GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 30 juni 2025, betreffende
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 453,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Het hoger beroep richt zich slechts tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om een proceskostenvergoeding.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte geen punt heeft toegekend voor het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter.
3. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag gematigd omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. De betrokkene is daarmee in het gelijk gesteld. De kantonrechter heeft (terecht) een vergoeding toegekend voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft geen vergoeding toegekend voor het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en daartoe overwogen dat door de gemachtigde niets is toegevoegd aan hetgeen al in het beroepschrift was gesteld.
4. Aan het verschijnen ter zitting dient op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) één punt te worden toegekend. Naar het oordeel van het hof vormt de omstandigheid dat de gemachtigde volgens de kantonrechter niets heeft toegevoegd aan hetgeen al in het beroepschrift was gesteld, onvoldoende reden om geen proceskostenvergoeding toe te kennen voor het verschijnen ter zitting. Het hof heeft eerder, in het arrest van 26 februari 2024, ECLI:NL:GHARL2024:1395, geen vergoeding toegekend van de proceskosten, gemaakt voor het verschijnen ter zitting van de kantonrechter. Het betrof daar een door de kantonrechter gehouden zitting voor één specifiek punt, namelijk de draagkracht van de betrokkene met het oog op de mogelijkheid om zekerheid te stellen. Informatie daarover was noodzakelijk. Die informatie kon slechts van de zijde van de betrokkene komen. De gemachtigde van de betrokkene was weliswaar ter zitting van de kantonrechter verschenen, maar kon de relevante informatie niet verschaffen omdat hij zich daaromtrent niet met de betrokkene had verstaan. Het hof heeft vervolgens in die zaak voor het verschijnen ter zitting geen proceskostenvergoeding toekend omdat het hier geen redelijkerwijs gemaakte proceskosten betrof. Dergelijke omstandigheden doen zich in de onderhavige zaak niet voor. De zitting waarvoor de gemachtigde is opgeroepen en waar de gemachtigde is verschenen, betreft een zitting waar het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie is behandeld. Deze zitting is niet alleen bedoeld om de gemachtigde in de gelegenheid te stellen desgewenst een toelichting te geven op het beroepschrift, maar ook om de gemachtigde de mogelijkheid te bieden te reageren op een standpunt dat de officier van justitie ter zitting inneemt of op ter zitting overgelegde stukken en voorts eventuele vragen van de kantonrechter of de officier van justitie te beantwoorden. De proceskosten voor het verschijnen ter zitting omvatten tevens de kosten die een gemachtigde moet maken om voorbereid te zijn op hetgeen ter zitting kan voorvallen. Deze proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking, ook indien, zoals hier, ter zitting een nadere toelichting op het beroep, het reageren op standpunten of stukken of het beantwoorden van vragen niet nodig is. De kantonrechter heeft ten onrechte geen vergoeding toegekend van de proceskosten voor het verschijnen ter zitting van de kantonrechter. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding en doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
5. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof zal de advocaat-generaal veroordelen in de kosten in beroep bij de kantonrechter tot een bedrag van € 907,- (= (2 x € 907,- x 0,5).
6. De proceskosten in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Het hof is van oordeel dat er in de fase van het hoger beroep sprake is van samenhangende zaken. Voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding worden de onderhavige zaak en de zaken met de registratienummer Wahv 200.359.024/01, Wahv 200.359.025/01, Wahv 200.359.060/01,
Wahv 200.359.061/01 en Wahv 200.359.063/01, waarin het hof bij arrest van heden eveneens beslist, beschouwd als één zaak. De gronden zijn gelijkluidend en de beroepschriften zijn gelijktijdig behandeld. De factor 1,5 wordt toegepast. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1. Het hof zal de advocaat-generaal veroordelen in de kosten in hoger beroep tot een bedrag van € 5,67 (= (1 x € 907,- x 0,25 x 0,1 x 1,5)/6).
7. Gelet op het voorgaande bedraagt de vergoeding voor de gemaakte proceskosten € 912,67
(= € 907,- + € 5,67).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 912,67.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.