ECLI:NL:GHARL:2025:5668

ECLI:NL:GHARL:2025:5668, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-09-2025, 21-003795-24

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 15-09-2025
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer 21-003795-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Veroordeling voor drugshandel. Verweren ten aanzien van de periode. Veroordeling tot gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 14 voorwaardelijk.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedatum] 1983,

naar eigen opgave ter zitting wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 september 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd de inbeslaggenomen verdovende middelen aan het verkeer te onttrekken en de geldbedragen van verdachte waar conservatoir beslag op ligt in de ontnemingszaak te verrekenen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. E. Albayrak, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 30 maart 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de hem onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft daarnaast de inbeslaggenomen verdovende middelen aan het verkeer onttrokken.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het betreft de strafoplegging. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. Ook zal het hof aanvullend responderen op de in hoger beroep gevoerde verweren, de bewijsconstructie aanvullen en aanvullend overwegen omtrent het beslag. Het hof zal het vonnis daarom vernietigen voor zover het ziet op de straf, en voor het overige met aanvulling van de gronden bevestigen.

Aanvullend bewijsmiddel

16. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met bijlagen (als bijlage op pagina 50 van het proces-verbaal, genummerd PL0100-2021326688.

Aanvullende bewijsoverwegingen

Ter terechtzitting is door de verdediging aangevoerd dat hoewel verdachte kan worden gezien als een bekennende verdachte en de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen ten aanzien van de bewezenverklaring, de bewezenverklaarde periode in hoger beroep toch ter discussie dient te worden gesteld. Bewezen is verklaard een periode van vijf jaar, echter is dat niet te verifiëren in het dossier en is het eerste aanknopingspunt een bericht van 3 juni 2018. Bij de politie verklaart verdachte dat hij 4 of 5 jaar dealt, en als hem wordt gevraagd of hij in 2016 al dealde en dus langer dan 5 jaar, dan zegt verdachte dat als dat in zijn telefoon staat dat wel zo zou zijn. Pas toen verklaarde hij over 5 jaar. Daarbij is de verklaring van de buurman ook niet een dusdanig duidelijk aanknopingspunt, aldus de verdediging. Hij verklaart er 5 jaar te wonen, maar niet duidelijk is of dat dan 4,5 jaar is of 5,5. Dat had geverifieerd kunnen worden. Nu dat niet is gedaan, verzoekt de verdediging het hof uit te gaan van de eerst verifieerbare datum in het dossier, te weten 3 juni 2018.

Het hof stelt het volgende vast. Uit de bewijsmiddelen en het dossier blijkt het volgende. Verdachte is aangehouden op 11 januari 2022. Wanneer hij bij de politie wordt gehoord, wordt hem door de politie voorgehouden dat er redenen zijn te vermoeden dat hij langer handelt dan een jaar, zoals verdachte in de eerste instantie verklaarde. Verdachte reageerde daarop dat hij 4 of 5 jaar handelt. De politie houdt hem voor dat er meldingen zijn binnengekomen waaruit kan worden opgemaakt dat verdachte al 10 jaar handelt in verdovende middelen. Verdachte zegt dat dat echt niet klopt en dat hij 4 tot 5 jaar handelt. De politie houdt hem voor dat onderzoek is gedaan naar zijn mobiele telefoon, waarin meerdere WhatsApp gesprekken aangetroffen zijn omtrent de koop en verkoop van harddrugs, waarvan eentje dateert van 11 mei 2016. De politie zegt verdachte dat hij zich dan dus al minimaal 5 jaar bezighoudt met handel. Verdachte zegt dat dat kan. Het hof stelt vast dat dat bericht zich niet in het dossier bevindt. Het eerste bericht gerelateerd aan drugsverkoop dat zich in het dossier bevindt dateert van 3 juni 2018. In dat bericht staat: ‘hoi hoi sorry dat ik je app mijn beltegoed is op met jolanda ik heb je een bericht gestuurd.’ Verdachte reageert: ‘ik kom zo.’ Getuige [getuige] is de buurman van verdachte. Hij verklaart dat hij inmiddels 5 jaar in zijn woning woont en dat zolang hij daar woont verdachte drugs verkoopt.

