ECLI:NL:GHARL:2025:7684

ECLI:NL:GHARL:2025:7684, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-12-2025, 200.345.759

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 11-12-2025
Zaaknummer 200.345.759
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289

Samenvatting

Aanneming van werk. Aannemer schort op wegens niet betalen Opdrachtgever. Opdrachtgever ontbindt wegens tekortkomingen aannemer. Aannemer heeft waarschuwingsplicht geschonden. Ten aanzien van de andere tekortkomingen is de aannemer niet in verzuim. Enkele schenden waarschuwingsplicht rechtvaardigt in dit geval de ontbinding niet.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.345.759

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 534105

arrest van 2 december 2025

in de zaak van

[appellant] ( [aannemer] )

die is gevestigd in [woonplaats1]

advocaat: mr. G. Bosma

en

[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )

die woont in [woonplaats3]

advocaat: mr. L.J. Gravendeel

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[aannemer] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 9 augustus 2023 en 6 maart 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. In de procedure heeft [geïntimeerde] vervolgens ook hoger beroep ingesteld tegen vonnissen van de rechtbank. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep

de memorie van grieven

de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep

de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep

een akte van [aannemer] met een eerder abusievelijk niet overgelegde productie en een nieuwe set van de al overgelegde producties met nieuwe nummering

een akte van [geïntimeerde] houdende het opnieuw overleggen van eerder in het geding gebrachte stukken

een akte van [aannemer] houdende bezwaar tegen de akte van [geïntimeerde]

een akte van [geïntimeerde] als reactie op het bezwaar tegen de opnieuw ingediende producties

een akte van [aannemer] met nieuwe producties

een akte van [geïntimeerde] met nieuwe producties

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 31 oktober 2025 is gehouden.

Hierna heeft het hof bepaald dat arrest zal worden gewezen.

2. De kern van de zaak

[geïntimeerde] heeft een huis laten bouwen. [aannemer] was een van de betrokken aannemers. Tijdens de uitvoering van het werk is een geschil ontstaan en is de samenwerking gestopt.

[aannemer] heeft bij de rechtbank betaling gevorderd van € 259.196, te vermeerderen met wettelijke rente. Volgens [aannemer] heeft [geïntimeerde] de overeenkomst onterecht ontbonden. Dat is volgens [aannemer] aan te merken als een opzegging. [aannemer] vordert betaling van de overeengekomen aanneemsom, verminderd met de besparingen. Verder vordert [aannemer] betaling van de deskundigenkosten en de buitengerechtelijke kosten.

[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank primair betaling van schadevergoeding, gemaakte kosten en teveel betaalde bedragen gevorderd. Het hof begrijpt uit de akte van [geïntimeerde] van 4 mei 2023 dat dit betreft:

Vervangende schadevergoeding van € 15.491,39 vanwege de inschakeling van een nieuwe E-installateur;

Teveel betaalde bedragen zoals vastgesteld door de door [geïntimeerde] ingeschakelde deskundige ( [deskundige] ), in totaal € 14.079,45;

E. - € 7.827,86, wegens elektrakosten voor de bouwplaats van 6 mei 2021 tot en met 3 april 2023, te vermeerderen met € 285,- per maand vanaf mei 2023 tot een onherroepelijke einduitspraak, schikking, of het daadwerkelijk kunnen betrekken van de woning;

- € 5.345,25 wegens de kosten van het rapport van [deskundige] ;

- € 21.920,- inclusief btw wegens huurkosten voor vervangende woonruimte te [woonplaats3] over de periode van 1 juli 2021 tot 31 oktober 2022;

- € 38.571,- inclusief btw wegens huurkosten voor vervangende woonruimte te [woonplaats2] over de periode van 17 februari 2022 tot en met mei 2023, te vermeerderen met € 2.500,- per maand vanaf juni 2023 tot en met februari 2024, althans zoveel langer als nodig voordat de te bouwen woning kan worden betrokken;

Alle bedragen te vermeerderen met wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten.

Verder vordert [geïntimeerde] gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst met [aannemer] , namelijk voor de werkzaamheden die in de derde termijnfactuur zijn gefactureerd en de nog niet verrichte werkzaamheden.

[geïntimeerde] vordert subsidiair gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst met [aannemer] , namelijk voor de werkzaamheden die in de derde termijnfactuur zijn gefactureerd en de nog niet verrichte werkzaamheden, met veroordeling van [aannemer] tot betaling van de posten zoals hiervoor opgenomen onder A, B, en E, voor zover de rechtbank dat passend vindt.

[geïntimeerde] vordert meer subsidiair betaling van de posten zoals hiervoor opgenomen onder A, B en E, nader op te maken bij staat.

De rechtbank heeft de vorderingen van [aannemer] afgewezen. De vorderingen van [geïntimeerde] heeft de rechtbank voor een deel toegewezen. [aannemer] wil met het hoger beroep bereiken dat haar vordering alsnog wordt toegewezen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog wordt afgewezen. [geïntimeerde] wil met het hoger beroep bereiken dat zijn vorderingen voor wat betreft de elektrakosten en huurkosten alsnog geheel worden toegewezen.

Het hof zal beslissen dat de vorderingen van [aannemer] alsnog geheel worden toegewezen en de vorderingen van [geïntimeerde] geheel worden afgewezen en licht dat hierna toe.

3. De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten waar het hof vanuit gaat

[geïntimeerde] heeft voor het realiseren van zijn woonhuis verschillende partijen ingeschakeld. Met deze partijen heeft hij afzonderlijke overeenkomsten gesloten. Er was geen hoofdaannemer die de andere betrokken partijen als onderaannemer inschakelde. De betrokken aannemers werkten in nevenaanneming. Er was geen afzonderlijke coördinatieovereenkomst of een afzonderlijk benoemde directievoerder.

