GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1343
uitspraakdatum: 18 november 2025
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] h.o.d.n. [naam1] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 31 maart 2023, nummer AWB 22/273, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur)
1. Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 869.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder in de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
Belanghebbende heeft een ander stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam2] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam3] en mr. [naam4] verschenen.
2. Feiten
Belanghebbende heeft op 3 juni 2020 een Audi Q5 3.0 TDI quattro SUV met een CO2-uitstoot van 169 gr/km (hierna: de auto) gekocht voor € 14.516 (excl. btw). Het bouwjaar van de auto is 2015.
Belanghebbende heeft voor de auto op aangifte een bedrag van € 1.754 aan BPM voldaan. Bij de aangifte van 25 juni 2020 is een taxatierapport met dagtekening 23 juni 2020 gevoegd waarin de schade is gecalculeerd op € 8.705. Deze schade is voor 72% in mindering gebracht op de op basis van een koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport met dagtekening 1 juli 2020 opgemaakt. In dit rapport is de schade gecalculeerd op € 3.074, waarvan 72% in mindering is gebracht op de handsinkoopwaarde. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd ten bedrage van € 869. Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend:
Catalogusprijs
€ 65.415
BPM (CO2-uitstoot 169 gr/km; tarief 2014)
17.069
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
82.484
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Xray marge)
14.423
Schade (72% van € 3.074)
-/- 2.213
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
12.210
Afschrijving
85,20%
Historische BPM (CO2-uitstoot 169 gr/km; tarief 2015)
18.666
Afschrijving (85,20%)
-/- 15.903
= Verschuldigde BPM
2.763
Extra leeftijdskorting (1,256% * € 11.124)
-/- 140
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 1.754
Naheffingsaanslag
€ 869
De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 22 september 2020 plaatsgevonden.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag gehandhaafd. De Rechtbank heeft onder meer overwogen dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10 lid 2 Wet BPM de consumentenprijs (= historische nieuwprijs) kan worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de referentieauto (met een bouwjaar van 2014) is verschuldigd. Verder heeft de Rechtbank geen aanleiding gezien met meer schade rekening te houden dan de Inspecteur heeft gedaan.
3. Geschil
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
i) dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10 lid 2 Wet BPM de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (naar het tarief van 2015) is verschuldigd, en niet aan de hand van de BPM die voor de referentieauto (naar het tarief van 2014) is verschuldigd;
ii) dat de handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met € 6.268 (72% van € 8.705) wegens meer dan normale gebruiksschade; en
iii) dat wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep een schadevergoeding moet worden toegekend.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4. Beoordeling van het geschil
Historische nieuwprijs; BPM van te registreren auto
Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen. Nu de eerste ingebruikname van de auto op 19 maart 2015 heeft plaatsgevonden, dient het tarief aan BPM van het jaar 2015 in aanmerking te worden genomen. Tussen partijen is niet langer in geschil dat in dat geval ter bepaling van de historische nieuwprijs rekening moet worden gehouden met een bedrag aan BPM van € 18.666, en dat de naheffingsaanslag alsdan dient te worden verminderd tot € 820. Het gelijk op dit punt is aan belanghebbende.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade
Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat op basis van het taxatierapport meer schade in aanmerking moet worden genomen dan waarvan de Inspecteur en de Rechtbank zijn uitgegaan. Aangezien belanghebbende in hoger beroep zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel dan dat van de Rechtbank.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende heeft bij de Rechtbank weliswaar niet verzocht om vergoeding van immateriële schade, maar omdat de redelijke termijn eerst is verstreken (op 8 december 2022) na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak (11 oktober 2022), wordt geen verzoek om vergoeding van immateriële schade verlangd. Daarom had de Rechtbank ambtshalve een vergoeding van immateriële schade van € 500 moeten toekennen. Nu dit niet is gebeurd, dient het hoger beroep ook om die reden gegrond te worden verklaard.
Ook in hoger beroep is de redelijke termijn overschreden. Nu het financieel belang in onderhavige procedure evenwel minder dan € 1.000 bedraagt, zal worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.
Slotsom
Gelet op het overwogene in 4.1 en 4.3 is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.
5. Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 360 en € 548.
Het Hof vindt bovendien aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.294 voor de bezwaarfase (1 punt voor bezwaarschrift, 1 punt voor hoorzitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 647), op € 1.814 voor de beroepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 907) en op € 1.814 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 907).
Wat betreft de vergoeding voor de ‘comparitiefase’ in hoger beroep (zie onderdeel 1.6) ziet het Hof aanleiding artikel 2 lid 3 Bpb toe te passen. Het Hof heeft in die comparitiefase vele zaken (ongeveer honderd) gezamenlijk behandeld met het oog op het structureren van de vele aanhangige hogerberoepsprocedures van de gemachtigde en de Inspecteur door (te pogen om te komen tot) het maken van werkafspraken. De verschillende zaken zelf zijn daarbij niet inhoudelijk behandeld. In aanmerking genomen deze bijzondere omstandigheden, zou het vasthouden aan het forfaitaire puntensysteem van het Bpb voor de comparitiefase waarin twee zittingen zijn gehouden en verschillende stukken zijn gewisseld, naar het oordeel van het Hof leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Daarom kent het Hof voor de comparitiefase per (samenhangende) zaak een vergoeding van € 400 toe.
6. Beslissing
Het Hof:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.
De griffier, De raadsheer,
(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.