OVERWEGINGEN:
De raadsman van verdachte heeft primair een onderbouwd verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis gedaan, vanaf het moment dat, uitgaande van de gemaakte procesafspraken, de fictieve v.i.-datum wordt bereikt. Subsidiair verzoekt de raadsman om de voorlopige hechtenis te schorsen, vanaf het moment dat de fictieve v.i.-datum wordt bereikt.
De advocaat-generaal heeft zich gemotiveerd verzet tegen opheffing van de voorlopige hechtenis, maar kan instemmen met het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis op het moment dat de fictieve v.i. datum wordt bereikt, waarbij wordt uitgegaan van 8 december 2025.
Het hof is van oordeel dat het primaire verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis moet worden afgewezen. De ernstige bezwaren en gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte berust zijn nog steeds aanwezig.
Het hof heeft in de bijzondere omstandigheden van dit specifieke geval redenen aanwezig bevonden het subsidiaire verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte toe te wijzen. Het hof heeft hierbij acht geslagen op de op de terechtzitting gestelde persoonlijke belangen en op het feit dat er procesafspraken zijn gemaakt en dat deze aanstonds worden ondertekend.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 69, 75, 80 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
Het hof:
wijst af het primaire verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
wijst het subsidiaire verzoek toe en beveelt dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van maandag 8 december 2025 te 09.00 uur, zulks onder de navolgende voorwaarden:
Aldus gegeven op 24 november 2025 door mr. E.W. van den Heuvel voorzitter,
mr. F.A.M. Bakker en mr. M. Zwartjes, raadsheren, in tegenwoordigheid van A. van de Wardt, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.