Bij de bouw waren in de periode waar het in deze zaak over gaat de volgende partijen betrokken:

architect Arceau Ontwerpers B.V.

opsteller bestek met bijbehorende tekeningen [bedrijf1]

bouwkundig aannemer Bouwbedrijf Versteegden B.V.

werktuigbouwkundig installateur Van Baaren Installatie Techniek B.V.

elektrotechnisch installateur [aannemer]

leverancier breedplaatvloeren Kleijngeld Bouwmaterialen B.V.

fabrikant breedplaatvloeren De Hoop Pesko B.V.

constructeur van De Hoop Pesko B.V. Zuyd Engineering

leverancier domotica-systeem [bedrijf2] .

[geïntimeerde] heeft op 22 maart 2020 aan [aannemer] verzocht een offerte uit te brengen voor het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van zijn woonhuis. [aannemer] heeft op 9 april 2020 een offerte uitgebracht die sloot op een bedrag van € 699.848,27. Deze offerte is gebaseerd op de aanvraag van 22 maart 2020, het bestek van [bedrijf1] , inclusief de elektrotechnische tekeningen en drie nota’s van inlichtingen. In de brief van 9 april 2020, waarin [aannemer] haar offerte aanbiedt, is vermeld dat de Algemene Voorwaarden voor Installatiewerk voor Consumenten 2016 (hierna: de AVIC) van toepassing zijn. De AVIC zijn bij de offerte gevoegd.

Na het uitbrengen van de offerte door [aannemer] , zijn [geïntimeerde] en [aannemer] verder gaan onderhandelen over het uit te voeren werk en de daarvoor te betalen prijs. In een mail van 30 juli 2020 bevestigt [geïntimeerde] dat hij die dag mondelinge opdracht heeft gegeven aan [aannemer] voor het uitvoeren van “de E-installatie van mijn te realiseren woning”. Verder schrijft [geïntimeerde] in die mail: “We hebben afgesproken dat we de calculatie aanhouden zoals deze nu in het google spreadsheet staat. Dat betreft jullie calculatie van 5 juni jl. uitgebreid met de besproken aandachtspunten, zijnde : […]”. De prijs voor het werk is volgens deze mail € 300.000,-.

Na de opdracht van 30 juli 2020 hebben [geïntimeerde] en [aannemer] verder gesproken over de omvang van het werk. Op 7 juli 2021 heeft [aannemer] in een mail aan [geïntimeerde] geschreven:

In aansluiting op ons telefonisch overleg, hierbij de vastlegging.

Financiële overeenkomst voor het totale project met als uitgangspunten:

Invulling [bedrijf2] incl. verstrekte offerte

Update dwg van eind juni

Uitwerking gordijnen, jalouzie en gordijnen conform jou opgave

Verplaatsingen op de verdieping akkoord tot uitwerking (samen afstemmen)

Totaalbedrag voor € 450.000,-- EXCL BTW!

Voor bovenstaande heb ik een betalingsvoorstel uitgewerkt in de bijlage.

Graag jou bevestiging hiervoor, waarbij ik een betalingstermijn van maximaal 30 dagen voorstel.

[…]

Zou jij bovenstaande willen bevestigen en akkoord gaan met het termijnschema?

[geïntimeerde] heeft in reactie hierop in een mail van 7 juli 2021 geschreven:

Ik wil graag een groter bedrag overhouden, te betalen na oplevering, bijv. 30k.

Qua uitvoering steeds uitgaan van de laatst versie update dwg. Qua opdracht kunnen we idd uitgaan van update dwg van 27/6/21.”

[aannemer] heeft diezelfde dag per mail gereageerd:

Dank voor jou bevestiging.

Hierbij de aanpassing.

Laten we deze hanteren.”.

[aannemer] heeft als productie 9 bij de dagvaarding een betaalschema overgelegd, dat sluit met een laatste (18e) termijn van € 30.000,-. Volgens dat schema is de eerste termijnfactuur van 3 juni 2021 betaald op 15 juli 2021 en de tweede termijnfactuur van 21 juli 2021 betaald op 10 oktober 2021. De derde termijnfactuur is van 30 juli 2021 en is onbetaald gebleven. Onderaan die factuur is vermeld: “Graag betaling binnen 14 dagen o.v.v. […]”.

Nadat de ruwbouw van de kelder was gerealiseerd, zijn Van Baaren en [aannemer] verder gegaan met de installatie die in de begane grondvloer moesten worden aangebracht. Van Baaren heeft de leidingen, buizen en kanalen voor de W-installatie in de breedplaatvloer aangebracht en daarna heeft [aannemer] de onderdelen van de E-installatie in de breedplaatvloer aangebracht.

Op 30 juli 2021 heeft Zuyd Engineering de begane grondvloer afgekeurd. [geïntimeerde] heeft met Zuyd Engineering en [aannemer] overleg gevoerd over een oplossing voor de in de begane grondvloer aanwezige leidingen.

In een mail van 9 oktober 2021 met vragen over de E-installatie heeft [aannemer] aan het slot geschreven:

Tenslotte krijg ik van de administratie door dat er nog 2 facturen open staan;

Aanleveren functionele omschrijving. (factuur van 21-7) Deze is gereed en al geruime tijd verlopen.

Vloer BG (factuur van 30-7) Dienst is geleverd, zal echter aangepast worden vanuit de constructieve beperkingen van de vloer. Graag hier ook minimaal 75% komende week voldoen.

In een mail van 10 oktober 2021 heeft [geïntimeerde] als volgt gereageerd:

Die 3e termijnfactuur betaal ik als de elektra er op de juiste manier in ligt. De termijn opzet van facturatie en betaling is gericht op levering en niet op inspanning.

In een mail van 19 oktober 2021 heeft [aannemer] hierover geschreven:

Daarnaast kan ik mij nog niet vinden in onderstaande redenatie om de gehele factuur van 40K achter te houden.

Het onderdeel is nog niet geheel 100% afgerond, maar naar mijn mening niet geheel te wijten aan de E-installatie waar de prestatie niet geleverd is.

Ik stel voor 50% komende week betalen en 50% crediteren.

Na 19 oktober 2021 hebben [geïntimeerde] en [aannemer] verder gemaild over een oplossing voor de Einstallatie in de begane grondvloer en betaling van 50% van de 3e termijnfactuur.

