ECLI:NL:GHARL:2025:7500

ECLI:NL:GHARL:2025:7500, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-11-2025, 200.347.302/01

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 25-11-2025
Datum publicatie 08-12-2025
Zaaknummer 200.347.302/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2024:4292
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005289 BWBR0009755 BWBR0031432

Samenvatting

Salderingsregeling voor elektriciteit. Vraag of de energieleverancier bij een ‘dynamisch contract’ verplicht is om op jaarbasis te salderen. Uitleg artikel 31c Elektriciteitswet 1998.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.347.302/01

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10823240

arrest van 25 november 2025

in de zaak van

Nieuw Hollands Energiebedrijf B.V.,

die is gevestigd in Almere,

die hoger beroep heeft ingesteld,

en bij de kantonrechter optrad als gedaagde,

hierna: NHE,

advocaat: mr. J.E. Janssen te Amsterdam,

tegen

Maatschap [naam],

die is gevestigd in [woonplaats] ,

die ook hoger beroep heeft ingesteld,

en bij de kantonrechter optrad als eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.T.M. Koedooder te Amsterdam.

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

NHE heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, op 17 juli 2024 tussen partijen heeft gewezen. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

de memorie van grieven;

de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel en akte wijziging eis;

de memorie van antwoord in incidenteel appel;

de akte overlegging aanvullende producties, van de zijde van [geïntimeerde] ;

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling van 17 oktober 2025.

Hierna hebben partijen het hof gevraagd om arrest te wijzen.

2. De kern van de zaak

Deze zaak gaat over de zogenaamde ‘salderingsregeling’ voor elektriciteit. Centrale vraag is of een energieleverancier bij een dynamisch contract verplicht is om het verbruik op jaarbasis te salderen, of dat er bijvoorbeeld ook gesaldeerd mag worden per dag of per uur.

De maatschap [naam] en energieleverancier NHE hebben in 2021 een contract gesloten voor levering van elektriciteit. [geïntimeerde] heeft een kleinverbruikaansluiting en zij levert met haar zonnepanelen elektriciteit terug aan het net. Volgens [geïntimeerde] ging zij ervan uit dat de overeenkomst met NHE een ‘variabel contract’ was, en dat er per jaar gesaldeerd zou worden. NHE meent dat sprake is van een ‘dynamisch contract’ waarbij het tarief per uur verschilt en waarbij per uur gesaldeerd wordt. NHE is in de maandelijkse afrekeningen ook uitgegaan van saldering per uur. [geïntimeerde] is het niet met de afrekeningen eens, en dat is de reden dat zij het contract per eind 2022 heeft opgezegd. NHE heeft vervolgens aan [geïntimeerde] een opzegboete in rekening gebracht.

[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd om voor recht te verklaren dat – kort gezegd – NHE de afname en de teruglevering van [geïntimeerde] moet salderen op jaarbasis. Verder heeft [geïntimeerde] gevorderd NHE te veroordelen om de maandafrekeningen en de boeteberekening aan te passen en om de reeds verzonden facturen te crediteren, dit laatste op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tot slot heeft [geïntimeerde] gevraagd NHE te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten en tot betaling van de proceskosten.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen. De kantonrechter oordeelde dat NHE op grond van artikel 31c lid 1 Elektriciteitswet 1998 verplicht is om per jaar te salderen. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat NHE het verbruik van [geïntimeerde] over 2022 dient te berekenen door de in dat jaar aan het net onttrokken elektriciteit te verminderen met de in dat jaar ingevoegde elektriciteit, en dat NHE voor het resterende saldo een redelijke vergoeding in rekening dient te brengen dan wel dient te betalen. Verder is NHE veroordeeld de maandnota’s en de nota van de opzegboete te crediteren en deze in overeenstemming te brengen met de genoemde salderingswijze, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom. De kantonrechter heeft NHE veroordeeld in de proceskosten, en de veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voor het overige zijn de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.

NHE wil met haar hoger beroep bereiken dat de vorderingen alsnog volledig worden afgewezen. [geïntimeerde] heeft ook hoger beroep ingesteld en daarbij heeft zij haar eis gewijzigd. [geïntimeerde] wil dat het hof vaststelt dat zij helemaal geen opzegboete verschuldigd is.

