Noodweer
Volgens artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan een beroep op noodweer
alleen slagen indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van
eigen lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder onder
omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding.
Indien door of namens verdachte een beroep wordt gedaan op noodweer, dan moet de
rechtbank allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals door verdachte aan het
verweer ten grondslag is gelegd en uit de wettelijke bewijsmiddelen moet worden afgeleid,
aannemelijk is geworden. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de door verdachte
geschetste toedracht een beroep op noodweer rechtvaardigt. Meer concreet moet de
rechtbank de vraag beantwoorden of het door verdachte begane feit was geboden door de
noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop het beroep op noodweer
steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf
dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de
beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om
dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.
Noodweersituatie
De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat
moeder dreigend met een mes op [Verdachte] af is gelopen en dat daarbij sprake is geweest van
een noodweersituatie.
Zo heeft [Verdachte] direct aan de telefoon met 112 verklaard dat zijn moeder heeft geprobeerd
om hem te steken en dat een gevecht met messen heeft plaatsgevonden. Ook tegen de politie
heeft hij dat al verteld direct na zijn aanhouding toen hij vanaf de woning naar het
politiebureau werd vervoerd. Bij de nadere verhoren door de politie heeft [Verdachte] op dit punt
ook steeds consequent en consistent verklaard. Daarnaast past de verklaring van [Verdachte] bij de omstandigheid dat twee bebloede messen in de slaapkamer van moeder zijn aangetroffen,
waar de steekpartij heeft plaatsgevonden, en het letsel dat bij [Verdachte] is vastgesteld. Dat letsel
lijkt, volgens een deskundige, eerder door een mes te zijn veroorzaakt dan bijvoorbeeld door
krassen met een nagel.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen [Verdachte] en dat [Verdachte] zich mocht verdedigen.
Proportionaliteit
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de wijze van verdediging door
[Verdachte] proportioneel was. Uit de proportionaliteitseis volgt dat een gedraging niet straffeloos is als deze gedraging - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.
[Verdachte] heeft verklaard dat hij tijdens het gevecht met een mes heeft gezwaaid en vervolgens
zijn moeder bij de pols heeft gepakt, waarna haar mes op de grond zou zijn gevallen. Tijdens het vallen van het mes zou [Verdachte] zijn moeder hebben gestoken. De forensisch arts benoemt dat een deel van het letsel bij moeder door het door [Verdachte] geschetste scenario kan worden verklaard, maar dat dit niet geldt voor al het letsel. Zo benoemt de forensisch arts dat de aangetroffen verwondingen aan de hals veel waarschijnlijker zijn onder een hypothese van een (meer statische) geweldinwerking zoals (zich) krassen en snijden, dan onder een (meer dynamische) geweldinwerking van zwaaien met een mes. Ook blijkt uit het forensisch geneeskundig onderzoek dat twee (diepe) steekwonden in de rug van moeder zijn
aangetroffen, welke niet door [Verdachte] kunnen worden verklaard. Naar het oordeel van de
rechtbank past dit letsel niet bij het zwaaien met een mes en de verklaring van [Verdachte] dat hij
zijn moeder alleen op het moment dat zij het mes liet vallen heeft gestoken. Gelet op het
geconstateerde letsel enerzijds en de verklaring van [Verdachte] anderzijds, moet [Verdachte] zijn
moeder meerdere malen van verschillende kanten diep in het lichaam ter hoogte van onder
andere hart en longen met een mes hebben gestoken, op het moment dat zijn moeder haar
mes al had laten vallen.
De rechtbank is van oordeel dat het gebruik door [Verdachte] van een mes op zichzelf een
proportionele manier was om zichzelf te verdedigen. De rechtbank is echter ook van oordeel
dat [Verdachte] te ver is gegaan in die verdediging.
Op het moment dat het mes van moeder op de grond viel, was het niet noodzakelijk voor
[Verdachte] om zich te verdedigen middels het meermaals met kracht steken in het bovenlichaam
van moeder. Voor de rechtbank is uit de verklaringen van [Verdachte] niet duidelijk geworden
waarom dat wel nodig was. [Verdachte] heeft daarmee de grenzen van de noodzakelijke
verdediging overschreden, [Verdachte] is te lang en te heftig door gegaan. Het beroep op
noodweer zal daarom worden verworpen.
Conclusie
Omdat het beroep op noodweer is verworpen, heeft [Verdachte] door zijn moeder (meermalen) te
steken met een mes een strafbaar feit gepleegd, namelijk: poging tot doodslag.
Noodweerexces
De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of [Verdachte] een verwijt kan worden
gemaakt van het strafbare feit dat hij heeft gepleegd. De verdediging heeft aangevoerd dat bij [Verdachte] sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de
ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding (hof: namelijk doordat zijn moeder met een mes op hem af kwam). Overschrijding van de grenzen van de
noodzakelijke verdediging is niet strafbaar indien deze overschrijding het onmiddellijke
gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, die door de aanranding is veroorzaakt.
Daarbij dient aannemelijk te zijn dat de gemoedsbeweging, die het directe gevolg was van de aanranding, van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging. Niet is vereist dat
geheel kan worden uitgesloten dat ook andere factoren mede hebben bijgedragen aan het
ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Bij de beantwoording van de vraag of in een
concreet geval sprake is van het hier bedoelde ‘onmiddellijke gevolg’, kan betekenis worden
toegekend aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn
overschreden alsmede aan de aard en intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Verder
kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.