In een mail van 1 november 2021 heeft [aannemer] aan [geïntimeerde] geschreven:

Voor de regeltechnische bekabeling heb ik een mail gestuurd naar [naam1] [Van Baaren, toev. Hof] om deze af te rekenen.

Voor de constructieve beperkingen van de vloer hebben wij tot heden alle medewerking gegeven.

Goed om te stellen dat dit niet de verantwoordelijkheid van [aannemer] is!

Vanuit onze kunde en ervaring hebben wij altijd geadviseerd om te werken met leidingschachten en ruime techniekruimten. Jij hebt dit tegengehouden, maar wel is de installatie uitgebreid met o.a.; tgc, screens e.d.

De prestatie voor de vloer is in zijn geheel uitgevoerd, maar niet gestort door constructieve beperkingen van deze betonvloer.

Uit onderstaande mail krijg ik het idee dat jij zelfs de toegezegde 50% nog niet wenst te betalen. De gehele prestatie is geleverd, hier zijn immers foto’s van.

Wellicht ten overvloede, maar de werkzaamheden staken wij per heden.

Om verder te gaan zal de gehele betaling dienen te geschieden en tevens goede afspraken voor het verder bouwproces.

In een mail van 3 november 2021 heeft [geïntimeerde] uitvoerig op de mal van [aannemer] van 1 november 2021 gereageerd. Hij heeft die mail afgesloten met het volgende:

Je begrijpt dat een en ander een niet nakoming is van onze overeenkomst en doordat je aangeeft met je werkzaamheden te staken, beschouw ik dat als een door jou/jullie ingezette ontbinding van de overeenkomst en dan moeten de geleverde zaken terug en ook mijn betaalde geld, althans ik maak aanspraak op de ongedaanmaking als verbintenis uit de wet, aangevuld met de wettelijke rente en ik maak aanspraak op de (buiten-)gerechtelijke kosten.

Gezien de ontstane situatie vorder ik dat jullie binnen 10 dagen na vandaag de elektra leidingen van mijn bouw hebben verwijderd en het betaalde geld terug hebben gestort op mijn bankrekening.

De advocaat van [aannemer] heeft in een brief van 11 november 2021 geschreven dat [aannemer] niet de overeenkomst heeft ontbonden, maar haar werkzaamheden heeft opgeschort. Verder schrijft hij dat de brief van [geïntimeerde] van 3 november 2021 door [aannemer] wordt uitgelegd als een ontbinding van de overeenkomst. In dat verband wijst de advocaat van [aannemer] erop dat het daarvoor noodzakelijke verzuim aan de kant van [aannemer] ontbreekt, waardoor de ontbinding onrechtmatig is.

De advocaat van [geïntimeerde] heeft daarop in een brief van 8 december 2021 – onder meer – geschreven dat [geïntimeerde] de overeenkomst niet heeft ontbonden en voor zover dat anders zou zijn, [geïntimeerde] het beroep op ontbinding terug trekt.

In opdracht van [geïntimeerde] heeft ing. R.S.B. [deskundige] op 28 januari 2022 een rapport uitgebracht over het door [aannemer] en Van Baaren uitgevoerde werk.

In opdracht van [aannemer] heeft mr. Ing. [deskundige1] op 2 augustus 2022 een rapport uitgebracht. In zijn rapport reageert [deskundige1] op het rapport van [deskundige] . Zijn kritiek daarop is dat daarin geen bewijs is opgenomen van door [deskundige] opgenomen stellingen, aan partijen verantwoordelijkheden worden toegekend die nergens uit blijken en er suggestieve aannames worden gedaan die nergens op gebaseerd zijn. Daarnaast geeft [deskundige1] zijn eigen analyse van het uitgevoerde werk.

[geïntimeerde] heeft de verdere bouw van zijn woning niet afgerond met Versteegden en Van Baaren. Hij heeft met beide een vaststellingsovereenkomst gesloten.

De verdere uitgangspunten voor de beoordeling in hoger beroep.

De rechtbank heeft in het vonnis van 9 augustus 2023 beslist dat de mail van [aannemer] van 1 november 2021 geen ontbindingsverklaring is, maar een beroep op opschorting. De mail van [geïntimeerde] van 3 november 2021 is volgens de rechtbank wel een ontbindingsverklaring. Verder heeft de rechtbank beslist dat de ontbinding door [geïntimeerde] niet kon worden herroepen. Tegen deze beslissingen zijn geen bezwaren (grieven) gericht. Daardoor staan die beslissingen in hoger beroep vast.

[geïntimeerde] stelt dat [aannemer] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen. Die tekortkoming bestaat volgens [geïntimeerde] uit drie – zelfstandig en in onderlinge samenhang – aan de ontbinding ten grondslag gelegde onderdelen:

[aannemer] heeft in strijd met de op het werk van toepassing zijnde “Richtlijnen leidingen in breedplaatvloer” (hierna: de Richtlijnen) het volgens die Richtlijnen relevante leidingenverloop niet op de tekeningen ten behoeve van de beoordeling door de constructeur aangegeven;

[aannemer] heeft de E-installatie niet overeenkomstig de Richtlijnen in de breedplaatvloer op de begane grond aangebracht;

[aannemer] heeft [geïntimeerde] niet gewaarschuwd dat de begane grondvloer door de E-installatie in die vloer niet zou voldoen aan de Richtlijnen.

[geïntimeerde] maakt aanspraak op betaling van schadevergoeding en gemaakte kosten.

[aannemer] stelt dat er geen sprake is van een tekortkoming aan haar zijde. Verder betwist [aannemer] in verzuim te zijn geraakt en tot slot stelt [aannemer] dat ontbinding van de overeenkomst niet gerechtvaardigd was. Volgens [aannemer] mocht [geïntimeerde] niet tot ontbinding van de overeenkomst overgaan. Omdat hij onterecht heeft ontbonden, geldt zijn beroep op ontbinding volgens [aannemer] als een opzegging van de overeenkomst. [aannemer] maakt daarom aanspraak op betaling van de openstaande factuur, de aanneemsom (verminderd met de besparingen) en schadevergoeding.