Het hof zal het hoger beroep van NHE verwerpen. Het hof oordeelt namelijk, evenals de kantonrechter, dat NHE verplicht was om per jaar te salderen. Het hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt wel. [geïntimeerde] wijst er terecht op dat de opzegboete niet redelijk is en dat NHE de boete om die reden niet in rekening mag brengen. Het hof zal deze oordelen hierna toelichten. Daarbij wordt eerst een kort overzicht gegeven van de feiten.

3. De feiten

NHE is een leverancier van elektriciteit en gas. NHE handelt onder meer onder de naam ‘Holland Energie’.

[geïntimeerde] is een maatschap met een onderneming die zich onder meer bezighoudt met melkveehouderij en het fokken van jongvee. [geïntimeerde] wekt zelf energie op door middel van zonnepanelen en zij levert elektriciteit terug aan het net. [geïntimeerde] beschikt over een kleinverbruikaansluiting zoals bedoeld in artikel 95a lid 1 Elektriciteitswet 1998.

[geïntimeerde] was aangesloten bij Agrarisch Collectief Energie B.V. Begin 2021 heeft [geïntimeerde] via die tussenpersoon een contract met NHE gesloten voor levering van elektriciteit. Het betreft een contract voor de periode van begin 2022 tot eind 2025, en tegen een vaste prijs van (ongeveer) 5 cent per kWh.

Op 6 oktober 2021 heeft [geïntimeerde] met NHE een nieuwe overeenkomst gesloten voor levering van elektriciteit vanaf 1 januari 2022 (hierna: de overeenkomst). Het eerder in 2021 gesloten contract kwam daarmee te vervallen.

De overeenkomst vermeldt onder meer het volgende:

Leveringsovereenkomst Elektriciteit EPEX Zakelijk Kleinverbruik

(…)

Contractprijs

Uw contractprijs voor alle aansluitingen behorende bij deze overeenkomst bestaat uit de EPEX-maandprijs (referentieprijs + vaste opslag) per kWh elektriciteit en vaste leveringskosten per maand. Deze contractprijs per kWh elektriciteit is exclusief alle netbeheerkosten, zoals de kosten voor aansluiting en transport van energie door de netbeheerder, meetdienstkosten, overheidsheffingen zoals energiebelasting (EB), ODE, btw en overige door de overheid opgelegde of nog op te leggen heffingen, belastingen of toeslagen.

(…)

Levering, teruglevering, saldering van Energiebelastingen en BTW

De Contractprijs voor energie levering en teruglevering zal worden verrekend op basis van de leverings- en terugleverings-profiel-gewogen EPEX Day Ahead prijzen van dat kalenderjaar, vermeerderd of verminderd met een contractuele opslag of afslag voor onbalans-, reconciliatie-, profilering- en handlingkosten op basis van het leverings- en terugleveringsprofiel.

Voor levering wordt er een opslag gehanteerd zoals hierboven vermeld. Voor teruglevering wordt een afslag gehanteerd van €0,008 per kWh. In geval de daadwerkelijke onbalans- en reconciliatiekosten met meer dan €0,0025 per kWh afwijkt, behoudt Holland Energie zich het recht het verschil bij de afnemer en/of producent te belasten. Holland Energie faciliteert de wettelijke toegestane saldering van energiebelastingen en btw op het gehele teruglevervolume.”

In de overeenkomst staat onder het kopje ‘vaste opslagen EPEX dagmarkt’, onder ‘contractperiode’: “01-01-2022 t/m 31-12-2025”.

Tot de overeenkomst behoren de algemene voorwaarden van NHE (‘de Algemene leveringsvoorwaarden elektriciteit en gas zakelijke kleinverbruikers, 2020’). Artikel 21 van de algemene voorwaarden gaat over de duur en opzegging van de overeenkomst, en vermeldt onder meer:

“21.5.2 Indien het Nieuw-Hollands Energiebedrijf en de Afnemer een leveringsovereenkomst voor een bepaalde tijd zijn overeengekomen, én de Afnemer de Leveringsovereenkomst voor het verstrijken van de overeengekomen tijd beëindigt of doet beëindigen (bijvoorbeeld ingeval van een opzegging door de Afnemer (…)), is de Afnemer aan het Nieuw-Hollands Energiebedrijf per product een boete verschuldigd gelijk aan 15% van de resterende (verwachte) waarde van de Leveringsovereenkomst, gebaseerd op de laatst beschikbare verbruiksgegevens. Voornoemde resterende waarde is gelijk aan het overeengekomen c.q. geldende (leverings)tarief maal resterend (verwacht) volume.”

