets vragen?" althans woorden van gelijkende aard en strekking en
- vervolgens om voornoemde [benadeelde 1] heen te gaan staan en
- vervolgens tegen voornoemde [benadeelde 1] te zeggen "geef geld, doe je jas uit" en (daarbij) zichtbaar een mes te dragen en
- te zeggen "Ik ga mijn nakku pakken", en
- voornoemde [benadeelde 1] in het gezicht te slaan en
- tegen voornoemde [benadeelde 1] te zeggen "doe je broek uit", en
- de broekzakken van voornoemde [benadeelde 1] te doorzoeken;
3.hij op 14 augustus 2023 te [plaats 1] een telefoon, iPhone 11 (rood), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
4.hij op 14 augustus 2023 te [plaats 1] een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing vuurwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen (te weten een pistool van het merk Browning, model BDA-45), voorhanden heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen [verdachte] meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
schuldheling.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van de verdachte
[verdachte] is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die [verdachte] niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
Het standpunt van de verdediging
De raadsman is in het licht van de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 2 primair van mening dat het opleggen van een taakstraf voor het tweemaal plegen van heling en het bezit van een nepvuurwapen afdoende is.
Het oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van [verdachte] , zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst en aard van de feiten
[verdachte] heeft zich op 12 augustus 2023 samen met anderen schuldig gemaakt aan een afpersing op de openbare weg. [verdachte] en de anderen hebben een dusdanige bedreigende situatie gecreëerd dat aangever [benadeelde 1] zich gedwongen voelde om geld en goederen aan hen af te geven. Bij de straatroof is [benadeelde 1] bovendien in zijn gezicht geslagen. Deze situatie is voor [benadeelde 1] , zo blijkt ook uit zijn toelichting op de vordering tot schadevergoeding, zeer beangstigend geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers door dergelijke delicten langdurige psychische problemen kunnen ondervinden. Het hof rekent het [verdachte] aan dat hij geen enkel respect heeft gehad voor [benadeelde 1] en diens bezittingen. [verdachte] heeft geen enkel berouw getoond noch verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden op enig moment in het onderzoek of tijdens de zitting.
Verder heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een iPhone. Heling bevordert diefstal van die goederen en zorgt bovendien voor een illegaal handelscircuit van goedkope goederen, waardoor de reguliere, eerlijke handel wordt verstoord en maatschappelijke schade wordt toegebracht. Verder heeft [verdachte] met zijn handelen ervan blijk gegeven zich in het geheel niet te bekommeren om de eigendomsrechten van anderen.
Naast de hiervoor genoemde feiten heeft [verdachte] een nepvuurwapen voorhanden gehad. Het bezit van een nepvuurwapen is een strafbaar feit, alleen al omdat het gebruik ervan tot bedreigende situaties kan leiden.
Persoonlijke omstandigheden
Wat betreft de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] heeft het hof gekeken naar de Justitiële Documentatie (strafblad) van [verdachte] van 11 maart 2025, waaruit blijkt dat [verdachte] niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de rapportages van de deskundigen die over [verdachte] zijn geschreven, waaronder het meest recente rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 3 juli 2024. Hieruit komt naar voren dat er in het verleden veel zorgen waren om [verdachte] , onder andere over zijn houding thuis (waardoor hij gesloten geplaatst is geweest), zijn schoolgang en omgang met antisociale jongeren. Op dit moment gaat het thuis beter en is hij gericht op de toekomst en gaat hij naar school. Wel zijn er nog zorgen over zijn houding, bijvoorbeeld dat hij geen spijt heeft en andere mensen gebruikt. Ook zijn er zorgen over het contact met zijn vader en de negatieve invloed die deze op [verdachte] heeft. De Raad adviseert de oplegging van een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie als stok achter de deur, met oplegging van bijzondere voorwaarden.
Tijdens de zitting bij het hof heeft mevrouw [naam 9] namens de Raad aangegeven dat [verdachte] heeft ingezien dat hij hulp nodig heeft en dat hij op dit moment serieus en intensief aan zichzelf werkt. Om die reden gaat [verdachte] nu niet naar school, maar het is wel de bedoeling dat hij school na de vakantie weer oppakt. De Raad vindt het belangrijk dat de jeugdreclassering toezicht kan houden op [verdachte] . De Raad heeft het advies ten aanzien van de oplegging van de bijzondere voorwaarden gehandhaafd, waarbij is opgemerkt dat niet alle eerder door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden hoeven te worden opgelegd. De heer [naam 10] van de jeugdreclassering is het eens met het advies van de Raad.