Het oordeel van het hof

[aannemer] stelt met haar eerste grief aan de orde dat de Richtlijnen niet van toepassing zijn op de werkzaamheden van [aannemer] . Volgens [aannemer] is het in de branche ook niet gebruikelijk dat dergelijke richtlijnen worden gehanteerd en [aannemer] kende de Richtlijnen ook niet. [aannemer] stelt verder dat aan haar nooit is gevraagd (bundels van meer dan vier) elektrabuizen in te tekenen. De sparingstekening is [aannemer] toegezonden op 25 maart 2021 met daaraan gekoppeld het verzoek om de benodigde sparingen in te tekenen. Daaraan heeft [aannemer] voldaan. [aannemer] stelt dat zij op dat moment ook niet meer had kunnen doen, omdat de hoeveelheid leidingen en de positie daarvan nog niet bekend was. [geïntimeerde] moest daarvoor eerst nog allerlei keuze maken, aldus [aannemer] . [aannemer] vindt dat haar niet kan worden verweten dat zij alleen sparingen heeft ingetekend. Van Baaren heeft de W-installatie in de breedplaatvloer gelegd zonder rekening te houden met de nog aan te brengen Einstallatie. [aannemer] stelt nooit een tekening met daarop de buizen, kanalen en leidingen van de W-installatie te hebben ontvangen. [aannemer] stelt dat het aan [geïntimeerde] (als opdrachtgever) en Kleijngeld Bouwmaterialen (als leverancier van de breedplaatvloeren) was om de nodige informatie te verkrijgen om de breedplaatvloer te kunnen realiseren. Zuyd Engineering is vervolgens als constructeur eindverantwoordelijk voor de constructieve sterkte van de vloer. Deze partijen zijn volgens [aannemer] tekortgeschoten. In het bijzonder wijst [aannemer] op de tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van de op hem rustende verplichting tot coördinatie van het bouwproces en de invulling daarvan. Subsidiair stelt [aannemer] dat zij niet aansprakelijk is voor de gehele schade, omdat de tekortkomingen van de andere partijen in dit geval van nevenaanneming in de relatie tussen [aannemer] en [geïntimeerde] voor rekening van [geïntimeerde] komen.

Deze grief faalt. [geïntimeerde] wijst er terecht op dat de Richtlijnen stonden vermeld op de tekeningen die [aannemer] heeft ontvangen en [aannemer] moest er daarom vanuit gaan dat de Richtlijnen bij de uitvoering van het werk en in het bijzonder bij de constructieve berekeningen werden gehanteerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [aannemer] verklaard dat de Richtlijnen standaard spelregels zijn die bij elk werk worden meegestuurd. Voor zover zij de Richtlijnen niet kende, had zij zich daarin moeten verdiepen. Dat kon zij eenvoudig doen door de Richtlijnen te lezen zoals die op de tekeningen stonden afgedrukt. [aannemer] had bij de uitvoering van haar werkzaamheden rekening met de Richtlijnen moeten houden. Dat had zij op verschillende momenten kunnen en moeten doen. Op het moment dat haar werd gevraagd op de tekeningen de sparingen aan te geven, had zij voor zover al mogelijk ook de bundels van meer dan vier elektrabuizen moeten intekenen en daarbij de Richtlijnen in acht moeten nemen. Voor zover zij dat nog niet kon, omdat [geïntimeerde] nog niet alle keuzes voor de E-installatie had gemaakt, geldt dat de waarschuwingsplicht die de aannemer op grond van artikel 7:754 BW heeft ook van toepassing is op de uitvoering van de overeenkomst. [aannemer] had in duidelijke bewoordingen moeten aangeven dat het niet maken van keuzes gevolgen kon hebben voor het aantal leidingen in de breedplaatvloer, dat daardoor mogelijk niet aan de Richtlijnen werd voldaan en dat dit gevolgen kon hebben voor de vereiste goedkeuring van de constructieve sterkte van de breedplaatvloer door de constructeur. Ook na de door [geïntimeerde] gemaakte keuzes had [aannemer] moeten aangeven welke gevolgen die keuzes hadden voor het aantal leidingen in de breedplaatvloer en [aannemer] had zich daarbij moeten realiseren dat dit gevolgen kon hebben voor de vraag of nog werd voldaan aan de Richtlijnen. Daarbij had [aannemer] opnieuw moeten waarschuwen dat mogelijk niet zou worden voldaan aan de Richtlijnen en dat dit gevolgen kon hebben voor de beoordeling van de breedplaatvloer door de constructeur. Ten slotte had [aannemer] bij het feitelijk aanbrengen van de leidingen voor de E-installatie in de breedplaatvloer de Richtlijnen in acht moeten nemen en zo nodig moeten aangeven dat zij door de reeds aangebrachte leidingen, buizen en kanalen voor de W-installatie en de BKA-leidingen de in verband met de wensen van [geïntimeerde] voor de E-installatie benodigde leidingen niet (meer) met inachtneming van de Richtlijnen in de vloer kon aanbrengen.