In de maandnota’s die NHE vanaf 2022 toezond, wordt vermeld dat de vergoeding die [geïntimeerde] per teruggeleverde kWh ontvangt, lager is dan het bedrag dat zij per afgenomen kWh dient te betalen. [geïntimeerde] heeft NHE gevraagd om de afgenomen en teruggeleverde elektriciteit jaarlijks en volledig te salderen en om de maandnota’s op dat punt te corrigeren. NHE heeft geweigerd om de maandnota’s aan te passen.

NHE heeft in een of meer van haar maandnota’s de verschuldigde energiebelasting en opslag duurzame energie, (voorlopig) berekend op basis van saldering per maand.

[geïntimeerde] heeft de overeenkomst opgezegd per 31 december 2022. Naar aanleiding van de opzegging heeft NHE een opzegboete van € 3.842,86 in rekening gebracht.

De kantonrechter heeft op 17 juli 2024 de vorderingen van [geïntimeerde] tegen NHE grotendeels toegewezen. Naar aanleiding van het vonnis heeft NHE de maandnota’s over 2022 gecrediteerd voor in totaal € 5.345,97 (€ 3.263,30 in plaats van € 8.609,27). Daarnaast heeft NHE de factuur van de opzegboete met € 2.374,37 gecrediteerd (van € 3.842,86 naar € 1.468,49). Het totaalbedrag van de facturen is dus met € 7.720,34 verminderd. NHE heeft het laatstgenoemde bedrag aan [geïntimeerde] terugbetaald.

4. Het oordeel van het hof

De salderingsregeling

Tussen partijen bestaat discussie over de uitleg van de wettelijke salderingsregeling. Het gaat om de regeling die te vinden is in artikel 31c van de Elektriciteitswet 1998. Het eerste lid van die wetsbepaling luidt sinds 1 januari 2014 als volgt:

“1. Voor afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, die duurzame elektriciteit invoeden op het net, berekent de leverancier het verbruik ten behoeve van de facturering en inning van de leveringskosten door de aan het net onttrokken elektriciteit te verminderen met de op het net ingevoede elektriciteit, waarbij de vermindering maximaal de hoeveelheid aan het net onttrokken elektriciteit bedraagt.”

[geïntimeerde] legt aan haar vordering ten grondslag dat artikel 31c Elektriciteitswet 1998 de energieleverancier verplicht om de afgenomen en teruggeleverde elektriciteit op jaarbasis te salderen. Volgens [geïntimeerde] blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de bepaling bedoeld is om de leverancier te verplichten op jaarbasis te salderen. Dat saldering op jaarbasis dient plaats te vinden, blijkt volgens haar ook uit de toelichting bij het in 2020 ingediende wetsvoorstel voor afbouw van de salderingsregeling en uit de toelichting bij de in 2024 aangenomen wet tot beëindiging van de salderingsregeling. Saldering per jaar strookt ook met het doel van de regeling. Vanwege het succes van de salderingsregeling heeft de wetgever ervoor gekozen de regeling per 1 januari 2027 af te schaffen. Tot die datum geldt de regeling echter en de leverancier is dus nog steeds verplicht om per jaar te salderen, aldus telkens [geïntimeerde] .

