GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
zaaknummer gerechtshof 200.358.054
zaaknummer rechtbank Gelderland 453432
beschikking van 20 november 2025
over de uithuisplaatsing van [minderjarige] ,
in de zaak van
[appellante] (de moeder),
die woont in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. D.E. Post,
tegen
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland (de GI),
die is gevestigd in Arnhem.
Ook is als belanghebbende aangemerkt:
[belanghebbende] (de oma),
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: D.E. de Boer.
1. Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de kinderrechter), heeft een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2. De feiten
De moeder is belast met het gezag over [minderjarige] , geboren [in]
2015 in Tilburg.
[minderjarige] staat onder toezicht van de GI. De huidige termijn van deze ondertoezicht-stelling loopt tot 24 april 2026.
3. De procedure bij de kinderrechter
De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 juni 2025 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) tot 25 juli 2025 en de beslissing over de rest van het verzoek van de GI aangehouden.
De kinderrechter heeft bij opvolgende beschikking van 2 juli 2025 (de bestreden beschikking) een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 25 juli 2025 tot 25 januari 2026.
4. De procedure bij het hof
De moeder is het niet eens met de genoemde beschikkingen van de kinderrechter van 27 juni 2025 en 2 juli 2025 voor wat betreft de plek waar de maatregel wordt uitgevoerd. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij verzoekt het hof om beide beschikkingen te vernietigen en een machtiging te verlenen om [minderjarige] met ingang van 2 juli 2025 te plaatsen bij de oma voor de duur van drie maanden of anders zes maanden.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft. Zij vraagt het hof om het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking van 2 juli 2025 te bekrachtigen.
De oma heeft een verweerschrift ingediend. Zij is het eens met het verzoek van de moeder in hoger beroep en zij vraagt het hof om dat verzoek toe te wijzen en [minderjarige] bij haar (de oma) te plaatsen.
De informatie die het hof heeft ontvangen
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift, ingekomen op 13 augustus 2025;
het verweerschrift van de GI;
de brief van de raad voor de kinderbescherming van 29 augustus 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
het journaalbericht namens de oma van 4 september 2025;
het verweerschrift van de oma;
het journaalbericht namens de moeder van 9 oktober 2025 met bijlagen.
[minderjarige] heeft op 20 oktober 2025 gesproken met een raadsheer (rechter) en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing.
De zitting bij het hof was op 23 oktober 2025. Aanwezig waren:
de moeder met haar advocaat;
twee vertegenwoordigers van de GI;
de oma met haar advocaat.
5. Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
Op grond van artikel 1:265a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging geven om een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding of voor onderzoek van het kind.
Hoe oordeelt het hof?
De moeder heeft in hoger beroep uiteengezet dat zij begrijpt dat [minderjarige] niet bij haar kan wonen en dat zij in dat opzicht instemt met een uithuisplaatsing van [minderjarige] . De moeder is het echter niet eens met de plek van de uithuisplaatsing, te weten het gezinshuis.
Het hof stelt voorop dat de moeder niet kan worden ontvangen in haar verzoek om een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij de oma. Een verzoek tot het geven van een machtiging tot uithuisplaatsing kan niet door een ouder worden gedaan. Op grond van artikel 1:265b lid 2 BW kan een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen slechts worden gedaan door de GI, de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie.
Daarnaast is het hof van oordeel dat de rechter is gebonden aan de categorie waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht. De GI heeft in dit geval aan de kinderrechter verzocht om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Als de kinderrechter van oordeel was geweest dat [minderjarige] beter op haar plek was geweest bij de oma (een netwerkplaatsing) dan had de kinderrechter niets anders kunnen beslissen dan het verzoek afwijzen. De kinderrechter (en dus ook het hof) heeft niet de bevoegdheid om in de plaats van een verzochte machtiging voor een uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder een machtiging voor een netwerkuithuisplaatsing (bij de oma) af te geven.
Gelet op al het voorgaande ziet het hof geen aanleiding voor een verdere inhoudelijke behandeling van de grieven van de moeder. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 2 juli 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, H. Phaff en E. de Boer, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.