[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 september 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van hetgeen hem ten laste is gelegd tot een taakstraf van 60 uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. B.P.M. Canoy, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft verdachte bij het vonnis waarvan beroep veroordeeld ter zake van het ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 60 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 30 dagen hechtenis. Verder heeft de politierechter de in beslag genomen telefoon en het geldbedrag van € 985,00 verbeurdverklaard.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode tussen 29 september 2023 tot en met 30 september 2023 te [plaats 1] , De [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] en/of [plaats 5] , althans in Nederland opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat hij vrijgesproken dient te worden van hetgeen hem ten laste is gelegd. [verbalisant] (hierna: de verbalisant) noemt in het proces-verbaal van bevindingen van 30 september 2023 verschillende omstandigheden op grond waarvan bij hem een verdenking was ontstaan van het overtreden van de Opiumwet door verdachte. Deze omstandigheden zijn echter onvoldoende voor een dergelijke verdenking en daarmee onvoldoende voor de toepassing van de bevoegdheden op grond van de Opiumwet. Door desondanks de auto van verdachte te openen en te doorzoeken, is sprake geweest van een vormverzuim. Dit moet tot gevolg hebben dat het aldus verkregen bewijs uitgesloten dient te worden van het gebruik voor het bewijs van het ten laste gelegde feit.
Hetzelfde geldt voor zover niet van de bevoegdheden op grond van de Opiumwet, maar van de controlebevoegdheid op grond van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW1994) gebruik zou zijn gemaakt. De verbalisant benoemt namelijk dat hij het vermoeden had dat verdachte de Opiumwet had overtreden. Wanneer sprake is van een dergelijk vermoeden, mag de controlebevoegdheid op grond van de WVW1994 niet worden ingezet met als doel om dat vermoeden nader te onderzoeken. In dat geval is namelijk sprake van misbruik van bevoegdheid (détournement de pouvoir).
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder op de navolgende wijze.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 30 september 2023 blijkt dat de verbalisant op die datum in burgerkleding en in een onopvallend dienstvoertuig langs het parkeerterrein van de [bedrijf] in [plaats 6] reed. Dit deed hij omdat hem ambtshalve bekend was dat er op dit terrein doorgaans wordt gehandeld in (hard)drugs. In een hoek van het terrein zag hij vervolgens een rode Volkswagen Polo staan. In dit voertuig zat een man. Nadat de verbalisant dit voertuig even in de gaten hield, zag hij dat er een tweede man aankwam. Deze man stapte bij de andere man in het voertuig. De verbalisant heeft het voertuig gevolgd en hij zag dat het een ronde over de naastgelegen rotonde reed. Vervolgens stapte de man die net was ingestapt, na een ritje van ongeveer 200 meter, met dichtgeknepen hand uit de auto. Gelet op voornoemde omstandigheden heeft de verbalisant de bestuurder van de Volkswagen Polo een stopteken gegeven. De bestuurder bleek verdachte te zijn. Desgevraagd verklaarde verdachte dat zijn vriend weer snel uit de auto was gestapt, omdat hij zijn telefoon was vergeten. Omdat bij hem een vermoeden was gerezen van overtreding van de Opiumwet, heeft de verbalisant het portier van de auto geopend, zonder toestemming van verdachte.
Gelet op de omstandigheden die de verbalisant had geconstateerd, zoals deze hierboven uiteen zijn gezet, is het hof van oordeel dat de verbalisant tot een verdenking van overtreden van de Opiumwet door verdachte heeft kunnen komen. Hij had onder deze omstandigheden geen rekening hoeven houden met de mogelijkheid dat het ging om andere (criminele) activiteiten. Gelet op deze verdenking was de verbalisant op grond van artikel 9, eerste lid en onder a, van de Opiumwet bevoegd om het autoportier te openen en in de auto zoekend rond te kijken.