Volgens NHE is een energieleverancier niet verplicht om per jaar te salderen. NHE wijst erop dat artikel 31c Elektriciteitswet 1998 niet vermeldt dat per jaar gesaldeerd moet worden. Het was, aldus NHE, lange tijd wel gebruikelijk om op jaarbasis te salderen. De salderingsregeling is namelijk ingevoerd in 2004. Destijds werd alleen geleverd op basis van contracten waarbij de elektriciteitsprijs voor langere tijd was vastgesteld. Er waren ook geen slimme meters; het verbruik werd jaarlijks opgemeten door fysiek bij de klant langs te gaan. De energiemarkt is echter ingrijpend veranderd. Zo zijn er op enig moment ‘variabele contracten’ gekomen, waarbij het tarief bijvoorbeeld per zes maanden wijzigde. Sinds enkele jaren worden er ook ‘dynamische contracten’ gebruikt. Bij deze contracten wijzigt de prijs per dag, per uur of (inmiddels) per kwartier. Aan een dynamisch contract is inherent dat voor afgenomen elektriciteit een ander tarief in rekening kan worden gebracht dan voor teruggeleverde elektriciteit. Er wordt namelijk telkens aangesloten bij de marktprijs van het moment van afname of teruglevering. Het salderen op jaarbasis past niet bij dynamische contracten. Niet is in te zien waarom klanten die bewust kiezen voor een dynamisch contract, verplicht zouden moeten worden om op jaarbasis te salderen. De energieleverancier en de afnemer zijn vrij om een andere salderingsperiode overeen te komen, aldus telkens NHE.

Het hof oordeelt, evenals eerder de kantonrechter, dat NHE als energieleverancier op grond van artikel 31c lid 1 Elektriciteitswet 1998 verplicht is om op jaarbasis te salderen. De wetgever heeft de salderingsregeling in 2004 geïntroduceerd om de productie van duurzame elektriciteit door kleinverbruikers te stimuleren. Het was daarbij de bedoeling de leverancier (destijds de netbeheerder) te verplichten de ‘jaarlijkse stroomrekeningen’ te baseren op de afgenomen en de teruggeleverde hoeveelheid elektriciteit. Ook bij de aanpassing van de regeling in 2013 is er kennelijk van uitgegaan dat saldering plaatsvindt op jaarbasis. NHE wijst er terecht op dat in de wettekst van artikel 31c Elektriciteitswet 1998 niet uitdrukkelijk is vermeld dat saldering per jaar moet plaatsvinden. De verplichting tot saldering per jaar ligt, gezien het doel van die bepaling, echter duidelijk in die bepaling besloten. Doel is immers om de kleinverbruiker die duurzame elektriciteit opwekt een voordeel te bieden, en om zo de productie van duurzame elektriciteit te stimuleren. Dat voordeel voor de kleinverbruiker is dat de afname elektriciteit van het ene moment, gesaldeerd wordt met teruglevering van elektriciteit op een ander moment. Bij saldering op jaarbasis is dit voordeel duidelijk aanwezig. Als er bijvoorbeeld ook gesaldeerd mag worden per uur of per kwartier – de kleinste tijdseenheden waarvoor de meetgegevens volgens NHE beschikbaar zijn – is van zo’n voordeel kennelijk niet of nauwelijks sprake. Van de door de wetgever beoogde stimulans van productie van duurzame elektriciteit, lijkt dan evenmin sprake. Daarbij kan worden opgemerkt dat de regeling geen onderscheid maakt tussen saldering ter bepaling van de ‘kale’ leveringskosten en saldering voor het bepalen de verschuldigde belastingen. De leverancier kan er dus niet mee volstaan om alleen voor het bepalen van de verschuldigde belastingen, te salderen op jaarbasis.

Volgens NHE is het juist de kern van een ‘dynamisch contract’ dat wordt afgerekend op dag- uur- of kwartierbasis. Daarmee verhoudt zich niet dat gesaldeerd wordt op jaarbasis, aldus NHE. Dat betoog miskent echter dat de wettelijke regeling het uitgangspunt is, niet de contractuele regeling. De wet verplicht de leverancier om op jaarbasis te salderen. Daarmee verhoudt zich niet dat een leverancier ter bepaling van de leveringskosten, het verbruik alleen afrekent op dag-, uur- of kwartierbasis. Overigens is niet in te zien waarom de periode waarover gesaldeerd wordt, gelijk zou moeten zijn aan de periode waarvoor een bepaald tarief geldt. Zo heeft NHE erop gewezen dat bepaalde leveranciers op enig moment bij ‘vaste contracten’ zijn overgegaan tot tussentijds salderen.

Uit de Elektriciteitswet 1998 blijkt niet dat de verplichting van de energieleverancier om op jaarbasis te salderen, vervalt als de kleinverbruiker daarmee instemt. Het hof ziet ook geen grond om onder de huidige wettelijke regeling, om de reden dat het zou gaan om een ‘dynamisch contract’, een dergelijke uitzondering aan te nemen.

