GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.341.577
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, BM36560 - 001)
beschikking van 4 februari 2025
inzake
[verzoekster] ,
handelend onder de naam [naam1] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. E. Kattestaart te Rotterdam,
en:
[naam2] ,
wonende te [woonplaats1] ,
hierna te noemen: [naam2] .
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder te noemen: de bestreden beschikking).
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 mei 2024;
- een journaalbericht namens de bewindvoerder van 31 mei 2024 met bijlagen.
De zitting was op 17 december 2024. Daarbij was de bewindvoerder aanwezig, bijgestaan door haar advocaat.
3. De feiten
Bij beschikking van 2 januari 2023 heeft de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, [naam2] onder bewind gesteld en verzoekster tot bewindvoerder benoemd.
Op 15 november 2023 heeft de bewindvoerder de kantonrechter verzocht om haar een beloning (verhuiskostenvergoeding) toe te kennen in verband met de verhuizing van [naam2] .
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek afgewezen.
4. De omvang van het geschil
De bewindvoerder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en haar alsnog een verhuiskostenvergoeding ad € 388,00 toe te kennen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
5. De motivering van de beslissing
Het juridisch kader
Aan de orde is de beloning van de bewindvoerder in verband met de verhuizing van [naam2] . Op grond van artikel 1:447 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de bewindvoerder aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld.
De regeling waarop het hiervoor genoemde artikel doelt is de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de Regeling). Artikel 3, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de kantonrechter die de bewindvoerder, bedoeld in artikel 1:435 lid 7 BW benoemt, diens beloning vaststelt overeenkomstig het bepaalde in het tweede tot en met vijfde lid.
Artikel 3, vijfde lid, onder b van de Regeling bepaalt, voor zover hier van belang, dat de kantonrechter naast de jaarbeloning in voorkomende gevallen en in geval er geen mentor is, een beloning voor een verhuizing toekent ter hoogte van € 388,00 Op grond van artikel 3, zesde lid van de regeling kan de kantonrechter bij uitzonderlijke omstandigheden de beloning anders regelen dan door de wet is aangegeven.
Het standpunt van de bewindvoerder
De bewindvoerder stelt dat de kantonrechter in strijd met de Regeling heeft gehandeld door aan haar geen beloning in verband met de verhuizing van [naam2] toe te kennen. Bij de beoordeling voor het toekennen van een beloning moet niet worden getoetst aan het criterium van “uitzonderlijke werkzaamheden”, maar aan het toetsingscriterium “voorkomende gevallen”. Er is hier sprake van een verhuizing en er is geen mentor die de werkzaamheden die de verhuizing met zich meebrengt had kunnen verrichten. De bewindvoerder stelt dat daardoor haar een bedrag van € 388,00 toekomt in verband met de verhuizing van [naam2] . Hiertoe voert zij aan dat alle administratieve handelingen in verband met de verhuizing voor rekening en risico van de bewindvoerder komen, omdat deze handelingen van vermogensrechtelijke aard zijn. Ter zitting heeft de bewindvoerder verwezen naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 februari 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:1556), waar aan een curator een beloning voor een verhuizing is toegekend.
Oordeel van het hof
[naam2] is in november 2023 verhuisd naar een zelfstandige woonruimte. In het beroepschrift van 24 mei 2024 heeft de bewindvoerder omschreven welke werkzaamheden zij in het kader van de verhuizing heeft moeten verrichten. Dat deze werkzaamheden tot de reguliere taken van de bewindvoerder behoren, verdraagt zich niet met de in de Regeling vermelde mogelijkheid tot toekenning van een extra beloning voor een verhuizing. De kantonrechter heeft overwogen dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, waardoor de extra beloning niet zal worden toegekend. In de Regeling staat echter niet dat sprake zou moeten zijn van uitzonderlijke omstandigheden, maar slechts van een voorkomend geval, waarvan hier naar het oordeel van het hof sprake is. Er is in casu sprake van een verhuizing en [naam2] heeft geen mentor die hem bij de verhuizing kon ondersteunen. In dit geval is de bewindvoerder de aangewezen persoon om betrokkene bij de verhuizing te ondersteunen, waarvoor overeenkomstig artikel 3, vijfde lid, onder b van de Regeling een beloning van € 388,00 wordt toegekend.
Het hof zal daarom de bestreden beschikking vernietigen en alsnog de verzochte beloning voor de verhuizing toekennen.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 22 februari 2024 en opnieuw beschikkende:
stelt de eenmalige beloning van de bewindvoerder wegens verhuiskostenvergoeding vast op € 388,00.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, K.A.M. van Os- ten Have en E. de Boer, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier, is getekend en is op 4 februari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.