ECLI:NL:GHARL:2025:7806

ECLI:NL:GHARL:2025:7806, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 08-12-2025, Wahv 200.354.729/01

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 08-12-2025
Datum publicatie 08-01-2026
Zaaknummer Wahv 200.354.729/01
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Hoorplicht. In de inleidende beschikking wordt de betrokkene erop gewezen dat als hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord hij dit uiterlijk voor het einde van de beroepstermijn moet aangeven. In dit geval is pas na afloop van de gestelde termijn verzocht om te worden gehoord. Dit brengt mee dat van het horen mocht worden afgezien.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

De beslissing van de kantonrechter

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 16 april 2025, betreffende

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen, evenals het verzoek om een dwangsom.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 370,- opgelegd voor: “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 1 februari 2023 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de hoorplicht is geschonden door de officier van justitie. Er is een ingebrekestelling ingediend en vervolgens is meteen een beslissing genomen zonder dat een hoorzitting heeft plaatsgevonden. In dit geval moet de sanctie met 25 procent worden gematigd (ECLI:NL:GHARL:2025:1912).

3. Deze grond faalt. Het is het hof ambtshalve bekend dat de betrokkene in de inleidende beschikking wordt gewezen op het recht om te worden gehoord en dat dit uiterlijk voor het einde van de beroepstermijn moet worden aangegeven als de betrokkene hiervan gebruik wenst te maken. De betrokkene heeft zelf administratief beroep ingesteld en niet verzocht om te worden gehoord. De gemachtigde heeft zich bijna vijf maanden nadat de betrokkene beroep had ingesteld, gesteld als gemachtigde en de gronden van het beroep aangevuld. Daarbij is weliswaar verzocht om te worden gehoord, maar dit is pas na afloop van de door de officier van justitie gegeven termijn aangegeven. Dat betekent dat de officier van justitie op grond van artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen mocht afzien.

4. Verder voert de gemachtigde aan dat de sanctie moet worden gematigd omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.

5. Deze grond treft doel. De betrokkene is bekend geraakt met overtreding middels de inleidende beschikking van 23 maart 2023 en de kantonrechter heeft op 16 april 2025 uitspraak gedaan. De redelijke termijn van berechting van twee jaar is overschreden. Dit betekent dat het sanctiebedrag met 25 procent moet worden gematigd. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen en doen wat de kantonrechter zou behoren te doen.

6. Verder voert de gemachtigde aan dat de officier van justitie een dwangsom verschuldigd is omdat niet tijdig op het administratief beroep is beslist. De gemachtigde en de betrokkene hebben nooit een verdagingsbrief ontvangen waarmee de beslistermijn is verlengd. Uit het document ‘Beschrijving verzending brieven vanuit MAPS’ volgt dat de verdagingsbrief via de vaste werkwijze kan worden verzonden of middels een handmatige brief. Er dient een verzendadministratie te worden overgelegd waaruit blijkt op welke wijze de verdagingsbrief is verzonden. Vervolgens is een ingebrekestelling ontvangen door de officier van justitie op 8 september 2023. De beslissing van de officier van justitie is op 18 oktober 2023 ontvangen. Er is volgens de gemachtigde een dwangsom verschuldigd gedurende 26 dagen.

7. Het hof stelt vast dat de beslistermijn in beginsel op 25 augustus 2023 eindigde. In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie met dagtekening 16 augustus 2023, waarin wordt medegedeeld dat de beslistermijn met 10 weken wordt verlengd. Deze brief is aan de betrokkene geadresseerd. Het hof heeft in het arrest van 13 mei 2025 vastgesteld dat het verzendproces zo is ingericht, dat de kans op fouten nagenoeg is uitgesloten (ECLI:NL:GHARL: 2025:2912). Daarom mag ervan worden uitgegaan dat deze brief daadwerkelijk is verzonden. De enkele betwisting van de ontvangst is onvoldoende om hieraan te twijfelen. Het hof kan de gemachtigde niet volgen in diens stelling dat de verdagingsbrief middels een handmatige brief kan worden verzonden. Uit de informatie waar hij naar verwijst en die ook is beoordeeld in het hiervoor genoemde arrest blijkt juist dat de brieven waarmee de beslistermijn wordt verlengd altijd via een vaste werkwijze worden verzonden via de printer van het CJIB. Derhalve is geen verzendadministratie vereist.

8. Het hof heeft in het hiervoor genoemde arrest verder overwogen dat ervan moet worden uitgegaan dat de brieven betreffende het verlengen van de beslistermijn door de officier van justitie maximaal acht dagen na dagtekening bij de betrokkene worden bezorgd. Het hof houdt het ervoor dat de brief met dagtekening 16 augustus 2023 op 24 augustus 2023 bij de betrokkene is bezorgd.

9. Voor zover de gemachtigde stelt dat hij deze brief niet heeft ontvangen, overweegt het hof dat de betrokkene zelf administratief beroep heeft ingesteld. De gemachtigde heeft zich op 10 augustus 2023 gesteld als gemachtigde en de gronden van het beroep aangevuld. Dit was enkele dagen voordat de verdagingsbrief is verzonden. Hoewel in strijd met artikel 6:17 van de Awb de brief niet (ook) naar de gemachtigde is gestuurd, brengt dit niet mee dat de beslistermijn niet is verlengd (vgl. het arrest van het hof van 1 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:754).

10. Gelet op het voorgaande is de beslistermijn tijdig verlengd. De beslistermijn eindigde op 3 november 2023. De op 8 september 2023, 29 september 2023 en 16 oktober 2023 door de officier van justitie ontvangen ingebrekestellingen zijn prematuur. Dit betekent dat de officier van justitie geen dwangsom heeft verbeurd.

11. De gemaakte proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 453,50 (= 1 x € 907,- x 0,5).

12. Naar het oordeel van het hof bestaat in deze zaak tevens aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in hoger beroep. Aan het indienen van het hoger beroepschrift en een nadere toelichting daarop dient 1,5 punt te worden toegekend. In de fase van het hoger beroep, waarin de betrokkene slechts in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. De beslissing van de kantonrechter is na 31 december 2023 bekend gemaakt. Het hof past de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, onder a, van de Wahv. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten € 170,06 (= 1,5 x € 907,- x 0,5 x 0,25).

13. Het hof zal de advocaat-generaal, gelet op het voorgaande, aldus veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van in totaal 623,56 (= € 453,50 + € 170,06).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;

wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 277,50;

bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 623,56;

wijst het verzoek tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Wijmenga

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?