[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1993 in [geboorteplaats 1] ,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, ertoe strekkend dat verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest en dat het openbaar ministerie met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Schmit, hebben aangevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Verdachte is bij het vonnis waarvan beroep integraal vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Het openbaar ministerie heeft blijkens de akte van hoger beroep weliswaar onbeperkt hoger beroep ingesteld, maar de appelschriftuur van het openbaar ministerie bevat geen bezwaren tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde en ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet langer een belang heeft bij de behandeling van dit feit. Het openbaar ministerie zal daarom met betrekking tot feit 2 op grond van het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde integraal vrijgesproken.
Het hof komt in dit arrest, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 21 maart 2019 tot en met 15 mei 2020 in de [gemeente] , althans in Nederland, en/of in Duitsland en/of in Spanje een ander of anderen, te weten [slachtoffer] , (geboren [geboortedag 2] 1984 te [geboorteplaats 2] )
(lid 1)
behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland of haar daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, en/of
(lid 2)
uit winstbejag behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland
en voornoemde persoon daartoe telkens gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft
terwijl hij, verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis of dat verblijf wederrechtelijk was hebbende hij, verdachte,
- contacten onderhouden met [slachtoffer] en/of instructies gegeven aan [slachtoffer] en/of afspraken gemaakt met [slachtoffer] over de wijze van vervoer van [slachtoffer] en/of
- [slachtoffer] in zijn/een voertuig laten plaatsnemen en/of vervoerd vanuit Duitsland naar Nelderland;
- [slachtoffer] een (telkens) (tijdelijke) verblijfplaats ter beschikking gesteld en/of
- [slachtoffer] (telkens) laten werken in de prostitutie, althans is hij haar hierbij (telkens) behulpzaam geweest;
- aangifte gedaan of laten doen van vermissing van het paspoort van [slachtoffer] terwijl hij wist dat dit paspoort was ingenomen (bij een Prostitutie Controle) en/of
- [slachtoffer] behulpzaam geweest bij het aangaan van een schijnhuwelijk/-relatie in Spanje.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Verdachte wordt onder feit 1 kortgezegd verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel met betrekking tot [slachtoffer] , met wie hij in de tenlastegelegde periode een liefdesrelatie had. Namens verdachte is vrijspraak bepleit. Daartoe is primair aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat [slachtoffer] wederrechtelijk in Nederland verbleef. Mocht het hof dat toch vaststellen, dan wordt verzocht verdachte partieel vrij te spreken van andere onderdelen van de tenlastelegging: namelijk van de periode van 21 maart 2019 tot 2 mei 2019, het laten werken in de prostitutie, het doen van aangifte van vermissing van het paspoort en het handelen met winstbejag. Subsidiair is een beroep op overmacht gedaan.
Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode meerdere malen in- en uit Nederland is gereisd. Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier niet zonder meer kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die haar heeft laten werken in de prostitutie, noch dat hij op andere wijze uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland.
Voorts is het hof van oordeel dat ten aanzien van de periode van 21 maart 2019 tot en met 2 januari 2020 niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat [slachtoffer] wederrechtelijk in Nederland verbleef. De advocaat-generaal heeft er in dit verband op gewezen dat er tot driemaal toe, op 19 maart 2019, 17 oktober 2019 en 28 november 2019, een kwestie speelde omtrent haar verblijfsrechtelijke status. Naar het oordeel van het hof kan echter op grond van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte naar aanleiding van die kwesties moet hebben geweten dan wel ernstige reden moet hebben gehad te vermoeden dat het verblijf van [slachtoffer] in Nederland daadwerkelijk wederrechtelijk was. Uit het dossier blijkt dat het paspoort van [slachtoffer] op 19 maart 2019 is ingenomen, maar niet dat verdachte daarvan ook op de hoogte is geraakt. Dat verdachte later met haar mee is geweest om aangifte van vermissing van haar paspoort te doen, maakt dat niet anders. Niet is komen vast te staan dat verdachte op dat moment wist of moest vermoeden dat de vermissing van het paspoort niet klopte.
Verdachte heeft over de staande houdingen van 17 oktober 2019 en 28 oktober 2019 verklaard dat deze telkens zonder gevolgen bleven, aangezien zij hun weg na politiecontrole mochten vervolgen en dat hij daarom dacht dat [slachtoffer] in Nederland mocht verblijven. Ook uit tapgesprekken van december 2019 kan worden afgeleid dat verdachte meende dat [slachtoffer] tot en met 2 januari 2020 in Nederland mocht verblijven.
Naar het oordeel van het hof ligt dit anders voor de periode ná 2 januari 2020, nu uit voornoemde tapgesprekken blijkt dat verdachte wist dat [slachtoffer] haar papieren vóór 2 januari 2020 moest regelen en dat ze anders terug moest naar Colombia. Het hof stelt op grond van die gesprekken dan ook vast dat verdachte wist dat zij vanaf 3 januari 2020 geen recht had op verblijf in Nederland.
Voor zover verdachte zich in de periode vanaf 3 januari 2020 heeft bemoeid met een mogelijk (schijn)huwelijk van [slachtoffer] , ziet het hof niet hoe hij haar daarmee behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, zodat het hof dit verwijt niet bewezen acht.
