GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.353.930
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 585123 en 586104
beschikking van 9 december 2025
over de zorgregeling van [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker] (de vader)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. K. el Joghrafi
en
de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI)
die is gevestigd in Utrecht
en
[verweerster] (de moeder)
die woont op een geheim adres
advocaat: mr. N.J. Hos
1. Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht heeft op 7 januari 2025 beslist dat er voorlopig geen contact zal zijn tussen de vader en [de minderjarige] . Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , die is geboren [in] 2018.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de moeder.
[de minderjarige] staat sinds 30 augustus 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is verlengd tot 30 augustus 2026.
Na de zomervakantie van 2024 gold tussen de vader en [de minderjarige] een zorgregeling, waarbij [de minderjarige] eens in de twee weken een weekend bij de vader was. De vader haalde [de minderjarige] op vrijdag uit school en bracht hem op maandag weer naar school.
3. De procedure bij de kinderrechter
De GI heeft de kinderrechter verzocht om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor vier maanden. Daarnaast heeft de GI de kinderrechter verzocht om als zorgregeling vast te stellen dat er geen contact tussen [de minderjarige] en de vader zal zijn.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI over de uithuisplaatsing afgewezen en het verzoek van de GI over de zorgregeling toegewezen.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 7 januari 2025.
4. De procedure bij het hof
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over de zorgregeling. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter over de zorgregeling ongedaan maakt.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
De moeder wil ook dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift, binnengekomen op 7 april 2025
het verweerschrift van de GI
De zitting bij het hof was op 11 november 2025. Aanwezig waren:
de vader met zijn advocaat
de moeder met haar advocaat en een tolk
twee vertegenwoordigers van de GI
5. Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
De kinderrechter kan voor de duur van de ondertoezichtstelling een zorgregeling vaststellen of wijzigen op verzoek van de GI, als dat noodzakelijk is in het belang van het kind.
Hoe oordeelt het hof?
De kinderrechter had niet als zorgregeling moeten vaststellen dat er voorlopig geen contact zal zijn tussen [de minderjarige] en de vader. Het hof zal de zorgregeling wijzigen en een regeling vaststellen waarbij [de minderjarige] en de vader minimaal één uur per twee weken contact hebben met elkaar onder begeleiding van de GI. Het hof zal deze beslissing hierna uitleggen.
De vader heeft aangevoerd dat de omgang tussen hem en [de minderjarige] tot november 2024 goed verliep en op het punt stond om te worden uitgebreid. Ook volgens de GI en de bij de omgang betrokken hulpverleningsorganisatie [naam1] is de omgang goed verlopen en zijn er over dat contact geen zorgen. In het verslag van [hulpverleningsorganisatie] van 2 december 2024 staat ook dat de vader zich goed liet coachen. De vader had het af en toe moeilijk met het gedrag van [de minderjarige] , maar hij heeft laten zien dat hij zich sterk inzet voor [de minderjarige] en dat hij een duidelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt in zijn rol als opvoeder, aldus [hulpverleningsorganisatie] . Het probleem ligt volgens de GI ook niet bij de omgang zelf, maar in het feit dat de verhouding tussen de ouders en de manier waarop zij met en over elkaar communiceren zo slecht is, dat [de minderjarige] daarmee ernstig belast wordt.
Anders dan de kinderrechter vindt het hof dat onvoldoende om de vader en [de minderjarige] het recht op omgang met elkaar (tijdelijk) geheel te ontzeggen, zeker nu de hulpverleners het erover eens zijn dat de contacten op zichzelf goed verliepen. Naar het oordeel van het hof is het niet goed voor [de minderjarige] als hij zijn vader gedurende lange tijd helemaal niet ziet. Daarbij is het in het belang van [de minderjarige] dat de regie over de zorgregeling (en eventuele uitbreiding daarvan) bij de GI ligt. Die regie is ook nodig omdat inmiddels voor [de minderjarige] een intensief traject is gestart bij [naam2] (dagbehandeling, diagnostiek, onderwijs en therapie). In het kader van dat traject zal volgens de GI ook worden gekeken naar wat voor [de minderjarige] haalbaar en verantwoord is in het contact met de vader. Afhankelijk van het verloop en uitkomsten van dat traject kan een verdere uitbreiding van de frequentie en de duur van de contacten en de wijze van begeleiding door de GI worden bepaald.
In deze omstandigheden acht het hof de volgende – minimale – zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] het meest in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] zal één uur per twee weken contact hebben met de vader op een door de GI te bepalen plaats en onder begeleiding van de GI, waarbij de GI de regie houdt en – als deze regeling goed verloopt – vervolgstappen zet.
6. De slotsom
Het hof zal de bestreden beschikking uitsluitend ten aanzien van de daarin vastgestelde zorgregeling vernietigen en beslissen als volgt.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 7 januari 2025 voor zover hierin de zorgregeling is gewijzigd en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder in die zin dat de vader en [de minderjarige] één keer per twee weken één uur contact hebben met elkaar onder begeleiding van de GI en op een door de GI te bepalen plaats, waarbij de GI de regie houdt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, R. Feunekes, A.T. Bol, is getekend door mr. Feunekes en is op 9 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.