ECLI:NL:GHARL:2025:7358

ECLI:NL:GHARL:2025:7358, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-11-2025, 24/153

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 18-11-2025
Datum publicatie 28-11-2025
Zaaknummer 24/153
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Wet Woz. Bezwaar uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken?

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 24/153

uitspraakdatum: 18 november 2025

Uitspraak van de negentiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 23 november 2023, nummer LEE 22/3930, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente De Wolden (hierna: de heffingsambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 23 te [plaats1] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2021, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 376.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

Bij bericht van 11 juni 2025 heeft de griffier van het Hof partijen medegedeeld dat het Hof het voornemen heeft om het onderzoek ter zitting achterwege te laten en partijen in de gelegenheid gesteld om, indien zij wel gehoord wensen te worden, dat uiterlijk 25 juni 2025 aan het Hof te berichten. Geen van de partijen heeft om een zitting verzocht, waarna het Hof het onderzoek heeft gesloten.

2. Vaststaande feiten

De aanslag is gedagtekend 28 februari 2022 en is gericht aan [belanghebbende] .

De gemachtigde van belanghebbende heeft op 15 maart 2022 een bezwaarschrift ingediend tegen voornoemde aanslag.

Op 22 september 2022 is vanaf het mailadres [e-mailadres1] de volgende mail naar de heffingsambtenaar gestuurd:

‘(…)

Het bureau zou ons nog terug bellen.

Daar zouden wij nog aangeven wat wij willen

Je hoeft niet te komen. Wij zien er vanaf om verder te gaan met een bezwaar.

(…).’

De heffingsambtenaar heeft op 22 september 2022 per mail de intrekking van het bezwaar bevestigd.

‘Geachte mevrouw [naam],

Dank voor uw bericht.

Hierbij bevestig ik de intrekking van uw bezwaar.

Met vriendelijke groet,

(…)’

De heffingsambtenaar heeft op 28 september 2022 uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij het volgende meegedeeld:

‘Geachte heer/mevrouw,

Op 15 maart 2022 ontving ik uw brief. Daarin maakt u namens [naam belanghebbende] bezwaar tegen het aanslagbiljet gemeentelijke heffingen met nummer [nummer1] . Het gaat om de aanslag voor [adres].

Uw client heeft aangegeven dat hij/zij de procedure wil stoppen. Ik beschouw uw bezwaarschrift als afgehandeld. Voor meer formatie verwijs ik u naar uw client.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

De heffingsambtenaar.’

Over de voorzetting van de procedure heeft de gemachtigde van belanghebbende met belanghebbende contact opgenomen. In de mail van 8 juni 2023 aan het onder 2.3 genoemde e-mailadres schrijft de gemachtigde het volgende:

‘Goedenavond mevrouw [naam],

Aan mij heeft u destijds telefonisch gemeld dat u dacht dat [bedrijf1] u adviseerde akkoord te gaan met de opgelegde waarde. U had het verkeerd begrepen en wilde het bezwaar door laten lopen en vond het gedrag van de gemeente niet correct. Kunt u mij dat nog even schriftelijk bevestigen doormiddel van een reactie op deze mail.

Op het aanslagbiljet staat [belanghebbende] vermeld, als u dat zelf bent is uw reactie voldoende. Anders dient [belanghebbende] te bevestigen dat het bezwaar inhoudelijk behandeld diende te worden.

Alvast hartelijk dank voor de reactie.

Met vriendelijke groet,

(…)’

Op voornoemde mail (zie 2.6) heeft belanghebbende op 11 juni 2023 per mail vanaf het onder 2.3 vermelde e-mailadres het volgende gereageerd:

‘Dag [naam],

Inderdaad de gemeente zette ons op het verkeerde been.

Met vriendelijke groet,

[naam belanghebbende].’

3. Geschil

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende zijn bezwaar heeft ingetrokken gedurende de bezwaarfase, en of de heffingsambtenaar zorgvuldig heeft gehandeld. Belanghebbende beantwoordt die vragen ontkennend en de heffingsambtenaar beantwoordt die vragen bevestigend.