Ook als het tot de taken van [geïntimeerde] als opdrachtgever behoorde om de coördinatie te verzorgen tussen Van Baaren en [aannemer] , en er vervolgens voor te zorgen dat hun beider tekeningen met het benodigde leidingenverloop werden gecombineerd en aan de constructeur ter beoordeling werden voorgelegd, en ook als [geïntimeerde] zelf voorstellen deed voor het leidingverloop en tekeningen aanpaste, mocht van [aannemer] als professionele Einstallateur worden verwacht dat zij met de Richtlijnen rekening hield op de hiervoor vermelde wijze. Dat heeft [aannemer] onvoldoende gedaan en daarom is zij tekortgeschoten in de nakoming van haar waarschuwingsplicht tegenover [geïntimeerde] . Hierbij is van belang dat ook als de opdrachtgever voldoende deskundig is om de gevolgen van het opnemen van bepaalde specificaties in de opdracht te kunnen overzien, die enkele omstandigheid de aannemer niet ontslaat van zijn verplichting de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in die specificaties. [aannemer] heeft nog gesteld dat het de taak van de constructeur is om te controleren of de constructieve eigenschappen van de breedplaatvloer daadwerkelijk gehaald worden en dat de plicht om te waarschuwen dat dit in gevaar komt daarom ook bij de constructeur ligt. Maar ook als aangenomen wordt dat de constructeur een waarschuwingsplicht heeft, betekent dat niet dat op [aannemer] geen enkele waarschuwingsplicht meer rust. Van [aannemer] had ook in die situatie verwacht mogen worden dat zij [geïntimeerde] zou wijzen op de risico’s van zijn wensen en de mogelijke gevolgen daarvan voor de hoeveelheid leidingen in de vloer, het niet kunnen voldoen aan de Richtlijnen en de beoordeling van de breedplaatvloer door de constructeur. Bij een werk met een zo complexe E- en W-installatie kon [aannemer] niet volstaan met afwachten wat de constructeur zou beslissen en het vervolgens – zo nodig en zo mogelijk – achteraf aanpassen van de Einstallatie. [aannemer] heeft nog gewezen op diverse berichten waaruit volgens haar blijkt dat zij [geïntimeerde] wel heeft gewaarschuwd. Het hof ziet in de stukken dat [aannemer] op diverse momenten heeft aangegeven dat de wensen van [geïntimeerde] niet mogelijk waren. Daarbij heeft [aannemer] aangegeven dat er te veel mantelbuizen in de vloer kwamen en dat het beter was om die op een andere manier aan te leggen. Ook heeft [aannemer] aangegeven dat nog niet gemaakte keuzes gevolgen kunnen hebben voor het aantal leidingen in de vloer. Verder heeft [aannemer] erop gewezen dat op sommige plaatsen een groot aantal leidingen in de vloer ligt. Daarmee heeft [aannemer] naar het oordeel van het hof echter niet voldaan aan de op haar rustende waarschuwingsplicht. De opmerkingen die [aannemer] heeft gemaakt, leggen geen voldoende duidelijke link naar de Richtlijnen en de mogelijke gevolgen van het aantal leidingen in de vloer en de plaats daarvan in de vloer voor de beoordeling door de constructeur. Omdat [aannemer] er vanuit moest gaan dat die Richtlijnen werden gehanteerd, had van haar als professionele installateur verwacht mogen worden dat zij duidelijk maakte dat de wensen van [geïntimeerde] en de oplossingen die hij zelf bedacht gevolgen hadden voor het kunnen voldoen aan die Richtlijnen en daarmee ook voor het verkrijgen van de vereiste goedkeuring door de constructeur. Die duidelijkheid heeft [aannemer] onvoldoende gegeven aan [geïntimeerde] .

[aannemer] heeft nog gesteld dat aan de kant van [geïntimeerde] sprake is van schuldeisersverzuim, omdat [geïntimeerde] zijn coördinatieverplichting onvoldoende heeft uitgevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [aannemer] toegelicht dat dit schuldeisersverzuim op 2 augustus 2021 is ontstaan. Op dat moment was [aannemer] zelf echter al in gebreke met het nakomen van de op haar rustende waarschuwingsverplichting. [aannemer] had op meerdere momenten [geïntimeerde] moeten waarschuwen en die moment liggen (in ieder geval grotendeels) vóór 2 augustus 2021. Het door [aannemer] gestelde schuldeisersverzuim kan er daarom niet toe leiden dat [aannemer] niet is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende waarschuwingsplicht.

Met de tweede grief stelt [aannemer] dat zij niet in verzuim is geraakt ten aanzien van het niet nakomen van de waarschuwingsplicht, althans dat het niet nakomen van de waarschuwingsplicht de ontbinding niet rechtvaardigt.