Het hof leidt uit het dossier en het verhandelde ter zitting af dat bij [Verdachte] sprake is geweest van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Hij is in de woning van zijn moeder, waar hij op dat moment verbleef, door zijn moeder met een mes aangevallen. Dat dit [Verdachte] in een hevige gemoedsbeweging heeft gebracht waarbij hij de grenzen van noodzakelijkheid heeft overschreden, blijkt uit het volgende.
Bij de politie heeft [Verdachte] verklaard dat hij de pols van zijn moeder pakte om haar het steken te beletten en om te zorgen dat ze haar mes zou laten vallen. Toen ze het mes liet vallen, was hij bang dat ze het alsnog zou oppakken en zou gaan steken. Daarom had hij haar gestoken. Hij was bang en wist niet wat hij moest doen. Het ging heel snel.
Ter zitting van het hof heeft hij in grote lijnen hetzelfde verklaard.
Direct na het steekincident heeft [Verdachte] 112 gebeld. Uit de transcriptie van het gesprek tussen [Verdachte] en de centralist van de meldkamer blijkt dat [Verdachte] in paniek en ontreddering verkeert. Hij vraagt de centralist of zij zijn moeder nog kunnen redden en zegt bij herhaling “mama”.
Op het moment dat verbalisant [verbalisant 2] ter plaatse kwam, hoorde hij [Verdachte] zeggen: “Ze is binnen boven, jullie moeten haar redden” en vragen: “Gaan jullie mijn moeder redden? Wie zijn al die mensen? Ze kijken naar mij.”.
[verbalisant 2] zag dat [Verdachte] om zich heen keek en het leek of hij onder invloed verkeerde of dat hij zich niet realiseerde wat er aan de hand was. [Verdachte] maakte op [verbalisant 2] een zeer verwarde indruk.
Verbalisant [verbalisant 1] vroeg aan [Verdachte] of de vrouw in het huis zijn moeder was. [verbalisant 1] hoorde dat [Verdachte] hier warrig op reageerde met de woorden: “Gaat het wel goed? Wat is er met mijn moeder aan de hand? Dat is mijn moeder? Moet ik erheen?”.
Ook verbalisant [verbalisant 2] kwam na de melding ter plaatse. Hij hoorde [Verdachte] “mijn moeder, mijn moeder” roepen. [verbalisant 2] keek [Verdachte] in de ogen en zag angst en paniek.
Uit dit samenstel van [Verdachte] verklaring en de waarnemingen van de politie leidt het hof af dat [Verdachte] niet alleen tijdens het incident maar ook daarna in ontreddering verkeerde. De staat waarin de politie hem zeer kort na het incident aantrof, heeft naar het oordeel van het hof a fortiori ook tijdens het incident bestaan. Daarmee is volgens het hof de hevige gemoedsbeweging tijdens het steekincident een gegeven.
Conclusie
Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat het bewezenverklaarde handelen van [Verdachte] verontschuldigbaar is geweest.
Hij is met zijn handelen aanzienlijk veel te ver gegaan maar deed dat in een staat van angst en paniek door de dreiging die op dat moment van zijn moeder uitging.
Het hof zal het beroep op noodweerexces honoreren nu de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van de hevige gemoedsbeweging bij [Verdachte] .
[Verdachte] is daarom ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Ten overvloede overweegt het hof dat het ter terechtzitting uit de verklaring en de opstelling van [Verdachte] heeft kunnen vaststellen dat ook hij groot verdriet ervaart om wat er is gebeurd.
Niet alleen heeft hij in de drie jaar sinds het gebeurde geen contact met zijn moeder gehad, maar ook moet hij leven met het feit dat zij door zijn hand het grootste deel van haar gezichtsvermogen is verloren, nog afgezien van de overige verwondingen waarvan zij ook nu nog niet geheel is hersteld.
Ook met zijn drie zusjes heeft hij sindsdien geen contact meer, wat hij heel erg vindt.
Zo beschouwd is dit een situatie die wel eens wordt beschreven met de hol klinkende frase: “deze situatie kent alleen maar verliezers”. In dit geval is dat echter nu eens helemaal waar.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft bij appelschriftuur van 16 mei 2024 verzocht vier getuigen te horen die zouden kunnen verklaren over eerdere incidenten tussen [Verdachte] en zijn moeder. Dit zou een rol hebben gespeeld bij de gemoedsbeweging van [Verdachte] en is volgens de raadsman van belang bij de beoordeling van zijn strafbaarheid.
De poortraadsheer heeft op 30 december 2024 beslist dat er vooralsnog geen aanleiding wordt gezien om in de verzoeken te bewilligen. Aan de raadsman is te kennen gegeven dat hij deze verzoeken desgewenst tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak kan herhalen.
Ter terechtzitting bij het hof heeft de raadsman deze verzoeken inderdaad herhaald, zij het in voorwaardelijke vorm. Ingeval het hof van oordeel is dat er geen eerdere incidenten hebben plaatsgevonden, wordt verzocht deze vier getuigen alsnog te (doen) horen.
Gelet echter op het oordeel van het hof over de strafbaarheid van [Verdachte] behoeft dit verzoek geen verdere bespreking.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte de primair tenlastegelegde poging tot doodslag heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.
Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Aldus gewezen door
mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,
mr. R.W. van Zuijlen en mr. D. Visser, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R. Kaatman, griffier,
en op 30 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 30 juni 2025.
mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,
mr. M.W. Hemelaar, advocaat-generaal,
mr. E. van der Zandt, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
Verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.