GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 4 april 2025, betreffende
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 oktober 2023 om 23:38 uur op de Erasmusweg in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn stelling dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden. De gemachtigde had bij de eerste hoorzitting aangegeven dat hij beschikbaar was voor alle hoorzittingen voor die middag, maar dit wilde de CVOM per se niet. De CVOM vindt dat iedere keer apart gebeld moet worden, maar de gemachtigde vindt dat niet van hem verwacht kan worden dat hij iedere tien minuten de telefoon aanneemt terwijl hij al aanwezig is. Volgens de gemachtigde is sprake van traineren van de CVOM.
3. Verder voert de gemachtigde aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. De betrokkene heeft zijn telefoon alleen vastgehouden toen hij stil stond bij een rood stoplicht. Dat is niet verboden.
Daarnaast is de informatie in het zaakoverzicht zeer summier en heeft de ambtenaar op een aantal vragen van de advocaat-generaal geen antwoord gegeven. Ook heeft de ambtenaar niet uitgelegd om wat voor mobiel elektronisch apparaat het gaat. Gelet op rechtspraak van het hof (ECLI:NL:GHARL:2022:7542 en ECLI:NL:GHARL:2022:8181) is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om de gedraging vast te stellen. Ook hieraan is de kantonrechter voorbijgegaan.
4. Met betrekking tot de stelling dat de hoorplicht is geschonden overweegt het hof als volgt.
5. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde namens de betrokkene administratief beroep heeft ingesteld en heeft verzocht om te worden gehoord. Voorts blijkt uit het dossier dat een medewerker van de CVOM en de gemachtigde hebben afgesproken dat alle hoorzittingen telefonisch zullen plaatsvinden. De officier van justitie heeft de gemachtigde bij brief van 2 mei 2024 laten weten dat hij hem in het kader van het hoorgesprek in deze zaak zal bellen op 6 juni 2024, om 14.25 uur. Uit het hoorverslag en de beslissing van de officier van justitie blijkt dat op voormelde tijd is getracht telefonisch contact te krijgen met de gemachtigde, maar dat hij niet bereikbaar was. De officier van justitie heeft vervolgens een beslissing genomen, zonder de gemachtigde te hebben gehoord.
6. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie de gemachtigde voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. De gemachtigde had daar gebruik van kunnen maken, maar heeft op de telefonische oproep niet gereageerd. Die omstandigheid dient voor zijn rekening te komen. Dat de werkwijze van de CVOM meebrengt dat de gemachtigde, zo stelt hij, iedere tien minuten de telefoon opnieuw moet aannemen, leidt niet tot een ander oordeel. Het komt het hof niet onredelijk voor dat de CVOM een planning hanteert van successievelijk 10 minuten per zaak, opdat de betreffende medewerker voldoende in de gelegenheid is om de zaak af te sluiten voordat de volgende zaak zich aandient. Deze grond van de gemachtigde faalt.
7. Met betrekking tot de stelling dat de gedraging niet is verricht, overweegt het hof als volgt.
8. Bij de stukken van het geding bevindt zich een zaakoverzicht, met daarin de verklaring van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Deze verklaring houdt zakelijk weergegeven in dat de ambtenaar op voormelde datum en tijd heeft gezien dat de bestuurder van voormeld voertuig al rijdend een mobiele telefoon in zijn rechterhand hield. Voorts staat vermeld dat de betrokkene is staande gehouden. Als zijn verklaring staat vermeld dat hij geen verklaring heeft afgelegd. Ook bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal. Hierin verklaart de ambtenaar dat hij zag dat de betrokkene een mobiele telefoon in zijn rechterhand had tijdens het besturen van zijn voertuig en dat hij er 100% van overtuigd is dat de betrokkene de gedraging tijdens het rijden heeft begaan.
9. Naar het oordeel van het hof volgt uit de verklaringen van de ambtenaar genoegzaam wat voor mobiel elektronisch apparaat het betrof, namelijk een telefoon. Uit artikel 61a van het RVV 1990 volgt dat een mobiele telefoon een mobiel elektronisch apparaat is dat niet mag worden vastgehouden tijdens het rijden. Ook de verwijzing van de gemachtigde naar de twee genoemde arresten van dit hof van 31 augustus 2022 en 22 september 2022 kan de betrokkene niet baten. In die zaken had de ambtenaar slechts verklaard dat het vastgehouden voorwerp een mobiel apparaat respectievelijk een elektronisch apparaat betrof. Daarvan is in deze zaak geen sprake.
10. Verder volgt uit deze verklaringen van de ambtenaar dat hij heeft waargenomen dat de betrokkene de mobiele telefoon tijdens het rijden heeft vastgehouden. Wat de gemachtigde daartegen aanvoert komt neer op de enkele ontkenning van die waarneming. Dit geeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
11. De gronden treffen geen doel. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Wel merkt de gemachtigde terecht op dat hij de grond over de hoorplicht ook bij de kantonrechter had aangevoerd, maar dat die daar niet op is ingegaan. In zoverre is de beslissing van de kantonrechter niet deugdelijk gemotiveerd. Het hof zal die beslissing daarom bevestigen met verbetering van gronden. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.