Het niet voldoen aan de waarschuwingsplicht (die wettelijk uit de aannemingsovereenkomst voortvloeit) is een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Dat [aannemer] nog deugdelijk had kunnen nakomen, ziet naar het oordeel van het hof op haar verplichting om het werk en de benodigde tekeningen te realiseren overeenkomstig de Richtlijnen. Het alsnog voldoen aan de waarschuwingsplicht is hier echter de relevante verbintenis en nakoming daarvan is – achteraf – blijvend onmogelijk. Verzuim is op dit punt daarom niet vereist. Of het niet-nakomen van de waarschuwingsplicht de ontbinding van de aannemingsovereenkomst rechtvaardigt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het hof beslist dat in deze zaak die ontbinding niet alleen kan worden gerechtvaardigd door de niet nagekomen waarschuwingsplicht. Daarbij is van belang dat ook indien [aannemer] haar waarschuwingsplicht zou zijn nagekomen, de constructeur de vloer met de daarin aangebrachte voorzieningen nog moest goedkeuren. In dit geval is die goedkeuring niet gegeven en uit het rapport van [deskundige] volgt dat zowel de door Van Baaren, als de door [aannemer] in de breedplaatvloer aangebrachte voorzieningen niet volledig aan de Richtlijnen voldeden. Het hof leidt uit de stukken echter ook af dat het alsnog voldoen aan de Richtlijnen zowel ten aanzien van het maken van tekeningen ten behoeve van een beoordeling door de constructeur, als ten aanzien van de feitelijke uitvoering van het aangenomen werk in de breedplaatvloer, nog mogelijk was. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [geïntimeerde] ook erkend dat beide partijen er na het afkeuren van de vloer vanuit gingen dat herstel mogelijk was, door ervoor te zorgen dat alsnog aan de Richtlijnen zou worden voldaan. Nakoming van de waarschuwingsplicht zou bovendien tot gevolg hebben gehad dat voor [geïntimeerde] duidelijk was geworden dat niet alleen de grote hoeveelheid leidingen ten behoeve van de E-installatie tot problemen met de constructeur zou hebben geleid. Na een dergelijke waarschuwing zou ook duidelijk zijn geworden dat de combinatie van de leidingen, kanalen en buizen ten behoeve van de Winstallatie en de leidingen ten behoeve van de E-installatie tot problemen voor de constructieve sterkte van de vloer zouden kunnen leiden. Uit de stukken (in het bijzonder de door [geïntimeerde] overgelegde mail-wisseling tussen partijen van 5 augustus tot en met 3 november 2021) en de tijdens de mondelinge behandeling door [geïntimeerde] gegeven toelichting daarop volgt naar het oordeel van het hof dat [geïntimeerde] feitelijk de coördinatie van de werkzaamheden van Van Baaren en [aannemer] en het overleg daarover met de constructeur op zich nam. Na het afkeuren van de vloer door de constructeur is duidelijk geworden dat het ontwerp van de Einstallatie moest worden aangepast. [geïntimeerde] en [aannemer] hebben gezamenlijk geprobeerd die aanpassing te realiseren. De constructeur heeft in een mail van 2 augustus 2021 aan [geïntimeerde] geschreven dat er zoveel mogelijk leidingwerk uit de breedplaatvloer gehaald moest worden. [geïntimeerde] heeft daarna echter aan [aannemer] geschreven dat hij wilde dat de leidingen zoveel mogelijk in de vloer werden aangelegd (zie zijn mail van 5 augustus 2021) en hij heeft actief bijgedragen aan de oplossing om dit te realiseren. Dit deed hij door zelf met feitelijke oplossingen te komen en ook door zelf de tekeningen die [aannemer] maakte aan te passen. Eerder had [aannemer] in een mail van 12 mei 2021 al aangegeven dat de door [geïntimeerde] gewenste mantelbuizen in de vloer, in plaats van een kabelgoot onder de vloer, niet zou gaan lukken. Uit de reactie van [geïntimeerde] daarop blijkt dat [geïntimeerde] zelf een oplossing bedacht en intekende waarbij er zoveel mogelijk mantelbuizen in de vloer kwamen, om zo definitief van een ladderbaan onder het plafond af te zijn. Uit de overgelegde mails en de verklaring van [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling leidt het hof af dat [geïntimeerde] zich niet gemakkelijk liet overtuigen dat zijn wensen niet gerealiseerd konden worden en dat er een zeer heldere boodschap nodig was om hem op een ander spoor te zetten. Dat betekent enerzijds dat [aannemer] haar waarschuwingen in niet mis te verstane bewoordingen had moeten geven, maar het betekent ook dat niet aannemelijk is dat [geïntimeerde] zich er direct bij de eerste waarschuwing bij neer zou leggen dat zijn wensen niet gerealiseerd konden worden. Verder blijkt uit de mails van [geïntimeerde] van 5 augustus 2021, 27 augustus 2021 en 6 oktober 2021 dat het ook volgens [geïntimeerde] mogelijk was de Einstallatie op een zodanige manier in de vloer te verwerken, dat goedkeuring van de constructeur kon worden verkregen. In zijn mail van 10 oktober 2021 schrijft [geïntimeerde] dat alleen nog ‘de laatste puntjes op de i’ moeten worden gezet, voordat de tekeningen opnieuw naar de constructeur gestuurd kunnen worden. Het voldoen aan de waarschuwingsplicht zou er daarom volgens het hof hooguit toe hebben geleid dat er eerder goedkeuring van de constructeur was verkregen en dat de E-installatie mogelijk al bij de eerste uitvoering van het werk op een voor de constructeur acceptabele wijze in de vloer was verwerkt. Het niet nakomen van de waarschuwingsplicht heeft in dit geval dus alleen geleid tot vertraging en die enkele omstandigheid is niet voldoende voor een volledige ontbinding van de overeenkomst. [geïntimeerde] heeft geen verweer gevoerd dat tot een andere uitkomst kan leiden. De tweede grief van [aannemer] slaagt.

Dan komt het hof op grond van de devolutieve werking toe aan de beoordeling van de twee andere tekortkomingen van [aannemer] die volgens [geïntimeerde] aan de orde zijn en ieder voor zich en in onderlinge samenhang de ontbinding van de aannemingsovereenkomst rechtvaardigen. Dit betreft het verwijt van [geïntimeerde] dat [aannemer] het volgens de Richtlijnen relevante leidingenverloop niet op de tekeningen ten behoeve van de beoordeling door de constructeur heeft aangegeven en het verwijt dat [aannemer] de E-installatie niet overeenkomstig de Richtlijnen in de breedplaatvloer op de begane grond heeft aangebracht.

Uit wat het hof hiervoor in 3.28 heeft vermeld volgt dat nakoming van de verbintenis op deze beide onderdelen niet blijvend of tijdelijk onmogelijk was. Van een tekortkoming die tot ontbinding kan leiden is dan pas sprake als [aannemer] met betrekking tot de nietnakoming in verzuim verkeerde. Het hof oordeelt dat daarvan geen sprake is, voor zover het de twee in 3.29 genoemde verwijten van [geïntimeerde] betreft.