Het hof komt dus tot de slotsom dat de kantonrechter terecht geoordeeld heeft dat NHE gehouden was om per jaar te salderen. Dat het, zoals NHE kennelijk meent, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [geïntimeerde] (alsnog) een beroep doet op de wettelijke verplichting tot saldering per jaar, valt niet in te zien. Duidelijk is immers dat [geïntimeerde] al vanaf april 2022 tegen de door NHE toegepaste salderingswijze geprotesteerd heeft. Verder heeft [geïntimeerde] ook in eerste aanleg al aan haar vordering ten grondslag legt dat de salderingswijze van NHE niet verenigbaar is de wettelijke regeling. Het gegeven dat energieleveranciers nadeel lijden als er bij dynamische contracten op jaarbasis gesaldeerd moet worden, is evenmin voldoende grond om aan te nemen dat het beroep van [geïntimeerde] op de wettelijke regeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Een en ander betekent dat de grief van NHE tegen het genoemde oordeel van de kantonrechter (grief 1) verworpen wordt.

Afrekening van het saldo

De kantonrechter heeft, zoals vermeld, geoordeeld dat de afgenomen elektriciteit en de teruggeleverde elektriciteit op jaarbasis gesaldeerd moeten worden. Uit de wet blijkt niet tegen welk tarief afgerekend moet worden als dan – zoals in dit geval – sprake is van een saldo aan afgenomen elektriciteit. Ook uit de overeenkomst blijkt niet tegen welk tarief dit saldo afgerekend moet worden, aldus de kantonrechter. De kantonrechter oordeelde dat de redelijkheid in dit geval meebrengt dat het saldo afgerekend moet worden op basis van ‘een gewogen gemiddelde van het betreffende jaar’ (zie rov. 4.5 van het vonnis).

Volgens NHE gaat dit oordeel voorbij aan de bedoelingen van partijen en aan de afspraken die NHE en [geïntimeerde] als professionele partijen met elkaar gemaakt hebben. Afgesproken is, aldus NHE, dat zowel bij afname als bij teruglevering afgerekend wordt op basis van de actuele marktprijs (grief 2). Dit betoog van NHE is tevergeefs. Voorop staat dat NHE verplicht is om het verbruik van [geïntimeerde] op jaarbasis te salderen (zie hierboven, onder 4.1 t/m 4.7). De kantonrechter heeft terecht vastgesteld dat de salderingswijze die volgens NHE afgesproken is – namelijk saldering per uur – daarmee niet verenigbaar is. De door NHE bedoelde contractuele regeling blijft in zoverre dan ook buiten toepassing. De afspraken van partijen vermelden niet tegen welk tarief afgerekend moet worden als na een saldering op jaarbasis, een saldo aan afgenomen elektriciteit resteert (zie rov. 4.5 van het vonnis). NHE heeft ook niet betoogd dat dit anders zou zijn. De kantonrechter heeft vastgesteld dat in dit geval uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat het resterende saldo afgerekend wordt op basis van een gewogen gemiddelde van het contractsjaar (vgl. artikel 6:248 lid 1 BW). NHE heeft niet duidelijk gemaakt waarom dit laatste onjuist zou zijn. Ook heeft zij niet duidelijk gemaakt tegen welk tarief het saldo volgens haar dan wél afgerekend zou moeten worden. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de genoemde wijze van afrekening hier passend en aangewezen is. Dit betekent dat ook de tweede grief van NHE verworpen wordt.

De opzegboete

In hoger beroep stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat de opzegboete ten onrechte in rekening is gebracht. [geïntimeerde] voert onder meer aan dat niet voldaan is aan het wettelijke vereiste dat de boete ‘redelijk’ is. De boete is, aldus [geïntimeerde] , onder meer in strijd met de destijds (in 2021) geldende Richtsnoeren Redelijke Opzegvergoeding Vergunninghouders (hierna: de Richtsnoeren).

