GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/36
uitspraakdatum: 2 december 2025
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummer ARN 22/1155, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur)
1. Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 1.568.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 500, € 837 en € 184.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.
2. Feiten
Belanghebbende heeft voor een Opel Mokka X 1.4 Turbo Innovation (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 2.362 aan BPM voldaan. Bij de aangifte is een taxatierapport met dagtekening 29 december 2020 gevoegd waarin schade is gecalculeerd op € 11.127. Deze schade is voor 72% in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde die is bepaald op basis van verkoopadvertenties van drie vergelijkbare voertuigen.
De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd, omdat belanghebbende in zijn aangiften voor de historische BPM ten onrechte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van WLTP 162 gr/km, terwijl de RDW deze heeft bepaald op WLTP 186 gr/km. De naheffingsaanslag is als volgt berekend:
Catalogusprijs
€ 25.356
BPM
7.642
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
37.146
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; advertenties)
19.500
Schade (72% van € 11.127)
-/- 8.011
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
11.489
Afschrijving
69,07%
Historische BPM (CO2-uitstoot 186 gr/km)
13.762
Afschrijving (69,07%)
-/- 9.507
= Verschuldigde BPM
4.255
Extra leeftijdskorting (4,726% * € 6.877)
-/- 325
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 2.362
Naheffingsaanslag
€ 1.568
3. Geschil
In geschil is of de naheffingsaanslag tot een juist bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10 lid 2 Wet BPM de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een CO2-uitstoot van WLTP 186 gr/km) is verschuldigd, en niet aan de hand van de BPM die voor een auto met een CO2-uitstoot van WLTP 162 gr/km) is verschuldigd, zoals waarvan belanghebbende in zijn aangifte was uitgegaan en de Inspecteur ook bij het vaststellen van de naheffingsaanslag.
De Inspecteur beroept zich in zijn verweerschrift op interne compensatie in die zin dat een verlaging van de naheffingsaanslag als gevolg van een hogere historische nieuwprijs niet zou moeten plaatsvinden, omdat belanghebbende op een andere grond – inhoudende dat geen schade in aanmerking kan worden genomen omdat het taxatierapport niet aan de wettelijke vereisten voldoet en bovendien belanghebbende de schade niet aannemelijk heeft gemaakt – meer BPM is verschuldigd.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de uitspraak van de Rechtbank.
4. Beoordeling van het geschil
Historische nieuwprijs; BPM van te registreren auto
Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen. Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende.
Handelsinkoopwaarde; invloed van hogere CO2-uitstoot
Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De handelsinkoopwaarde is blijkens de aangifte gebaseerd op een auto met een CO2-uitstoot van 162 gr/km, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 186 gr/km heeft.
Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. Die hogere CO2-uitstoot wordt immers veroorzaakt door een andere – over het algemeen duurdere – uitrusting of uitvoering.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen. Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
Belanghebbende is niet in zijn bewijslast geslaagd. Hij heeft op generlei wijze zijn stelling onderbouwd dat de afwijkende CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, bijvoorbeeld met een koerslijst of deskundigenonderzoek waaruit dit blijkt. Het bij de aangiften gevoegde taxatierapporten – welke taxatie is gebaseerd op verkoopadvertenties van vergelijkbare auto’s – voldoet niet, reeds omdat de CO2-uitstoot van de daarin vermelde auto’s niet bekend is. Dit betekent dat het Hof ervan uitgaat dat de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt.
Nu het betoog van belanghebbende faalt, komt het Hof niet toe aan een beoordeling van het beroep van de Inspecteur op interne compensatie.
Slotsom
Gelet op het hiervoor overwogene dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard.
5. Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.
6. Beslissing
Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.