[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
ingeschreven op het adres te [adres 1] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 uren bij niet verrichten te vervangen door 50 dagen hechtenis. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd het beslag af te doen conform de beslissing van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. A.G. van der Plas, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft de verdachte ter zake het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren bij niet verrichten te vervangen door 60 dagen hechtenis. Voorts is door de politierechter bepaald dat het beslag moest worden teruggegeven aan verdachte.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een deels andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- tenlastegelegd dat:
1.hij op een of meer momenten in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 augustus 2019 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende 4-ACO DMT (als ester van psilocine), zijnde psilocine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op of omstreeks 8 augustus 2019 te [plaats 1] , althans in Nederland, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] te [plaats 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 344 chocoladerepen bevattende een hoeveelheid van het paddenstoelensoort psilocybe cubensis, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende psilocybe cubensis, zijnde psilocybe cubensis een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Algemeen
Uit het strafdossier en het verhandelde ter zitting blijkt onder meer het volgende.
Via de [website] , toebehorende aan de [medeverdachte 1] , werd in 2019 de harddrug 4-ACO DMT aangeboden. Door middels van een pseudokoop door de politie in de zomer van 2019 is via deze website 4-ACO DMT aangekocht en ook in capsules geleverd. Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft het ontvangen product onderzocht en concludeerde dat het daadwerkelijk 4-ACO DMT was.
4-ACO DMT is een synthetische drugs die (een ester van) psilocine bevat. Deze stof is verboden op lijst I van de Opiumwet.
De [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de verdachte de leverancier is van de producten die hij via de website verkoopt en [medeverdachte 2] degene die de internet-bestellingen verzendt.
Op 8 augustus 2019 is bij de doorzoeking van de woning van de verdachte in [plaats 1] een gripzakje aangetroffen met daarin groen poeder, later blijkende te zijn 4-ACO DMT. Er werden ook bestellijsten met daarop de benaming 4-ACO DMT aangetroffen. Verder zijn er in de woning 344 chocoladerepen met daarin – zo is na onderzoek door het NFI gebleken - psilocybe cubensis (softdrug) aangetroffen.
De verdachte heeft verklaard dat hij de legale stof 4-ACO DET (in plaats van DMT) aan [medeverdachte 1] leverde. [medeverdachte 1] verkocht vervolgens dit legale middel 4-ACO DET via zijn website onder de naam 4-ACO DMT. 4-ACO DMT was volgens de verdachte destijds de verzamelnaam voor paddenstoel-/truffelachtige stoffen, maar hij heeft feitelijk nooit de verboden stof 4-ACO DMT geleverd.
[medeverdachte 2] , bij wie verdachte de 4-ACO DET aanleverde, zorgde vervolgens voor de verzending van de bestelde stoffen. De 4-ACO DET die de verdachte leverde en die hij aanduidde onder de verzamelnaam 4-ACO DMT was altijd in de vorm van pellets (tabletten) en nooit in capsules. Toen hij op enig moment ontdekte dat [medeverdachte 2] een partij capsules had staan en die ook daadwerkelijk verstuurde als 4-ACO DMT, heeft hij onmiddellijk actie ondernomen, en de 4-ACO DMT van de site van [medeverdachte 1] laten halen en de partij laten vernietigen. Hij weet niet hoe [medeverdachte 2] aan die partij capsules is gekomen. Een paar capsules heeft hij meegenomen naar huis en bewaard om te laten testen. Dit is er echter niet van gekomen. De inhoud van deze capsules is vervolgens in augustus 2019 door de politie bij hem thuis aangetroffen en bleek na onderzoek de verboden stof 4-ACO DMT te bevatten.
Behalve het gripzakje met 4-ACO DMT bij de verdachte thuis, is verder bij géén van de betrokkenen in dit onderzoek 4-ACO DMT aangetroffen.
Met betrekking tot feit 1 (aanwezig hebben- leveren 4-ACO DMT)
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. De verdachte ontkent de stof 4-ACO DMT te hebben geleverd.