Na het openen van het portier zag de verbalisant twee telefoons in de auto liggen. De een zat in een houder in de middenconsole en de ander lag onder de bestuurdersstoel. Ook zag hij contant geld in een bekerhouder liggen. Vervolgens heeft verdachte de persoon die eerder uit de auto was gestapt, gebeld zodat deze zijn verhaal zou kunnen bevestigen. Eenmaal ter plaatse gekomen, bleek dat het hier om [getuige] ging. Deze getuige verklaarde desgevraagd dat verdachte hem buiten [plaats 6] had opgehaald, hem bij de [bedrijf] had gebracht en dat daartussenin niets anders was gebeurd. Dit verhaal sluit niet aan bij verdachtes eerdere verklaring en de waarnemingen van de verbalisant.
Gelet op deze bijkomende omstandigheden, die het eerdere vermoeden van de verbalisant bevestigden, heeft de verbalisant verdachte gewezen op zijn rechten en zijn auto doorzocht. Hierbij zijn geen drugs aangetroffen. Het contante geldbedrag en de twee telefoons die wel in de auto lagen, heeft de verbalisant in beslag genomen. Naar het oordeel van het hof heeft de verbalisant ook tot uitoefening van deze onderzoeksbevoegdheden mogen overgaan. Hiertoe was hij immers bevoegd op grond van artikel 96b lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (en artikel 9, derde lid, van de Opiumwet).
Bij het onderzoeken van de onder verdachte in beslag genomen telefoons bleek dat daarin meerdere chatgesprekken stonden. Uit deze gesprekken kan worden afgeleid dat hierin werd gesproken over de handel in cocaïne in de ten laste gelegde periode. Verschillende personen uit deze gesprekken zijn vervolgens als getuige gehoord. Zij hebben in hun verklaring aangegeven dat zij via chatberichten drugs bestelden. Verder hebben zij ofwel verdachte van een foto herkend als de persoon die de drugs bij hen bracht, ofwel een bij verdachte passend signalement gegeven van deze persoon.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode tussen 29 september 2023 tot en met 30 september 2023 te [plaats 1] , De [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] en [plaats 5] , opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft hierbij in het bijzonder het navolgende meegewogen.
Verdachte heeft zich gedurende de ten laste gelegde periode schuldig gemaakt aan handel in cocaïne. Hierbij ging verdachte professioneel te werk. Drugsgebruikers konden gemakkelijk via chatberichten drugs bestellen. Verdachte bracht dit vervolgens bij hen langs. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs schadelijk is voor de volksgezondheid en bij de gebruikers ervan kan leiden tot verslaving. Door zijn handel heeft verdachte de drugsafnemers hieraan blootgesteld. Bovendien gaat harddrugshandel doorgaans gepaard met overlast in de samenleving en leidt het tot vele vormen van criminaliteit met maatschappelijke schade als gevolg. Door het bewezenverklaarde handelen heeft verdachte hieraan bijgedragen. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en geen inzicht getoond in de schadelijke gevolgen hiervan.
Het hof heeft tevens acht geslagen op het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 13 augustus 2025 van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andere strafbare feiten.
Ook heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij samen met zijn vriendin en dochter in een huurwoning woont. Verdachte heeft geen schulden. Hij heeft momenteel geen baan, maar draagt zorg voor het huishouden. Verdachte ontvangt een Wajonguitkering en verdient geld bij met pokeren.
Gelet op het hiervoor overwogene, waaronder nadrukkelijk begrepen de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen zoals hierboven uiteengezet, acht het hof passend en geboden de oplegging van een taakstraf van 120 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren. Verdachte heeft voor zijn dealen in harddrugs geen enkele verantwoordelijkheid genomen, sterker nog: hij heeft de boot geheel afgehouden. Bij deze stand van zaken vindt het hof de oplegging van de zojuist genoemde straf alleen al uit het oogpunt van normbevestiging van belang Het hof is verder van oordeel dat de oplegging van ook een voorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval noodzakelijk is om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom soortgelijke strafbare feiten te plegen, nu verdachte geen inzicht heeft getoond in de schadelijke gevolgen van zijn handelen.
Beslag
De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen behoren aan verdachte toe. Zij zullen worden verbeurd verklaard aangezien zij geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde zijn verkregen, dan wel doordat zij bij het begaan van het bewezenverklaarde zijn gebruikt. Hierbij heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Aldus gewezen door
mr. T.H. Bosma, voorzitter,
mr. G.A. Versteeg en mr. E. Pennink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier,
en op 24 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.