Tijdens de mondelinge behandeling is namens [geïntimeerde] gezegd dat partijen na de afkeuring van de vloer door de constructeur samen naar herstel hebben toegewerkt. Ook in de memorie van antwoord staat dat sprake is geweest van een dialoog tussen [geïntimeerde] en [aannemer] over een mogelijke oplossing. In punt 59 van de conclusie van antwoord van [geïntimeerde] staat letterlijk dat [aannemer] zich bereid verklaarde om haar contractuele verplichtingen na te leven. Het hof begrijpt de stellingen van [geïntimeerde] zo, dat hij stelt dat op enig moment uit de houding van [aannemer] bleek dat aanmaning nutteloos zou zijn, of dat [geïntimeerde] uit een mededeling van [aannemer] mocht afleiden dat [aannemer] in de nakoming van de overeenkomst zou tekortschieten. [geïntimeerde] verwijst op dit punt naar de hiervoor besproken mails van 5 augustus 2021 tot en met 3 november 2021. Het hof heeft de advocaat van [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling gevraagd om toe te lichten waar in die correspondentie een dergelijke mededeling staat, of waaruit die houding blijkt. Namens [geïntimeerde] is gezegd dat het beroep op opschorting door [geïntimeerde] is opgevat als een mededeling dat [aannemer] in de nakoming van de overeenkomst zou tekortschieten. In hoger beroep staat vast dat het beroep op opschorting niet gezien kan worden als een beroep op ontbinding. Uit de mails waar [geïntimeerde] naar verwijst blijkt dat [aannemer] nog steeds bereid was na te komen en er ook vanuit ging dat zij dat zou kunnen doen. Alleen stelde [aannemer] op enig moment de voorwaarde dat haar laatste factuur eerst geheel of gedeeltelijk betaald moest worden. Dat kan niet worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in artikel 6:83 aanhef en onder c BW. Ook leest het hof hier geen aanwijzing in dat uit de houding van [aannemer] kan worden afgeleid dat aanmaning nutteloos zou zijn. Partijen gingen er tot het moment van opschorting door [aannemer] beide vanuit dat nakoming nog mogelijk was. [aannemer] wilde aanvankelijk dat haar laatste factuur geheel betaald werd, maar zij was daarna bereid met betaling van 50% genoegen te nemen. [geïntimeerde] wilde niet meer dan 25% betalen. Dat zij hier niet samen uit zijn gekomen, is geen reden om aan te nemen dat verdere aanmaning tot nakoming van de overeenkomst op het punt van de twee door [geïntimeerde] gestelde verwijten nutteloos zou zijn. [geïntimeerde] heeft nog aangevoerd dat hij [aannemer] een termijn voor herstel heeft gegeven en dat het [aannemer] niet is gelukt binnen die termijn tot een goede oplossing te komen. Ook daarin ziet het hof geen weg om tot het in verzuim geraken van [aannemer] te komen. Nadat de vloer door de constructeur was afgekeurd, zijn [aannemer] en [geïntimeerde] samen op zoek gegaan naar een oplossing om tot een voor de constructeur acceptabele aanleg van de E-installatie in de breedplaatvloer te komen. Zij hebben daarin actief samengewerkt, waarbij [geïntimeerde] meedacht en duidelijke wensen op tafel legde. Het hof leest in de gang van zaken en de vele uitgewisselde mails niet een termijn(stelling) als bedoeld in artikel 6:83 aanhef en sub a BW.

[geïntimeerde] heeft in punt 66 van de conclusie van antwoord nog gesteld dat het verzuim van [aannemer] is ingetreden omdat “ niet of niet toereikend reageerde op verzoeken van schuldeiser [geïntimeerde] of toezegde te reageren om binnen een redelijke termijn toe te zeggen dat [aannemer] binnen gestelde, eveneens redelijke, termijnen zou nakomen, en/of om zich binnen een redelijke termijn uit te laten over de wijze waarop en de termijn waarbinnen [aannemer] door de door [geïntimeerde] omschreven gebreken in de uitvoering van de overeenkomst zal herstellen.“ [geïntimeerde] verwijst op dit punt naar het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019.

Het hof is met [geïntimeerde] eens dat uit het arrest waarnaar hij verwijst volgt dat in het door [geïntimeerde] in punt 66 beschreven geval verzuim zonder ingebrekestelling kan intreden. Daarbij is onder meer van belang hoe concreet de schuldeiser de te herstellen gebreken heeft aangeduid en hoe specifiek hij heeft aangedrongen op een mededeling van de schuldenaar. Bij de beoordeling of de schuldeiser uit de reactie van de schuldenaar, of uit het uitblijven daarvan, heeft mogen afleiden dat de schuldenaar niet tijdig of niet behoorlijk zou nakomen, kunnen ook latere feiten en omstandigheden van belang zijn. [geïntimeerde] heeft naar het oordeel van het hof echter niet voldoende toegelicht op grond van welke specifieke omstandigheden de redelijkheid en billijkheid in dit geval meebrengen dat het verzuim van [aannemer] zonder ingebrekestelling is ingetreden, althans dat [aannemer] op het ontbreken van een ingebrekestelling in redelijkheid geen beroep kan doen. De functie van een ingebrekestelling is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is. Tot het moment dat [aannemer] haar werkzaamheden opschortte, onder meer omdat [geïntimeerde] de laatste termijnfactuur niet betaalde, werkten partijen actief samen om ervoor te zorgen dat de aangelegde Einstallatie zo zou worden aangepast dat deze aan de Richtlijnen zou voldoen en de constructeur de breedplaatvloer zou goedkeuren. [geïntimeerde] heeft er in de mails tot aan die opschorting geen blijk van gegeven dat hij vreesde dat het voor [aannemer] niet mogelijk was de E-installatie zodanig in de breedplaatvloer te verwerken dat aan de Richtlijnen werd voldaan. Ook uit de mails van [aannemer] valt niet af te leiden dat het volgens haar niet mogelijk was om de E-installatie met inachtneming van de Richtlijnen in de breedplaatvloer te verwerken. Hoewel de toon in de laatste mails kort voor de opschorting door [aannemer] verhardde, is het hof van oordeel dat het voor [aannemer] niet duidelijk hoefde te zijn dat zij niet alsnog de gelegenheid zou krijgen om de door [geïntimeerde] gestelde gebreken te herstellen. Daarom had de ingebrekestelling niet achterwege kunnen blijven en had [geïntimeerde] [aannemer] eerst duidelijk moeten maken tot welk moment zij nog kon nakomen en zo vastleggen vanaf welk moment de nietnakoming zou veranderen in een tekortkoming. Dat [aannemer] , zoals [geïntimeerde] stelt, geen verweer heeft gevoerd tegen de opmerkingen van de constructeur en aanvankelijk wilde meewerken aan herstel, maakt niet dat na de ontstane discussie over de betaling van de laatste termijnfactuur van [aannemer] in redelijkheid geen ingebrekestelling meer nodig was. Ook ten tijde van de opschorting moet het voor [geïntimeerde] duidelijk zijn geweest dat [aannemer] nog steeds bereid was om de Einstallatie aan te passen teneinde aan de Richtlijnen te voldoen. In de mail van 1 november 2021, waarin [aannemer] haar werkzaamheden opschort, schrijft [aannemer] immers: “Om verder te gaan zal de gehele betaling dienen te geschieden en tevens goede afspraken voor het verder bouwproces.” Daaruit volgt dat [aannemer] er vanuit ging dat zij haar werkzaamheden zou hervatten, nadat de redenen voor de opschorting waren weggenomen.