De raadsvrouw heeft met betrekking tot de bij de verdachte thuis aangetroffen 4-ACO DMT betoogd dat de hoeveelheid dusdanig gering was dat dit beschouwd kan worden als een kleine hoeveelheid voor eigen gebruik. In dat geval kan volgens de Richtlijn Strafvordering worden volstaan met onttrekking aan het verkeer, aldus de raadsvrouw.
Oordeel van het hof
Het hof gaat uit van de verklaring van de verdachte dat hij geen 4-ACO DMT heeft geleverd. Deze verklaring vindt bevestiging in het feit dat noch bij de verdachte noch bij [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] , aan wie verdachte diverse stoffen leverde, enige voorraad 4-ACO DMT is aangetroffen. Alleen bij de verdachte thuis is poeder uit enkele capsules aangetroffen. Ook dit bevestigt de verklaring van de verdachte.
Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het tenlastegelegde verwerken/verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren van 4-ACO DMT.
Wel is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk 4-ACO DMT aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft op enig moment gezien dat [medeverdachte 2] capsules met 4-ACO-DMT aan het inpakken was. Niet alleen heeft hij op dat moment een aantal capsules mee naar huis genomen om te laten testen, ook is op zijn verzoek de 4-ACO-DMT van de website gehaald en heeft hij de resterende capsules laten vernietigen.
Het hof is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de verboden stof 4-ACO-DMT in zijn bezit had.
Het verweer van de raadsvrouw dat vervolging niet conform de Richtlijn Strafvordering is, gaat niet op, omdat het aanwezige poeder blijkens de verklaring van de verdachte nadrukkelijk niet bestemd was voor eigen gebruik. Bovendien heeft verdachte het in zijn eigen verklaring over de inhoud van 15 capsules, welke hoeveelheid sowieso niet aangemerkt zou kunnen worden als een geringe hoeveelheid.
Met betrekking tot feit 2 (aanwezig hebben/ bereiden van chocolade repen met psilocybe cubensis)
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft verklaard dat de partij aangetroffen chocoladerepen een restant is van de door de politie op 17 oktober 2018 bij hem aangetroffen partij chocoladerepen waar hij in de andere strafzaak met parketnummer 21-001364-22 voor wordt vervolgd. De politie had niet alles weggehaald en hij heeft deze 344 repen mee naar huis genomen en bewaard in afwachting van de uitkomst van de andere strafzaak.
In de andere strafzaak is door de verdediging het verweer gevoerd dat er geen psilocybe cubensis in de chocoladerepen zat. Aangezien de in 2019 in de woning van de verdachte aangetroffen chocoladerepen ook destijds in 2018 al door verdachte waren gemaakt, zit ook in deze repen geen psilocybe cubensis en dient de verdachte vrijgesproken te worden van het onder 2 tenlastegelegde, aldus de raadsvrouw.
Ook heeft de verdachte ter zitting van het hof verklaard dat als er al psilocybe cubensis in de de chocolade(repen) zat, het er per ongeluk in moet zijn gekomen. Hij heeft niet het opzet gehad om de verboden stof erin te doen en hij wist ook niet dat het er in zat. De raadsvrouw heeft mede hierom vrijspraak bepleit.
Oordeel van het hof
Door het NFI is onderzoek gedaan naar de op 8 augustus 2019 in de woning van de verdachte aangetroffen 344 chocoladerepen. Het NFI heeft geconcludeerd dat deze chocoladerepen psilocybe cubensis bevatten. Het hof heeft geen reden om aan het onderzoek en de conclusies van het NFI te twijfelen en acht wettig en overtuigend bewezen dat de 344 chocoladerepen psilocybe cubensis bevatten.
Wat betreft het opzet van de verdachte stelt hof voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier op het feit dat er psilocybe cubensis door de chocolade is gemengd – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De verdachte heeft verklaard dat hij in zijn schuur chocoladerepen maakte en dat hij daar door hemzelf tot poeder gemalen eetbare paddenstoelen doorheen heeft gemengd. Hij was hiermee aan het experimenteren, omdat hij vitaliserende energybars wilde maken. Daar was vraag naar in wielerkringen en bij migrainepatiënten. De eetbare paddenstoelen ontving hij van de hem bekende [naam] .