Op te leggen straf
Het hof houdt bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan ook rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd en met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Voor afpersing geldt in het jeugdstrafrecht als oriëntatiepunt een taakstraf van zestig uur dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie, waarbij fysiek geweld, bedreiging met een wapen en een georganiseerd karakter van de groep strafverzwarende omstandigheden zijn. Iedere strafverzwarende omstandigheid telt daarbij in beginsel voor zestig uur taakstraf, dan wel één maand jeugddetentie.
Voor schuldheling geldt in het jeugdstrafrecht als oriëntatiepunt een taakstraf van twintig uur. Voor het voorhanden hebben van een nepvuurwapen geldt in het jeugdstrafrecht als oriëntatiepunt een taakstraf van dertig uur dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie.
De strafbare feiten die [verdachte] heeft gepleegd zijn ernstig. Daarvoor zou gelet op het gebruikte wapen en geweld, de opstelsom van drie feiten, en de houding van [verdachte] ook een onvoorwaardelijke jeugddetentie niet misstaan. Het hof ziet daarin net als de rechtbank echter geen meerwaarde, mede gezien het advies van de Raad. Wel acht het hof een forse stok achter de deur in de vorm van een voorwaardelijke jeugddetentie nodig om zoveel mogelijk te voorkomen dat [verdachte] in de toekomst weer strafbare feiten zal plegen. Dit is ook door de Raad geadviseerd.
Het hof acht het, alles afwegend, passend en geboden om aan [verdachte] op te leggen een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 100 uren met aftrek van het voorarrest en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van vier maanden met een proeftijd van twee jaren, met oplegging van de door de Raad tijdens de zitting bij het hof geadviseerde bijzondere voorwaarden. Als [verdachte] tijdens de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich niet houdt aan de bijzondere voorwaarden, moet hij de jeugddetentie alsnog uitzitten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, na vermindering van de vordering in eerste aanleg voor wat betreft de materiële schade betreffende de Parajumperjas (nu deze jas is teruggegeven aan de benadeelde partij), € 2.914,45, bestaande uit € 914,45 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen en daarom ook in hoger beroep aan de orde.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van [verdachte] rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 914,45. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk geworden. [verdachte] is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Dan komt het hof toe aan de beantwoording van de vraag of aan de benadeelde partij [benadeelde 1] door het bewezenverklaarde ook rechtstreekse immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Het hof stelt net als de rechtbank vast dat de benadeelde partij [benadeelde 1] immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij [benadeelde 1] is op een andere wijze in zijn persoon aangetast. Een straatroof door zes personen waarbij ook geweld is gebruikt leidt naar aard en ernst van het strafbare feit tot een evidente aantasting in de persoon van de benadeelde partij. Het hof acht vergoeding van de gevorderde immateriële schade ten belope van een bedrag van € 2.000,00 billijk, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Het hof houdt verder rekening met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend.
Het hof zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] daarom in zijn geheel toewijzen tot een bedrag van € 2.914,45, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
[verdachte] heeft het bewezenverklaarde feit samen met anderen gepleegd en dit maakt dat zij samen naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade. Het hof zal daarom bepalen dat wanneer de schadevergoeding (deels) door (een van) de mededader(s) is betaald, [verdachte] dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Gelet op het vorenstaande dient [verdachte] , als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Als door [verdachte] niet wordt betaald, zal deze verplichting, in verband met zijn leeftijd, niet worden aangevuld met gijzeling.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 39,99. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 29,99. De genoemde benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdediging heeft zich ook ten aanzien van de vordering van deze benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof is van oordeel dat onvoldoende verband is komen vast te staan tussen het onder 3 bewezenverklaarde handelen van [verdachte] (schuldheling) en de door de benadeelde partij [benadeelde 2] gevorderde schade om te kunnen aannemen dat aan de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft nagelaten het benodigde rechtstreekse verband (voldoende) te onderbouwen en dit verband blijkt bovendien niet uit het dossier. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 312, 317 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden.
Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen te melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;
2. de verdachte meewerkt aan de onderzoeken vanuit Accare en de daaruit voortvloeiende behandeladviezen, zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;
3. de verdachte een zinvolle dagbesteding heeft in de vorm van onderwijs en/of werk, waarbij de jeugdreclassering bepaalt wat zinvol is.
Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming [locatie 2] , afdeling jeugdreclassering, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.914,45 (tweeduizend negenhonderdveertien euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 914,45 (negenhonderdveertien euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.914,45 (tweeduizend negenhonderdveertien euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 914,45 (negenhonderdveertien euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 12 augustus 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Aldus gewezen door
mr. A.J. Rietveld, voorzitter,
mr. P.S. Bakker en mr. J.A.M. Kwakman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier,
en op 28 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.