[geïntimeerde] heeft nog gesteld dat de brief van zijn advocaat van 8 december 2021 een ingebrekestelling bevat. Ook dit kan [geïntimeerde] niet baten. In deze brief is het standpunt van [geïntimeerde] dat hij de overeenkomst niet heeft willen ontbinden op 3 november 2021. In hoger beroep staat echter vast dat [aannemer] de mail van [geïntimeerde] van 3 november 2021 als een ontbinding heeft mogen opvatten. Zo de brief van 8 december 2021 al een ingebrekestelling bevat, kan die niet veranderen dat de ontbinding van 3 november 2021 is gedaan zonder de vereiste voorafgaande ingebrekestelling.

De slotsom is dat [geïntimeerde] de overeenkomst met [aannemer] op 3 november 2021 niet mocht ontbinden op grond van de twee in 3.29 vermelde verwijten. Omdat het hof hiervoor al heeft beslist dat de niet-nakoming van de waarschuwingsplicht de ontbinding niet rechtvaardigt, is in dit geval sprake van een onterecht ingeroepen ontbinding.

[geïntimeerde] heeft geen verweer gevoerd tegen de stelling van [aannemer] dat zij de onterecht ingeroepen ontbinding in dit geval mocht opvatten als een opzegging van de aannemingsovereenkomst door [geïntimeerde] . Dit betekent dat er na 3 november 2021 geen overeenkomst meer bestond tussen partijen en er dus ook geen sprake meer kan zijn van een ontbinding van die bestaand hebbende overeenkomst, zoals door [geïntimeerde] in de procedure bij de rechtbank primair is gevorderd. [geïntimeerde] heeft ook geen verweer gevoerd tegen de stelling van [aannemer] dat zij na opzegging op grond van de wet recht heeft op betaling van de voor het gehele werk geldende prijs, verminderd met de besparingen die voor [aannemer] uit de opzegging voortvloeien. [aannemer] vordert betaling van de opstaande derde termijnfactuur (€ 48.800 incl. btw) en van de vergoeding na opzegging, berekend volgens de norm van artikel 7:764 lid 2 BW (€ 205.116,78 incl. btw). Daarnaast vordert [aannemer] nog vergoeding van de door haar als gevolg van de onterechte ontbinding geleden schade (€ 5.280,- incl. btw) en vergoeding van de kosten van de door haar ingeschakelde deskundige (€ 4.488,60 excl. btw). [geïntimeerde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van de vier componenten van de vordering van [aannemer] en evenmin tegen de (door [aannemer] met stukken onderbouwde) hoogte daarvan. [aannemer] vordert ook betaling van buitengerechtelijke kosten. De hoogte daarvan baseert zij op de omvang van haar vordering. Ook hiertegen heeft [geïntimeerde] geen verweer gevoerd. Het hof zal daarom de vordering van [aannemer] alsnog geheel toewijzen. Omdat [geïntimeerde] de overeenkomst met [aannemer] niet mocht ontbinden, zal het hof de vordering van [geïntimeerde] alsnog geheel afwijzen. Aan beoordeling van het incidenteel hoger beroep komt het hof daardoor niet toe.

[aannemer] heeft nog bezwaar gemaakt tegen de stukken die namens [geïntimeerde] opnieuw in het geding zijn gebracht, omdat de eerder overgelegde stukken niet voldeden aan het procesreglement. [aannemer] wil dat het hof uitgaat van de door haar overgelegde stukken en de opnieuw door [geïntimeerde] overgelegde stukken buiten beschouwing laat, omdat die afwijken van de oorspronkelijk in het geding gebrachte stukken. Gelet op de uitkomst van deze zaak heeft [aannemer] geen belang meer bij een beslissing op dit punt.

De conclusie

Het hoger beroep van [aannemer] slaagt. Omdat [geïntimeerde] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten zowel in (principaal) hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Bij de proceskostenveroordeling houdt het hof rekening met het getuigenverhoor dat heeft plaatsgevonden tijdens de mondelinge behandeling.

[geïntimeerde] wilde meer toegewezen krijgen dan bij de rechtbank, waarvoor het instellen van incidenteel hoger beroep door hem noodzakelijk was. Omdat het door [aannemer] ingestelde hoger beroep slaagt en tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] leidt, komt het hof niet toe aan de beoordeling van het incidenteel hoger beroep. Dit brengt mee dat [geïntimeerde] ook in het incidenteel hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt. Het hof zal [geïntimeerde] daarom ook veroordelen om de kosten van [aannemer] in het incidenteel hoger beroep te betalen. Het hof begroot die kosten op 1 punt maal de helft van het in principaal hoger beroep geldende tarief.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland van 9 augustus 2023 en 6 maart 2024 en beslist:

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen tien dagen na vandaag aan [aannemer] € 259.196,- te betalen, welk bedrag moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 25 januari 2022 tot aan de dag van algehele betaling;

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen tien dagen na vandaag aan [aannemer] de kosten van de door haar ingeschakelde deskundige van € 4.480,60 (excl. btw) te betalen;

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen tien dagen na vandaag aan [aannemer] € 3.070,- te betalen wegens gemaakte buitengerechtelijke kosten;

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [aannemer] in conventie tot aan de uitspraak van 6 maart 2024 van de rechtbank:

€ 5.737,- aan griffierecht

€ 105,97 aan kosten voor het betekenen van de dagvaarding aan [geïntimeerde]

€ 5.290,- aan salaris van de advocaat van [aannemer] (2 procespunten x het toepasselijke tarief € 2.645,-)

en tot betaling van de volgende proceskosten van [aannemer] in reconventie tot aan de uitspraak van 6 maart 2024 van de rechtbank:

€ 3.760,- aan salaris van de advocaat van [aannemer] (2 procespunten x het toepasselijke tarief € 1.880,-)

en tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep:

€ 6.561,- aan griffierecht

€ 112,37 aan kosten voor het betekenen van de dagvaarding aan [geïntimeerde]

€ 15.498,- aan salaris van de advocaat van [aannemer] (3 procespunten x het toepasselijke tarief € 4.428,- vermeerderd met 1 procespunt x € 2.214,-);

bepaalt dat al deze proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, D.W.J.M. Kemperink en A.G.J. van Wassenaer van Catwijck, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?