De door [naam] geleverde partijen met resten van zowel ‘gewone’ als psychoactieve paddenstoelen heeft verdachte volgens eigen zeggen ook bewaard en verwerkt in dezelfde ruimte als waar hij de chocolade bewerkte. Hij heeft geen andere verklaring voor de eventuele aanwezigheid van psilocybe cubensis in de repen, dan dat dit door contaminatie in de repen terecht moet zijn gekomen.
Het hof stelt vast dat de verdachte wist dat [naam] ook paddenstoelen met een hallucinerend effect had; hij had immers volgens eigen zeggen ook een aparte afvalzak met hallucinerende paddenstoelen staan die hij van [naam] had gekregen. Met betrekking tot de paddenstoelen die hij in de repen deed, verklaarde verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij erop vertrouwde dat [naam] hem daarvoor legale middelen leverde en geen verboden middelen. Hij heeft de geleverde paddenstoelen echter niet getest of laten testen. Vervolgens heeft hij een en ander zelf vermalen tot poeder. Dit poeder is door de verdachte door de gesmolten chocolade gemengd en hiervan werden de chocoladerepen gemaakt. Verder is gebleken, op basis van de hiervoor genoemde conclusies van het NFI, dat het verboden middel psilocybe cubensis door de chocolade is gemengd.
Dat sprake zou zijn van contaminatie van de chocolade met hallucinerende paddenstoelen uit de afvalzak, acht het hof onaannemelijk nu het verboden middel psilocybe cubensis in 2018 in zowel de mallen voor de chocoladerepen, een brok chocolade als in de chocoladerepen is aangetroffen.
Het hof is gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden dan ook van oordeel dat de verdachte, door niet nader te onderzoeken wat hij van [naam] geleverd had gekregen, terwijl hij wist dat [naam] hem ook materiaal leverde bestaande uit grondstoffen voor zowel gewone als psychoactieve paddenstoelensoorten, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de verboden soort psilocybe cubensis had ontvangen en door de chocolade heeft gemengd. Daarbij is van belang dat de verdachte ter zitting ook heeft verklaard dat hij met zijn handel steeds op de grens van wat wel en niet mag opereert.
Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het door de chocolade mengen van een materiaal bevattende psilocybe cubensis zodat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Deze bewijsmiddelen zullen worden aangevuld wanneer tegen dit arrest cassatie wordt ingesteld.
Het hof acht bewezen dat:
1.hij op 8 augustus 2019 te [plaats 1] opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-ACO DMT (als ester van psilocine), zijnde psilocine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij op 8 augustus 2019 te [plaats 1] , opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres 2] te [plaats 1] een hoeveelheid van 344 chocoladerepen bevattende een hoeveelheid psilocybe cubensis, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Door de raadsvrouw is bepleit dat feit 2 (kort gezegd het voorhanden hebben van de chocoladerepen) een voortgezette handeling is als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, omdat het om dezelfde chocoladerepen gaat als in de strafzaak tegen verdachte met parketnummer 21-001364-22 en de politie deze chocoladerepen bij de verdachte heeft laten staan.
Het hof volgt de raadsvrouw hierin niet. De verdachte heeft na de doorzoeking op 17 oktober 2018 besloten om de achtergebleven en niet in beslag genomen chocoladerepen te houden en te bewaren. Op 8 augustus 2019 heeft hij ze nog steeds in zijn bezit. Dit betreft een nieuw strafbaar feit, aangezien er een nieuw wilsbesluit van de verdachte aan ten grondslag ligt om de chocoladerepen te houden en te blijven bewaren.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De verdachte heeft 344 chocoladerepen met daarin het verboden middel psilocybe cubensis (een softdrug) en de inhoud van enkele capsules met daarin het verboden middel 4-ACO DMT (een harddrug) in bezit gehad. De verdachte heeft verklaard dat hij al 25 jaren in de smartshopindustrie bezig is en op de grens opereert van wat wel en niet mag. In dit geval heeft hij de grens van het toelaatbare overschreden en strafbaar gehandeld. Dergelijke middelen zijn een gevaar voor de gezondheid van degenen die het consumeren. Door zijn handelen heeft hij slechts oog gehad voor zijn eigen belangen en het gevaar voor de gezondheid van anderen genegeerd.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 mei 2025 blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake strafbare feiten, waaronder ook feiten betreffende de Opiumwet. Deze veroordelingen zijn niet van recente datum en wegen daarom weinig strafverzwarend mee.
