[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
wonende te [postcode] [adres] , [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 juni 2025, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en veroordeling van de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.D.W. Herrings, naar voren hebben gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij het vonnis zoals hierboven vermeld, de verdachte veroordeeld voor – kort gezegd – ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd, terwijl de verdachte werkzaam was in de gezondheidszorg. De rechtbank heeft de verdachte voor dit feit een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van twee maanden met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt dan de rechtbank, en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 20 januari 2022 te [plaats] , terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [benadeelde] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door de borsten en/of de tepels van die [benadeelde] te betasten.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verdachte heeft ontkend dat hij de aangeefster bij beide borsten heeft gepakt en in haar tepels heeft geknepen. Het hof twijfelt er niet aan dat er op 20 januari 2022 tijdens de door de verdachte aan de aangeefster gegeven ontspanningsmassage, iets is gebeurd, waarbij de verdachte de borsten van de aangeefster heeft aangeraakt en waarvan de aangeefster enorm is geschrokken. Dit wordt overigens ook niet door de verdachte betwist. Het hof kan echter niet uitsluiten dat deze specifieke handeling – waarbij volgens de verdachte de borstspieren werden gemasseerd, die aan het borstbeen van een cliënt zijn gehecht – een gebruikelijk onderdeel van een reguliere ontspanningsmassage betreft, zoals de verdachte consequent heeft verklaard, waarbij de borsten (enigszins) worden aangeraakt, zonder het voor het strafbaar zijn van deze gedraging vereiste ontuchtige karakter van die handeling. Dit geldt temeer nu het hof, met de raadsvrouw van de verdachte, van oordeel is, dat het dossier onvoldoende steunbewijs bevat voor het met beide handen vastpakken van de beide borsten en het knijpen in de tepels van de borsten van aangeefster. Voor het hof is niet voldoende duidelijk komen vast te staan, wat er die dag tijdens de ontspanningsmassage precies is gebeurd.
Op basis van het vorenstaande is het hof van oordeel dat uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld van welk van de twee – beide als aannemelijk aan te merken – scenario’s moet worden uitgegaan. Hierdoor ontbreekt voldoende wettig en overtuigend bewijs, dat de handelingen van de verdachte daadwerkelijk en opzettelijk een ontuchtig karakter hadden. Om die reden spreekt het hof de verdachte van het tenlastegelegde vrij.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. A.E. Kleene-Krom, voorzitter,
mr. R.H. Koning en mr. J.A.M. Jansen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. van de Ruitenbeek, griffier,
en op 14 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.