Op grond van het dossier stelt het hof vast dat [slachtoffer] op 8 maart 2020 vanuit Spanje naar Düsseldorf is gevlogen en dat verdachte haar daar van het vliegveld heeft opgehaald en naar Nederland heeft vervoerd. Vervolgens heeft zij in Nederland verbleven tot 15 mei 2020. Op die dag heeft verdachte haar vervoerd naar Duitsland en vervolgens weer terug naar Nederland. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op voornoemde dagen, wetende dat [slachtoffer] geen recht had op toegang tot Nederland, haar behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang door haar te vervoeren.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 15 mei 2020 in Nederland en in Duitsland een ander, te weten [slachtoffer] , (geboren [geboortedag 2] 1984 te [geboorteplaats 2] )
(lid 1)
behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, terwijl hij, verdachte wist dat die toegang wederrechtelijk was, hebbende hij, verdachte, [slachtoffer] in een voertuig vervoerd vanuit Duitsland naar Nederland.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op overmacht en daartoe aangevoerd dat het verblijf van [slachtoffer] bij verdachte dan wel het vervoer in de periode van eind maart tot de aanhouding in mei 2020 niet aan verdachte kan worden verweten. De raadsvrouw heeft er in dit verband op gewezen dat in die periode corona speelde en zij heeft de vraag opgeworpen wat verdachte dan had moeten doen, of hij zijn vriendin op straat had moeten laten staan? Een typische situatie van overmacht, aldus de raadsvrouw. Daarbij komt volgens de raadsvrouw dat uit geen van de omstandigheden blijkt dat verdachte op het moment van zijn vrijlating uit detentie voor een ander feit, weet heeft gehad of een ernstig vermoeden heeft gehad dat [slachtoffer] illegaal in Nederland is.
Het hof verwerpt het verweer en stelt daarbij voorop dat dit verweer niet is aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, nu het niet is voorzien van een duidelijke ondubbelzinnige conclusie. Voor zover het verweer moet worden begrepen als een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand overweegt het hof als volgt.
Uitzonderlijke omstandigheden kunnen in een individueel geval meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd zijn, onder meer indien moet worden aangenomen dat is gehandeld in een noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zijns inziens meest zwaarwegende heeft mogen laten prevaleren. Voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand is vereist dat sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele, concrete nood, een gedraging die is geëigend om aan die nood (het belangenconflict) een einde te maken en die tevens voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Niet is onderbouwd en niet valt in te zien hoe en waarom coronamaatregelen verdachte tot een onvermijdelijke keuze zouden hebben gedwongen en dat sprake was van actuele concrete nood. De verklaringen van verdachte bieden daartoe ook geen aanknopingspunten. Het hof acht dit dan ook niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt daarom verworpen.
Het bewezen verklaarde is strafbaar aangezien geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
mensensmokkel, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat verdachte handelde uit psychische overmacht en hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging stelt het hof voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Niet is onderbouwd en niet valt in te zien dat door coronamaatregelen sprake was van een zodanige druk. Verdachte heeft ook niets verklaard over het bestaan van een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Het hof acht dit niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel door tweemaal zijn toenmalige vriendin vanuit Duitsland over de grens naar Nederland te vervoeren, terwijl hij wist dat zij geen recht had op verblijf in Nederland. Het handelen van verdachte druist in tegen de maatregelen tot bestrijding van de illegale toegang tot Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie.
Het hof heeft gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, maar dat hij zich niet eerder aan soortgelijke feiten schuldig heeft gemaakt. Verdachte is op dit moment voorwaardelijk in vrijheid gesteld na een veroordeling in Duitsland waarvan de tenuitvoerlegging inmiddels aan Nederland is overgedragen. De v.i.-periode loopt nog tot januari 2026. Over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verdachte verklaard dat hij sinds een aantal maanden een nieuwe woning heeft betrokken, dat hij werk heeft gevonden in een restaurant en dat hij zijn schulden heeft afgelost. Verdachte heeft een vriendin in Spanje en samen verwachten zij in februari een kind. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding voor strafmatiging dan wel strafverzwaring.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg voor Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het behulpzaam zijn bij illegale toegang tot Nederland van één persoon wordt in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend geacht. Het hof is van oordeel dat de omstandigheden in de onderhavige zaak nopen tot afwijking van dat uitgangspunt. In de onderhavige zaak heeft verdachte zijn toenmalige vriendin tweemaal vanaf een vliegveld in Duitsland naar Nederland vervoerd en bevat het dossier geen bewijs dat daaraan andere motieven ten grondslag lagen dan de wens om samen tijd door te brengen. Het hof is daarom van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht weken past bij de aard en ernst van het bewezenverklaarde in deze zaak. Het hof constateert verder dat er sinds de bewezenverklaarde gedragingen een groot tijdsverloop is geweest in de strafrechtelijke procedure. Het hof ziet daarin aanleiding om de op te leggen gevangenisstraf te matigen en daarop twee weken in mindering te brengen. Alles afwegende, acht het hof daarom oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 57, 63 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. J.D. den Hartog, mr. A.H. Garos en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier D.D. Drost en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 28 november 2025.