Ter terechtzitting van het hof is door de raadsvrouw naar voren gebracht dat de verdachte ook al gestraft is doordat hem in deze zaak ook een ontnemingsmaatregel is opgelegd en hij verlies heeft geleden als gevolg van het door justitie te goedkoop van de hand doen van goederen waarop conservatoir beslag was gelegd. Ook heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met het overschrijden van de redelijke termijn van berechting.
Het hof stelt vast dat zowel in eerste aanleg als in de appèlfase de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden. Gelet op de door het hof op te leggen straf zal worden volstaan met de constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van het EVRM.
Alles afwegend is het hof van oordeel dat – gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde – oplegging van een taakstraf voor de duur van 40 uren passend en geboden is.
Het feit dat de verdachte als gevolg van de onderhavige feiten ook een ontnemingsmaatregel is opgelegd, weegt bij de strafoplegging niet mee. Dit is immers een maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en geen straf. Ook de financiële afwikkeling van de ontnemingsmaatregel en het daarbij behorende conservatoir beslag is bij de strafoplegging in de onderhavige zaak geen factor die tot matiging van de straf dient te leiden.
Onttrekking aan het verkeer
De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn tot het begaan van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde vervaardigd of bestemd. Zij worden door het hof beschouwd als een gezamenlijkheid van voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien zij als gezamenlijkheid van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Dit betreft:
- 344 stuks chocolade (nr. 1170262)
- 1.950 stuks verdovende middelen (nr. 1170312); zak met 450 capsules en 15 gevouwen A4-tjes met daarin elk 100 capsules
- 1 stuk verdovende middelen; losse capsule (18-347481-21/102644456-BL2101) (nr. 1170313)
- 1 zak verdovende middelen; plastic zakje met bruin poeder (nr. 1170314) 11)
- 1 stuk verdovende middelen; plastic zakje met 4-ACO DMT (nr. 1170316).
Teruggave aan de verdachte
De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte. Dit betreft:
- 2.000 euro; 200 briefjes van 10 euro (nr. 1170257)
- 280 euro; 14 briefjes van 20 euro (nr. 1170258)
- 4.494 gram groen/bruin poeder (1171689)
- 288 gram groen poeder (1171759)
- 115 gram groen poeder (nr. 1171761)
- 212 gram groen poeder (nr. 1171766).
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 36b, 36c, 36d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 344 stuks chocolade (nr. 1170262)
- 1.950 stuks verdovende middelen (nr. 1170312); zak met 450 capsules en 15 gevouwen A4-tjes met daarin elk 100 capsules
- 1 stuk verdovende middelen; losse capsule (18-347481-21/102644456-BL2101) (nr. 1170313)
- 1 zak verdovende middelen; plastic zakje met bruin poeder (nr. 1170314) 11)
- 1 stuk verdovende middelen; plastic zakje met 4-ACO DMT (nr. 1170316).
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 2.000 euro; 200 briefjes van 10 euro (nr. 1170257)
- 280 euro; 14 briefjes van 20 euro (nr. 1170258)
- 4.494 gram groen/bruin poeder (1171689)
- 288 gram groen poeder (1171759)
- 115 gram groen poeder (nr. 1171761)
- 212 gram groen poeder (nr. 1171766).
Aldus gewezen door
mr. R. Godthelp, voorzitter,
mr. A.F. van Kooij en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,
en op 30 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.