4. Beoordeling van het geschil

Belanghebbende stelt dat het bezwaar gedurende de bezwaarfase niet is ingetrokken. Hiertoe voert hij allereerst aan dat de onder 2.3 genoemde e-mail niet door hemzelf maar door zijn partner is verstuurd. Daarnaast stelt belanghebbende dat de intrekking niet duidelijk en ondubbelzinnig heeft plaatsgevonden. Belanghebbende (of mevrouw [naam1] ) heeft immers duidelijk aangegeven dat zij in de veronderstelling was dat zijn/haar gemachtigde had geadviseerd het bezwaar in te trekken, maar dit bleek een medewerker van de gemeente De Wolden te zijn. Daarnaast is de zinssnede ‘wij zien er vanaf om verder te gaan met een bezwaar’ geen duidelijke en ondubbelzinnige intrekking, aldus belanghebbende.

De heffingsambtenaar stelt dat het bezwaar door belanghebbende wel duidelijk en ondubbelzinnig is ingetrokken en dat geen sprake is van onzorgvuldig handelen of een wilsgebrek aan de zijde van belanghebbende.

Op grond van artikel 6:21 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bezwaar door de indiener schriftelijk worden ingetrokken. De verklaring dat het bezwaar wordt ingetrokken, dient uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te zijn (vgl. HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0277).

De intrekking van een bezwaar na afloop van de bezwaartermijn kan niet ongedaan worden gemaakt, tenzij de intrekking onbevoegdelijk is gedaan dan wel van een wilsgebrek sprake is, zoals dwang, dwaling of bedrog (vgl. Centrale Raad van Beroep 22 december 2020 ECLI:NL:CRVB:2020:3417. Binnen de bezwaartermijn kan een ingetrokken bezwaar ongedaan worden gemaakt (vgl. Centrale Raad van Beroep 18 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1014; anders HR 9 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7551, BNB 1988/76).

Het Hof is van oordeel dat, met het e-mailbericht van 22 september 2022 (zie 2.3), het namens belanghebbende ingediende bezwaar uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is ingetrokken en overweegt daartoe als volgt.

Wat betreft de vraag of het bezwaar bevoegdelijk is ingetrokken, is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar op grond van de omstandigheid dat de onder 2.3 genoemde e-mail is verzonden vanaf het e-mailadres van belanghebbende en dat daarin is verklaard: ‘Het bureau zou ons nog terugbellen. Daar zouden wij nog aangeven wat wij willen. Je hoeft niet te komen. Wij zien er vanaf om verder te gaan met een bezwaar. [onderstreping Hof]’, niet alleen redelijkerwijs mocht aannemen dat het (mede) belanghebbendes bedoeling was het bezwaar in te trekken, maar ook dat een toereikende volmacht aan de partner van belanghebbende was verleend om dat te doen. Het risico dat zijn partner al dan niet bevoegd e-mails kon versturen vanaf het e-mailadres van belanghebbende dient naar het oordeel van het Hof voor rekening van belanghebbende te blijven. In de omstandigheid dat belanghebbende niet rechtstreeks heeft gereageerd op de onder 2.4 genoemde e-mail - waarin de heffingsambtenaar de intrekking van het bezwaar bevestigt - ziet het Hof aanleiding om aan te nemen dat het daadwerkelijk belanghebbendes bedoeling was het bezwaar in te trekken.

Het dossier bevat verder geen aanknopingspunten die belanghebbendes standpunt onderbouwen dat, zoals wordt verklaard in de onder 2.7 genoemde e-mail, de heffingsambtenaar enige informatie heeft verstrekt waarmee hij belanghebbende op het verkeerde been zou hebben gezet. Ook overigens bevat het dossier geen aanknopingspunten die de conclusie rechtvaardigen dat de intrekking is gedaan onder invloed van een wilsgebrek, zoals dwang, dwaling of bedrog.

Dat de heffingsambtenaar het contact niet via de gemachtigde van belanghebbende heeft laten lopen is, anders dan de gemachtigde betoogt, ten slotte evenmin reden om aan te nemen dat de heffingsambtenaar onzorgvuldig heeft gehandeld. De heffingsambtenaar heeft immers onweersproken gesteld dat met gemachtigde – met het oog op het uitvoeren van de inpandige opnames – is afgesproken dat de heffingsambtenaar rechtstreeks met hun cliënten contact mocht opnemen.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, lid van de negentiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van A. Tax als griffier.

De beslissing is op 18 november 2025 in het openbaar uitgesproken.

(A. Tax) (T.H.J. Verhagen)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Belastingblad 2026/42 met annotatie van J.M.J.F. Jansen
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?