GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.564
(zaaknummer rechtbank Gelderland 434992)
beschikking van 25 november 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg,
en
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. C.J.M. van Gent te Zaltbommel.
1. De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 6 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 25 februari 2025;
het verweerschrift met productie;
een journaalbericht van mr. Van Gent van 2 oktober 2025.
De zitting was op 14 oktober 2025. Daarbij was de advocaat van de vrouw aanwezig. De man en zijn advocaat waren, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet bij de zitting aanwezig.
3. De feiten
De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige] ( [minderjarige] ), geboren [in] 2016 in ’ [geboorteplaats] . [minderjarige] woont bij de vrouw. De vrouw heeft alleen het gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 18 april 2017 heeft de rechtbank beslist dat de man met ingang van 1 november 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]
€ 280,- per maand aan de vrouw dient te betalen.
Bij beschikking van 18 februari 2020 is het verzoek van de man om de beschikking van 18 april 2017 te wijzigen en de kinderalimentatie op nihil te stellen, afgewezen.
Bij beschikking van 16 februari 2021 heeft dit hof de beschikking van 18 februari 2020 bekrachtigd.
Bij vonnis in kort geding van 3 april 2023 is aan het LBIO verlof verleend om de beschikking van 18 april 2017 ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang voor de duur van ten hoogste een half jaar tot een bedrag van € 25.428,46 aan kinderalimentatie is voldaan.
Bij vonnis is kort geding van 13 november 2023 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant de gijzeling van de man opgeheven.
4. Het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de bij beschikking van 18 april 2017 bepaalde bijdrage gewijzigd en met ingang van 19 april 2024 vastgesteld op € 25,- per maand, het meer of anders verzochte afgewezen en bepaald dat de man en de vrouw elk hun eigen proceskosten moeten betalen.
De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De man verzoekt bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de man tot nihilstelling van de onderhoudsbijdrage vanaf 1 november 2016 alsnog toe te wijzen.
De vrouw voert verweer en zij verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaring in zijn hoger beroep, althans hem de verzoeken te ontzeggen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De overwegingen voor de beslissing
In artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over alimentatie bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij door wijziging van omstandigheden niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
De man stelt dat de beschikking van 18 april 2017 van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. Volgens de man heeft hij aangetoond dat hij in Turkije in het verleden geen inkomsten heeft gegenereerd en ook nu geen inkomsten genereert. De man verwijst daarvoor naar het kort geding vonnis van de voorzieningenrechter van 13 november 2023. Volgens de man blijkt uit dat vonnis dat de man in die procedure voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Turkije geen inkomsten geniet of heeft genoten. Daarnaast verwijst de man naar een Turkse verklaring van 19 oktober 2023 waaruit zou blijken dat hij ook in het verleden geen inkomsten heeft gehad in Turkije, aldus de man.
De vrouw betwist dat gemotiveerd. De man heeft zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. De man neemt in dit beroep geen nieuwe dan wel beter gemotiveerde en onderbouwde stellingen in. Uit de beslissing van de voorzieningenrechter blijkt niet dat de man ten tijde van de beslissing van 18 april 2017 niet over voldoende inkomsten zou beschikken voor de daarin vastgestelde alimentatie. De man is een bekend artiest in Turkije, brengt muziek uit en geeft optredens, aldus de vrouw.
Naar het oordeel van het hof heeft de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, zijn stelling dat de beschikking van 18 april 2017 van aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, onvoldoende onderbouwd. De man voert aan dat hij heeft aangetoond dat hij vanaf 1 november 2016 niet alleen in Nederland geen inkomsten heeft gehad (dat staat tussen partijen vast) maar ook in Turkije geen inkomsten heeft (gehad). Dat zou volgens hem blijken uit de door hem ook in eerste aanleg overgelegde Turkse belastingverklaring van 19 oktober 2023. Net als de rechtbank in de bestreden beschikking is het hof op dezelfde gronden die het hof na eigen onderzoek overneemt van oordeel dat uit die verklaring niet valt af te leiden dat de man nooit inkomen heeft gehad in Turkije en dat daarmee de beschikking van 18 april 2017 van aanvang af niet heeft beantwoord aan de wettelijke maatstaven. De man heeft bij productie 5 in eerste aanleg nog een stuk (ter grootte van één A4) in het Turks overgelegd waaruit volgens hem zou blijken dat hij in Turkije geen inkomsten heeft genoten. Behalve dat geen beëdigde vertaling van dat stuk is overgelegd, is het stuk onleesbaar. Ook met dit stuk kan de man zijn stelling niet voldoende onderbouwen. Evenmin volgt uit het vonnis van de voorzieningenrechter van 13 november 2023 dat de man vanaf 1 november 2016 geen inkomen heeft gehad, zoals de man stelt. Het hof neemt daarbij, net als de rechtbank in rechtsoverweging 4.6 van de bestreden beschikking, in aanmerking dat dat vonnis uitgaat van een ander beoordelingskader dan dat in de onderhavige procedure.
De man heeft in hoger beroep geen andere feiten of omstandigheden naar voren gebracht dan hij in eerste aanleg heeft gedaan. Ook heeft hij geen nieuwe stukken overgelegd die zijn standpunt nader zouden kunnen onderbouwen. Daarnaast zijn de man en zijn advocaat niet verschenen op de zitting bij dit hof om het verzoek nader toe te lichten. Het hof merkt op dat dit de tweede procedure is die de man voert over dezelfde stelling, namelijk dat de beschikking van 18 april 2017 van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. Ook in die eerdere procedure heeft de man zowel bij de rechtbank als bij dit hof zijn standpunt onvoldoende onderbouwd.
Nu niet is komen vast te staan dat de man van aanvang af onvoldoende draagkracht had om de vastgestelde kinderalimentatie te kunnen voldoen, is geen sprake van de wijzigingsgrond van artikel 1:401 lid 4 BW.
Omdat de man sinds 19 december 2023 een bijstandsuitkering ontvangt, heeft de rechtbank de door de man te betalen bijdrage op grond van artikel 1:401 lid 1 BW gewijzigd en deze met ingang van 19 april 2024 vastgesteld op € 25,- per maand. Tegen die ingangsdatum is geen grief gericht. Het hof begrijpt uit het petitum van de man dat hij wil dat de kinderalimentatie ook vanaf 19 april 2024 op nihil wordt gesteld. De richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen bevelen aan om bij een niet-verzorgende ouder met een bijstandsuitkering uit te gaan van een minimumdraagkracht van € 25,- per maand. Het hof ziet, net als de rechtbank, geen aanleiding om af te wijken van deze aanbeveling.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
6 december 2024;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, R. Feunekes en
S. Kuijpers en is op 25 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.