Het hof overweegt als volgt. De buurman van verdachte verklaart duidelijk dat hij al 5 jaar in de woning woont en dat verdachte al die tijd drugs verkoopt. Hij relateert dat aan het moment dat hij in de woning is komen wonen. Het hof heeft geen aanleiding aan te nemen dat die periode anders zou zijn dan dat de getuige heeft genoemd. Het bericht waaraan de raadsman als mogelijk beginpunt van de dealperiode refereert betreft een bericht van ongeveer 3,5 jaar voor de aanhouding van verdachte. De inhoud van het bericht geeft geen aanleiding om te denken dat dat een startpunt is geweest, nu die inhoud duidelijk een voorgeschiedenis impliceert. Daarbij verklaart verdachte zelf ook dat hij 4 tot 5 jaar drugs verkoopt. De suggestie dat verdachte door de vraagstelling van de politie bij een periode van 5 jaar is gekomen volgt het hof niet. Verdachte verklaart uit zichzelf dat hij 4 tot 5 jaar dealt en geeft tegenwicht wanneer de politie hem voorhoudt dat hij wellicht 10 jaar drugs verkoopt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen ten aanzien van de bewezenverklaarde periode en zal het verweer verwerpen.

Aanvullende overwegingen omtrent het beslag

Onder verdachte zijn onder meer twee geldbedragen ter grootte van € 365,- en € 512,40 in beslag genomen. Op die bedragen is conservatoir beslag gelegd. Uit het dossier is gebleken dat verdachte afstand van deze geldbedragen heeft gedaan.

Omdat verdachte hier reeds afstand van heeft gedaan en er geen sprake meer is van strafvorderlijk beslag, zal het hof hierover geen beslissing nemen.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte in hoger beroep eveneens een gevangenisstraf van 42 maanden op te leggen, met aftrek van het voorarrest. De raadsman heeft verzocht verdachte een taakstraf op te leggen en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, mede gelet op de openheid van zaken die verdachte telkens heeft gegeven en de context waarin hij de feiten heeft gepleegd, te weten dat verdachte wegens zijn status niet in staat was op andere wijze inkomen te genereren. Ook heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zijn partner werkt en verdachte zorgt dan voor hun dochter. Ook heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het gegeven dat verdachte gelet op zijn status mogelijk niet in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Het hof overweegt als volgt.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het dealen in cocaïne en heroïne gedurende een periode van vijf jaren en het bezit van cocaïne en heroïne. Deze cocaïne en heroïne waren bestemd voor de verkoop. Door zo te handelen heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van drugsgebruik en drugshandel. Drugshandel veroorzaakt veel overlast voor de samenleving vanwege de andere vormen van criminaliteit die hiermee gepaard gaan, mede om het drugsgebruik te bekostigen.

Het hof heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 augustus 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder ook soortgelijke feiten, echter niet recentelijk.

Het hof heeft eveneens gelet op het verdachte betreffende reclasseringsadvies gedateerd 1 september 2025. De reclassering benoemt dat door de ongewisse uitkomst van de verblijfsstatus van verdachte, hij geen regulier bestaan kan opbouwen in Nederland. De reclassering heeft om die reden geen mogelijkheden om invulling te geven aan een plan van aanpak; betrokkene kan onder andere niet toegeleid worden naar huisvesting, werk en inkomen. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Het hof heeft bij de strafoplegging eveneens rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Als oriëntatiepunt voor het dealen van harddrugs voor de duur van zes tot twaalf

maanden, geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Het hof is van oordeel dat een taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de raadsman is verzocht, geen recht doet aan de ernst van de feiten. Een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal in hoger beroep nogmaals is geëist, is in beginsel passend en geboden voor feiten als deze. Het hof houdt echter ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen, en zal een deel van die gevangenisstraf om die reden voorwaardelijk opleggen. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 14 (veertien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

Mr. M.E. de Boer, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. J.A.M. Kwakman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. de Jong, griffier,

en op 15 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J. Dolfing is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. Dolfing
  • mr. J.A.M. Kwakman

Griffier

  • mr. D. de Jong

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?