[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedatum] 1983,
volgens eigen opgave ter zitting wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 september 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 125.913,- en het opleggen van een betalingsverplichting aan de Staat van € 125.913,-, te vervangen door 1080 dagen hechtenis. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd de geldbedragen waarop conservatoir beslag ligt te verrekenen met het ontnemingsbedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman, mr. E. Albayrak, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij beslissing van 30 maart 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is het voordeel dat de betrokkene heeft genoten als gevolg van het verkopen, afleveren en vervoeren van cocaïne en heroïne vastgesteld op een bedrag van € 100.000,-. De verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de rechtbank ook vastgesteld op een bedrag van € 100.000,-, te vervangen door 1080 dagen hechtenis.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal de beslissing bevestigen met aanvulling van de gronden, omdat het hof zal responderen op de in hoger beroep gevoerde verweren.
Aanvullende overwegingen
Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat het volledige gevorderde bedrag van € 125.913,- moet worden ontnomen en niet een bedrag van € 100.000,-, zoals de rechtbank heeft gedaan. De redenering dat een aanloopperiode voor het opbouwen van een klantenbestand meegenomen is, is op zichzelf beschouwd te volgen, echter wordt in het dossier gesproken over een dealcontact dat al plaatsvond in 2016. Dat onderliggende document zit weliswaar niet in het dossier, maar het is door de politie aan betrokkene voorgehouden. Dat is neergelegd in een door de politie op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor en dus kan er van worden uitgegaan dat dat contact dat betrokkene in het verhoor wordt voorgehouden daadwerkelijk is aangetroffen. Gebaseerd daarop, en op de verklaring van betrokkene dat het kan zijn dat hij toen al dealde, kan ervan worden uitgegaan dat in die periode – die voor de bewezenverklaarde periode ligt – al werd gedeald en kan die periode als aanloopperiode worden gezien. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd de gelden waar conservatoir beslag op ligt te verrekenen met het voordeel.
De verdediging heeft het hof verzocht het voordeel op een lager bedrag vast te stellen. Allereerst omdat betrokkene volgens de verdediging een kortere periode heeft gedeald dan ten laste is gelegd. Daarbij heeft betrokkene kosten gehad die niet in de berekening mee zijn genomen. De woning van betrokkene heeft een centrale rol gespeeld bij de drugsgerelateerde activiteiten. Blijkens de getuigenverklaringen verkocht verdachte de drugs vanuit zijn woning. Ook is de drugs in zijn woning aangetroffen. De woning speelde een belangrijke rol en het maandelijkse bedrag van € 800,- dat verdachte aan huur betaalde staat daarom in rechtstreeks verband met het verkregen voordeel. Daarom kunnen die kosten in mindering worden gebracht op het voordeel. De verdediging heeft ook verzocht de betalingsverplichting te matigen gelet op de draagkracht van betrokkene en het gegeven dat hij vanwege zijn vreemdelingenstatus geen legaal inkomen kan genereren.
Het hof heeft in de strafzaak van betrokkene met parketnummer 21-003795-24 het vonnis van de rechtbank bevestigd. Daarin heeft de rechtbank verdachte veroordeeld ter zake het verkopen, afleveren en vervoeren van cocaïne en heroïne in de periode van 11 januari 2017 tot en met 10 januari 2022 en het opzettelijk aanwezig hebben van deze middelen. Het hof heeft in dat arrest overwogen geen aanleiding te zien de periode korter vast te stellen, zoals door de raadsman bepleit. Het hof gaat daarom met de rechtbank uit van een periode van 11 januari 2017 tot en met 10 januari 2022.
Ook is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft besloten het voordeel vast te stellen op € 100.000,-, waarbij rekening is gehouden met de omstandigheid dat betrokkene in het begin zijn klantenbestand moest opstarten en daardoor minder winst heeft gemaakt. Hoewel het dossier summiere aanwijzingen bevat dat betrokkene zich reeds voor deze periode bezighield met dealen, zijn deze aanwijzingen naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet om aannemelijk te maken dat betrokkene in de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode al een klantenbestand had opgebouwd.
Ten aanzien van de door de verdediging aangevoerde kosten overweegt het hof als volgt. Betrokkene woonde in de bewezenverklaarde periode in de woning en gebruikte de woning dus ook als zodanig. Het hof is van oordeel dat deze kosten niet voor aftrek in aanmerking komen, gezien deze kosten ook zouden zijn gemaakt indien het delict niet was gepleegd en derhalve niet direct aan dat delict zijn gerelateerd. Daarnaast was de woning ook niet nodig om te kunnen dealen, nu uit het strafdossier, waaronder het berichtenverkeer van betrokkene, blijkt dat hij ook wel drugs bij afnemers afleverde.
Al met al is het hof van oordeel dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel op een juiste wijze heeft vastgesteld op een bedrag van € 100.000,-.
De raadsman heeft vervolgens verzocht de betalingsplicht te matigen, gelet op de draagkracht van betrokkene.
Uit het betrokkene betreffende reclasseringsadvies van 1 september 2025 blijkt dat betrokkene op dit moment wegens zijn status geen legaal werk kan verrichten, geen legaal inkomen kan genereren en geen aanspraak kan maken op sociale voorzieningen. Naar het oordeel van het hof betekent dit niet dat hij op geen enkel moment in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. In dit stadium is niet gebleken dat betrokkene voor de rest van zijn leven geen verdiencapaciteit zal hebben, slechts dat dat op dit moment in Nederland zo is.
Het hof heeft geconstateerd dat er onder betrokkene conservatoir beslag is gelegd op een geldbedrag ter hoogte van in totaal € 877,40. Op goederen die op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering conservatoir in beslag zijn genomen, geschiedt het verhaal op de wijze zoals voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op grond van de onherroepelijke einduitspraak waarbij de ontnemingsmaatregel is opgelegd; deze einduitspraak geldt als executoriale titel. Het hof zal het conservatoir beslag daarom niet verrekenen met de betalingsverplichting. Dergelijk beslag is niet van invloed op de betalingsverplichting en de (mogelijke) verrekening ervan komt pas aan de orde in de executiefase.
Het hof zal de betalingsverplichting niet matigen zodat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals die door de rechtbank op een bedrag van € 100.000,- is vastgesteld, in stand zal blijven.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door
mr. M.E. de Boer, voorzitter,
mr. J. Dolfing en mr. J.A.M. Kwakman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D. de Jong, griffier,
en op 15 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. J. Dolfing is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.