Deze grief van [geïntimeerde] slaagt. Artikel 95m lid 8 Elektriciteitswet 1998 bepaalt dat bij een overeenkomst voor bepaalde duur, de leverancier in de overeenkomst kan opnemen dat bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst een redelijke vergoeding verschuldigd is. De NMA (nu: ACM) heeft destijds in de Richtsnoeren vastgelegd wat zij verstaat onder een redelijke opzegvergoeding. Volgens de Richtsnoeren is onder meer sprake van een redelijke opzegvergoeding voor kleinzakelijke afnemers, als voldaan is aan het criterium dat de opzegvergoeding maximaal 15% van de resterende (verwachte) waarde van de overeenkomst bedraagt (zie artikel 6 van de Richtsnoeren). Volgens NHE heeft zij in haar algemene voorwaarden bij dit criterium aangesloten. Artikel 21.5.2 van die voorwaarden bepaalt dat bij tussentijdse beëindiging door de afnemer, een boete is verschuldigd “gelijk aan 15% van de resterende (verwachte) waarde van de Leveringsovereenkomst, gebaseerd op de laatst beschikbare verbruiksgegevens.” Daarbij is vermeld: “Voornoemde resterende waarde is gelijk aan het overeengekomen c.q. geldende (leverings)tarief maal resterend (verwacht) volume” (zie ook hierboven, onder 3.7).

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de opzegboete die NHE in rekening heeft gebracht, gebaseerd is op een gemiddelde van de tarieven van de EPEX day ahead markt in 2022, en een resterende looptijd van drie jaar (tot eind 2025). [geïntimeerde] wijst er terecht op dat het (leverings)tarief dat NHE bij de boete hanteert, daarmee niet het ‘overeengekomen’ of het ‘geldende’ tarief is. De overeenkomst gaat immers uit van een leveringstarief dat gebaseerd is op de prijs op de EPEX day ahead markt, en die prijs verschilt per uur. Dat artikel 21.5.2 van de algemene voorwaarden met het ‘overeengekomen’ of ‘geldende’ tarief (ook) doelt op een gemiddeld tarief dat NHE berekent op basis van historische gebruiksgegevens, valt niet in te zien. Een deugdelijke en voldoende duidelijke grond voor de in rekening gebrachte opzegboete ontbreekt dus (vgl. artikel 8 van de Richtsnoeren). [geïntimeerde] wijst er terecht op dat artikel 21.5.2 van de algemene voorwaarden kennelijk alleen bedoeld is voor contracten waarbij het tarief voor langere tijd vaststaat. Los daarvan geldt dat niet is in te zien dat een gemiddeld tarief in gevallen als deze, een deugdelijke maatstaf is voor het vaststellen van de ‘resterende waarde’ van de overeenkomst. Daarbij tekent het hof aan dat de wet wel toelaat dat de leverancier bij tussentijdse beëindiging een opzegvergoeding in rekening brengt, maar dat dit (mede) bedoeld is dit ter compensatie van het nadeel dat de leverancier ondervindt of kan ondervinden door tussentijdse beëindigingen. Volgens NHE is hier sprake van een ‘dynamisch contract’ waarbij de kale elektriciteitsprijs die zij in rekening brengt, gelijk is aan de prijs waarvoor zij de elektriciteit inkoopt op de energiemarkt. Niet is in te zien waarom die marktprijs in een geval als dit een deugdelijke basis vormt voor het vaststellen van de resterende waarde van de overeenkomst. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het hier, in elk geval volgens NHE, gaat om een overeenkomst met een looptijd van vier jaar, en dat NHE de boete berekend heeft over een resterende termijn van drie jaar (vgl. hierboven, onder 3.6). Ook hier geldt dat de door NHE toegepaste berekeningswijze, bedoeld lijkt te zijn voor contracten waarbij het tarief voor langere tijd vaststaat. Het hof komt dan ook tot de slotsom dat de in rekening gebrachte boete op meerdere punten niet voldoet aan de voorwaarden als vermeld in de Richtsnoeren. De boete voldoet om diezelfde redenen ook niet aan het redelijkheidsvereiste van artikel 95m lid 8 Elektriciteitswet 1998. De boete is dan ook ten onrechte aan [geïntimeerde] in rekening gebracht.

