ECLI:NL:GHARL:2025:6763

ECLI:NL:GHARL:2025:6763, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-10-2025, 25/229

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 28-10-2025
Datum publicatie 07-11-2025
Zaaknummer 25/229
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Wet Woz. Waardevaststelling woning.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 25/229

uitspraakdatum: 28 oktober 2025

Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) van 30 december 2024, nummer ZWO 23/2548, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de regionale belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte (hierna: de heffingsambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 26 te [plaats1] (hierna: de woning) voor het jaar 2023, per waardepeildatum 1 januari 2022, vastgesteld op € 251.000.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de WOZ-beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Namens belanghebbende is verschenen [naam1] . Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam2] en taxateur [naam3] . De zaken met de nummers 25/229 en 25/231 tot en met 25/234 zijn ter zitting gezamenlijk behandeld.

2. Overwegingen

In hoger beroep heeft belanghebbende betoogd dat (i) de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld, (ii) in de bezwaarfase het inzagerecht van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is geschonden, (iii) de heffingsambtenaar de verplichting van artikel 40 lid 2 Wet WOZ heeft geschonden, en (iv) de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. De heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvattingen toegedaan.

WOZ-waarde

Belanghebbende heeft de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de woning van € 251.000 gemotiveerd betwist. Daarom rust op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat de vastgestelde waarde niet te hoog is.

Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van € 251.000 wijst de heffingsambtenaar op een taxatiematrix waarin de waarde is getaxeerd op € 251.000. In deze matrix is zowel het kwaliteits- als voorzieningenniveau gewaardeerd op gemiddeld.

In hoger beroep betoogt belanghebbende dat de heffingsambtenaar bij de waardevaststelling onvoldoende rekening heeft gehouden met het matige kwaliteits- en voorzieningenniveau van de woning. Nu belanghebbende een beroep doet op feiten en omstandigheden die tot een lagere waardering van de woning leiden, is het aan hem om te bewijzen dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden.

Met de door belanghebbende bij de Rechtbank ingebrachte foto’s is belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd dat in relatie tot de vergelijkingsobjecten het kwaliteits- en voorzieningenniveau van de onderhavige woning minder is. Daarom kan het betoog van belanghebbende niet slagen.

Het vorenstaande brengt mee dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.

Formele grieven

Wat betreft de formele grieven (ii) tot en met (iv) zijn partijen ter zitting bij wijze van compromis het volgende overeengekomen:

a. de heffingsambtenaar vergoedt de proceskosten voor de beroeps- en hogerberoepsfase tot een bedrag van in totaal € 250;

b. de heffingsambtenaar vergoedt de betaalde griffierechten tot een bedrag van in totaal € 143;

c. belanghebbendes gemachtigde trekt in de zaken 25/295, 25/555, 25/1178, 25/1180 – welke zaken op 13 november 2025 ter zitting van het Hof worden behandeld – de formele grieven (ii) tot en met (iv) in zodat deze grieven in die zaken geen behandeling meer behoeven.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is.

Opmerking verdient dat voornoemde bedragen op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 30a, lid 4 Wet WOZ uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dienen te worden uitbetaald.

3. Beslissing

Het Hof:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.

De beslissing is op 28 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.

(P.W.L. van den Bersselaar) (A.J.H. van Suilen)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand