GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 3 januari 2025, betreffende
wonende te 's-Gravenhage.
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.
2. De gemachtigde van de betrokkene is het niet eens met de beslissingen van de officier van justitie en de kantonrechter. Van meet af aan heeft de betrokkene aangegeven dat zij slachtoffer is van fraude en diefstal van haar huissleutels. De aangifte bevindt zich in het dossier. Door de diefstal van de huissleutels had een ander persoon toegang tot de woning van de betrokkene en is de post van de betrokkene achtergehouden. De betrokkene nam pas kennis van de onderhavige sanctie door de aanmaning en kon pas vanaf dat moment in beroep gaan. De overschrijding van de beroepstermijn kan redelijkerwijs niet aan de betrokkene worden toegerekend.
3. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
4. De inleidende beschikking is op 10 juni 2022 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 22 juli 2022. Het beroepschrift is gedateerd 25 augustus 2022. De envelop waarin het beroepschrift is verzonden, is blijkens het daarop geplaatste poststempel op diezelfde dag afgestempeld. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld.
5. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt - kort gezegd - dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.
6. De betrokkene heeft bij het administratief beroepschrift een proces-verbaal aangifte d.d. 20 augustus 2022 betreffende identiteitsfraude overgelegd. Hierin verklaart de betrokkene dat zij op 19 augustus 2022 een aanmaning van het CJIB in haar brievenbus aantrof. Deze eveneens door de betrokkene overlegde aanmaning heeft betrekking op de onderhavige sanctie. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is en het beroep tegen de inleidende beschikking ontvankelijk moet worden geacht.
7. Het hof zal gelet op het voorgaande de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, de beslissing van de vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. Hetgeen overigens is aangevoerd betreffende de beslissing van de officier van justitie behoeft derhalve geen bespreking meer.
8. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 mei 2022 om 12.45 uur op de Vaillantlaan kruising Hoefkade richting Laak in 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
9. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. De gemachtigde voert daartoe aan dat het voertuig waarmee de gedraging is begaan door identiteitsfraude op de naam van de betrokkene is gezet. De betrokkene is niet in het bezit van het voertuig en heeft het voertuig nooit gezien. De betrokkene kan de gedraging derhalve niet hebben begaan.
10. In zaken die op grond van de Wahv worden afgedaan is de kentekenhouder op de voet van artikel 5 van de Wahv aansprakelijk voor betaling van de sanctie wegens een gedraging die is begaan met het voertuig waarvan het kenteken op zijn naam staat, indien niet onmiddellijk is vastgesteld wie de bestuurder daarvan was op het moment van de gedraging. Met het innemen van het standpunt dat de betrokkene door identiteitsfraude kentekenhouder van het betrokken voertuig is geworden en het overleggen van voornoemde aangifte is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk geworden dat het kenteken van het betrokken voertuig ten tijde van de gedraging ten onrechte op de naam van de betrokkene stond. De aangevoerde grond slaagt niet.
11. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
12. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, in ogenschouw nemend het arrest van het hof van 24 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5863, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 566,88 (= (1 x € 907,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,5 x 0,25)).
13. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 187,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 566,88.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.