Het hof zal NHE veroordelen om de opzegboete terug te betalen, dit vermeerderd met wettelijke rente. Het hof begrijpt de stellingen van [geïntimeerde] aldus dat de vordering tot terugbetaling alleen gebaseerd is op onverschuldigde betaling (vgl. artikel 6:203 BW). De gevorderde wettelijke handelsrente is daarom niet toewijsbaar. [geïntimeerde] heeft ook niet voldoende duidelijk gemaakt op welke grond aangenomen zou moeten worden dat NHE al vanaf de datum dat de boete betaald werd, in verzuim zou zijn geweest met betrekking tot de terugbetaling. Om die reden zal het hof NHE nog een termijn van twee weken geven om de boete terug te betalen. De door [geïntimeerde] (subsidiair) gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van deze uitspraak.

Het hof zal verder, zoals [geïntimeerde] vordert, NHE veroordelen om de boetefactuur volledig te crediteren. Het hof ziet geen aanleiding om aan die veroordeling een dwangsom te verbinden. Dat [geïntimeerde] na het wijzen van dit arrest nog een dusdanig belang heeft bij toezending van de creditfactuur, dat oplegging van een dwangsom gerechtvaardigd zou zijn, valt zonder nadere toelichting niet in te zien. Daarbij merkt het hof op dat het in de stellingen en in de proceshouding van NHE ook geen aanwijzing ziet dat er mogelijk niet uit eigen beweging aan de veroordeling voldaan zal worden.

Overige stellingen van [geïntimeerde]

[geïntimeerde] beroept zich in hoger beroep ook op bedrog, dwaling, misbruik van omstandigheden en oneerlijke handelspraktijken. Volgens [geïntimeerde] is zij bij de totstandkoming van de overeenkomst opgelicht en misleid. [geïntimeerde] beroept zich zowel in het principale beroep als in het incidentele beroep op nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de overeenkomst. Daarbij beperkt zij dat beroep om procedurele redenen tot de onderdelen van de overeenkomst die zien op saldering, de looptijd en de opzetboete. NHE heeft een en ander betwist.

Het hof stelt vast dat uit de beoordeling als vermeld onder 4.1 t/m 4.14 van dit arrest al volgt dat het hoger beroep van NHE verworpen moet worden en dat het hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt. Het beroep van [geïntimeerde] op nietigheid en vernietigbaarheid van (delen van) de overeenkomst, kan ook niet leiden tot een andere uitkomst van de procedure. Dat beroep behoeft hier daarom verder niet besproken te worden.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep ook betoogd dat NHE op grond van de overeenkomst verplicht is tot saldering op jaarbasis. Verder heeft [geïntimeerde] onder meer aangevoerd dat de gecorrigeerde afrekening die NHE na de uitspraak van de kantonrechter heeft toegezonden, onvoldoende duidelijk is. Het hof merkt op dat deze en andere stellingen van [geïntimeerde] , voor zover deze voldoende duidelijk aan de vorderingen en de verweren ten grondslag zijn gelegd, in elk geval niet kunnen leiden tot een andere uitkomst van de procedure. Voor een verdere bespreking van die stellingen bestaat daarom geen aanleiding.

Slotsom

De conclusie is dat het hoger beroep van NHE verworpen moet worden. Het hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt grotendeels. Het hof zal NHE dan ook veroordelen in de kosten van het principale en het incidentele hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.

Het hof zal, voor zover dat gevorderd is, bepalen dat de veroordelingen in deze uitspraak ook ten uitvoer kunnen worden gelegd als een partij de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere van 17 juli 2024, behalve de beslissingen onder 5.3 en 5.6 van dat vonnis welke beslissingen hierbij worden vernietigd, en beslist:

veroordeelt NHE om binnen 14 dagen na datum van dit arrest de aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte opzegboete volledig te crediteren;

veroordeelt NHE tot betaling aan [geïntimeerde] van € 1.468,49, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 dagen na datum van dit arrest tot de datum van volledige voldoening;

veroordeelt NHE tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in het principale en het incidentele hoger beroep:

€ 798,- aan griffierecht;

€ 2.574,- aan salaris advocaat (principaal beroep: 2 punten x appeltarief I; incidenteel beroep: factor 0,5 x 2 punten x appeltarief I);

en bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag; als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;

verklaart de veroordelingen onder 5.2 tot en met 5.4 uitvoerbaar bij voorraad, dit behoudens de kostenveroordeling onder 5.4 voor zover die ziet op het incidentele appel;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, M. Willemse en E.F. Verheul, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?