GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht,
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 29 april 2025, betreffende
beweerdelijk optredende namens:
wonende te [woonplaats] .
De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
Mr. Rissema heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
2. Uit het dossier blijkt dat bij inleidende beschikking van 20 juli 2023 aan de betrokkene een sanctie van € 296,- is opgelegd vanwege een snelheidsoverschrijding. Uit het zaakoverzicht volgt dat de beschikking op 18 augustus 2023 door de opsporingsinstantie is ingetrokken. De openstaande vordering is op 12 september 2023 op € 0,00 gezet. Op 22 augustus 2023 is, via het Digitaal Loket Verkeer, door mr. Rissema beroep tegen de inleidende beschikking ingesteld. De officier van justitie heeft bij beslissing van 19 september 2023 het beroep van de betrokkene wegens het ontbreken van belang bij de beoordeling daarvan niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen omdat de opsporingsinstantie de beschikking heeft ingetrokken voordat beroep is ingesteld.
3. Tegen deze beslissing is door mr. Rissema beroep bij de kantonrechter ingesteld. Dat beroep richt zich tegen het niet toekennen van een proceskostenvergoeding door de officier van justitie. De kantonrechter heeft dit beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat door mr. Rissema geen (toereikende) machtiging is ingebracht.
4. Het bovenstaande brengt mee dat gelet op artikel 14 van de Wahv geen hoger beroep openstaat tegen de beslissing van de kantonrechter.
5. Mr. Rissema voert onder meer aan dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten, omdat hij noch de betrokkene een oproep heeft ontvangen voor (naar het hof begrijpt) de vervolgzitting van de kantonrechter.
6. In artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten (zie het arrest van dit hof van 12 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
7. Het hof stelt vast dat mr. Rissema toegang tot de rechter heeft gehad en er daarom geen aanleiding bestaat het appelverbod buiten toepassing te laten. Hiertoe overweegt het hof dat de kantonrechter het beroep op de openbare zitting van 23 augustus 2024 heeft behandeld. Voor deze zitting is mr. Rissema uitgenodigd, maar niet verschenen. Op die zitting heeft de kantonrechter geoordeeld dat het ingediende beroepschrift niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet omdat een toereikende machtiging ontbreekt en Rissema in de gelegenheid gesteld deze machtiging alsnog over te leggen en wel binnen vier weken na de verzending van de tussenbeslissing. Mr. Rissema had - als hij was verschenen - daarover ter zitting zijn standpunt naar voren kunnen brengen.
8. Weliswaar is het uitgangspunt dat als de behandeling ter zitting is aangehouden, een vervolgzitting dient plaats te vinden, maar het hof ziet in dit geval geen aanleiding gevolgen te verbinden aan de omstandigheid dat de kantonrechter dat heeft nagelaten. De enkele vaststelling van de kantonrechter dat het verzuim een (toereikende) machtiging te overleggen niet binnen de daartoe gestelde termijn was hersteld, brengt niet mee dat de rechtens te erkennen belangen van mr. Rissema zijn geschaad door het niet houden van een vervolgzitting (zie ook het arrest van dit hof van 13 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10877).
9. Gelet op het bovenstaande zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet.
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.