Bewijsoverwegingen
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat aangeefster consistent is geweest in haar verklaringen. Deze verklaringen die specifiek en gedetailleerd zijn, worden op belangrijke punten ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals hierboven opgenomen.
Het hof heeft de camerabeelden gezien en ziet geen aanleiding om aan de weergave daarvan door de verbalisanten te twijfelen.
Voor wat betreft het brengen van de tong van verdachte in de mond van aangeefster overweegt het hof, anders dan de rechtbank, dat dit deel uitmaakt van een en hetzelfde wilsbesluit. Verdachte had voordien immers al aangegeven dat hij met aangeefster naar boven wilde.
Verdachte heeft meermaals aangevoerd dat het beeld wat in het dossier geschetst wordt niet overeenkomt met de werkelijkheid. Verdachte heeft – zakelijk weergegeven en samengevat – verklaard dat hij en aangeefster elkaar bij een uitgaansgelegenheid hebben ontmoet, gezamenlijk uit de stad zijn vertrokken en samen zijn opgelopen naar haar woning. Die keren dat hij op de camerabeelden van de route vanuit de stad naar haar huis achter haar liep, was dat, omdat hij een joint of een sigaret aan het roken was. Bij de woning van aangeefster hebben zij nog enige tijd buiten gezeten en gekletst. In de hal hebben zij met wederzijdse instemming gezoend en zijn zij ten val gekomen, omdat hij struikelde. Daarna zijn zij naar haar slaapkamer vertrokken, waarna er met wederzijdse toestemming seksueel contact heeft plaatsgevonden..
Het hof gaat voorbij aan dit scenario, omdat dit scenario op geen enkele manier aannemelijk is geworden. Het hof heeft de camerabeelden van de cafébezoeken en wandelroute naar huis van aangeefster gezien en ziet geen aanleiding om aan de weergave daarvan door de verbalisanten te twijfelen. Nergens is verdachte samen met aangeefster in of buiten een café te zien. Evenmin is verdachte te zien op de beelden van aangeefsters route naar huis, met uitzondering van het laatste stuk. Anders dan verdachte verklaart, blijkt uit deze beelden niet van gezamenlijk oplopen en evenmin van het roken van een sigaret of joint. Tussen de laatste beelden van de looproute en het eerste beeld van de Ring-deurbel bij aangeefsters voordeur zit slechts een hele korte tijd, zodat evenmin gebleken is van het enige tijd samen buiten de woning van aangeefster zitten en kletsen. Tot slot, blijkt uit de beschrijving van de beelden van de Ring-deurbel evenmin dat aangeefster verdachte uitnodigt om binnen te komen of met haar naar boven te gaan. Zij vraagt hem wel meermaals weg te gaan en ontkent richting verdachte dat er iets is boven in haar woning.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 7 juli 2024 te [plaats] , met een persoon, te weten [benadeelde] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen/duwen van zijn penis in haar vagina en/of het brengen/duwen van zijn penis tussen haar billen en/of tegen haar anus, althans tegen haar billen en/of het brengen/duwen van zijn tong in haar mond, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door plotseling naast die [benadeelde] te gaan staan, op het moment dat zij de voordeur van haar woning tracht te openen en/of die [benadeelde] , met kracht, naar de grond te gooien en/of te duwen en/of die [benadeelde] bij de keel te grijpen en/of de keel, met kracht, dicht te knijpen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde levert op:
Opzetverkrachting voorafgegaan door geweld
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis waarvan beroep ook te bevestigen ten aanzien van de oplegging van de straf.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat, indien het hof wel tot een veroordeling zou komen, het hof de door de rechtbank opgelegde straf aanzienlijk matigt.
Het oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf en/of maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting. Hij is aangeefster gevolgd toen zij naar huis liep. Hij heeft urenlang de signalen en verzoeken van aangeefster om weg te gaan genegeerd. Hij heeft aangeefster in haar woning bij haar nek gepakt, zijn tong in haar mond geduwd en haar naar de grond gewerkt, vervolgens heeft hij haar vaginaal gepenetreerd en heeft hij zijn penis tussen haar billen en tegen haar anus gebracht.
Verdachte heeft met zijn handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Door voorbij te gaan aan de fysieke en verbale signalen die aangeefster gaf om aan te geven dat zijn niet wilde, heeft verdachte de positie van aangeefster volkomen ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Hij heeft daarbij tevens de veiligheid van haar eigen huis onherstelbaar beschadigd. Verdachte heeft ter terechtzitting geen blijk gegeven van enig zelfinzicht.
Hierbij past naar het oordeel van het hof geen andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat tot uitgangspunt genomen de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd, zoals neergelegd in de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Op verkrachting stond onder de oude wet maximaal 12 jaar gevangenisstraf. Deze maximale straf komt overeen met de maximale straf die staat op gekwalificeerde opzetverkrachting. De LOVS oriëntatiepunten gaan voor artikel 242 (oud) Sr. bij verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang uit van 36 maanden. Het hof neemt derhalve 36 maanden gevangenisstraf als uitgangspunt. Nu verdachte aangeefster heeft achtervolgd, de verkrachting heeft plaatsgevonden in haar eigen woning en verdachte geen enkel inzicht in de verwerpelijkheid van zijn eigen handelen heeft getoond, acht het hof in de onderhavige zaak een gevangenisstraf van 42 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.650,50 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 15.650,50.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting aangevoerd dat in eerste aanleg de toekomstige kosten niet zijn toegewezen en dat het hof daar in hoger beroep niets aan hoeft te doen, nu deze kosten ook nu nog niet zijn gemaakt.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof op de vordering van de benadeelde partij beslist op dezelfde wijze als de rechtbank heeft gedaan.
De verdediging heeft in verband met haar standpunt in de strafzaak bepleit dat de benadeelde partij niet ontvankelijk wordt verklaard in de vordering. Verder stelt de verdediging dat de hoogte van de immateriële schade in een lagere categorie valt dan bepleit door de benadeelde partij en hooguit € 2.500,- tot 7.500,- zou bedragen.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof zal evenals de rechtbank heeft gedaan de vergoeding van toekomstige schade niet toewijzen, nu de kosten nog niet zijn gemaakt en evenmin op eenvoudige wijze de toekomstige kosten geschat kunnen worden. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. De benadeelde partij kan daarom in dit deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Het hof wijst evenals de rechtbank een bedrag van € 650,- voor materiële schade en een bedrag van € 15.000,-voor immateriële schade toe. Deze beide posten zijn voldoende onderbouwd en komen het hof redelijk voor. Het hof deelt niet de opvatting van de verdediging dat het bewezen verklaarde feit in de laagste schaal van de Rotterdamse schaal (oriëntatiebedragen voor immateriële schade) valt. Daarvoor zijn de wijze waarop verdachte zich naar het slachtoffer toe heeft gedragen en de gevolgen daarvan bij het slachtoffer te ernstig.
Beide bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.650,00 (vijftienduizend zeshonderdvijftig euro) bestaande uit € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.650,00 (vijftienduizend zeshonderdvijftig euro) bestaande uit € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 113 (honderddertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
9 augustus 2024 en van de immateriële schade op 7 juli 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Dam, mr. J.M. Rowel-van der Linde en mr. M. Zwartjes, in aanwezigheid van de griffier J.R.M. Roetgerink en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 december 2025.