GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.113
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 549229)
beschikking van 11 december 2025
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. W.Y. Hofstra,
en
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. N. van der Vegt.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 december 2024, uitgesproken onder zaaknummer 549229. Het hof zal deze beschikking verder noemen: de bestreden beschikking.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 maart 2025;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht namens de vrouw van 13 oktober 2025 met producties;
- een journaalbericht namens de man van 17 oktober 2025 met producties.
De mondelinge behandeling heeft op 30 oktober 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
3. De feiten
In de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is [in] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2016;
- [minderjarige2] , geboren [in] 2018 en
- [minderjarige3] , eveneens geboren [in] 2018,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
De vrouw heeft een kind uit een eerdere relatie: [minderjarige4] . [minderjarige4] is 13 jaar en woont bij de vrouw. De man heeft twee kinderen uit een eerdere relatie. Zij zijn nu 13 jaar en 9 jaar. De man heeft geen contact met deze twee kinderen.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang:
de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] met ingang van 11 december 2024 bepaald op € 57,- per kind per maand;
ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling van huwelijk bepaald dat:
- de saldi van de bankrekeningen van partijen op de peildatum bij helfte worden
verdeeld;
de inboedel in onderling overleg tussen partijen wordt verdeeld;
de man aan de vrouw uiterlijk binnen twee weken na betekening van deze beschikking een bedrag van € 544,94 moet betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf twee weken na betekening tot aan de dag van voldoening; en
het anders of meer verzochte afgewezen.
De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de draagkracht van de man en de regresvorderingen van partijen. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de vastgestelde kinderalimentatie en de regresvorderingen van partijen te vernietigen en te bepalen dat:
de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van € 17,- per kind per maand bij vooruitbetaling dient te voldoen, althans een bedrag en ingangsdatum als het hof in goede justitie vermeent te behoren;
de regresvordering van de vrouw op de man met betrekking tot de roodstand op de gezamenlijke rekening af te wijzen;
de regresvordering van de man op de vrouw met betrekking tot de gebruikerslasten alsnog toe te wijzen en dus de vrouw te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te voldoen een bedrag van € 1.457,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze beschikking tot de dag van algehele voldoening;
De man verzoekt het hof ook een beslissing te nemen over de proceskosten (kosten rechtens).
De vrouw voert verweer en is op haar beurt met een grief in (incidenteel) hoger beroep gekomen. De grief ziet op de draagkracht van de man.
De vrouw vraagt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans dit ongegrond te verklaren of af te wijzen. In haar incidenteel hoger beroep verzoekt zij het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen voldoet van € 213,- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel te bepalen op een zodanig bedrag als het hof in goede justitie juist acht.
De man voert verweer en hij vraagt het hof de grief van de vrouw ongegrond te verklaren dan wel deze af te wijzen.
5. De motivering van de beslissing
Kinderalimentatie
Het hof stelt vast dat de vrouw haar verzoeken in hoger beroep heeft vermeerderd ten opzichte van haar verzoeken in eerste aanleg. Het hof zal beslissen op deze gewijzigde verzoeken, want de wijzigingen zijn tijdig, dat wil zeggen in het verweerschrift, gedaan, hebben voldoende samenhang met de oorspronkelijke zelfstandige verzoeken en zijn niet in strijd met de eisen van een goede procesorde (zie de artikelen 362, 282 lid 2, 283 en 130 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
Grenzen van de rechtsstrijd
Gelet op de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep is de ondergrens van deze procedure het door de man verzochte bedrag van € 17,- per maand aan kinderalimentatie. De bovengrens wordt in deze procedure gevormd door het bedrag dat de vrouw in incidenteel appel verzoekt van € 213,- per maand.
Ingangsdatum
Partijen zijn het erover eens dat 11 december 2024, de datum van de bestreden beschikking, als ingangsdatum moet worden gehanteerd.
Hoogte behoefte kinderen
De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van € 354,- per kind per maand (totaal voor alle kinderen samen € 1.062,- per maand) in 2024 is niet in geschil en staat daarmee vast. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de totale behoefte van de kinderen gezamenlijk € 1.131,- (of € 377,- per kind).
Draagkracht
De totale draagkracht van de vrouw, door de rechtbank berekend op € 283,- per maand, is niet in geschil en staat daarmee vast. De moeder is onderhoudsplichtig voor vier kinderen. Driekwart van haar draagkracht is beschikbaar voor [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] . Dat is een bedrag van € 212,- per maand.
Partijen zijn het niet eens over de draagkracht van de man. De rechtbank heeft de draagkracht van de man berekend op € 172,- per maand. De rechtbank is uitgegaan van een inkomen op basis van een WW-uitkering van € 1.815,72 bruto per maand vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Het netto besteedbaar inkomen van de man is volgens de rechtbank
€ 1.516,- per maand. De rechtbank heeft bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening gehouden met het woonbudget, omdat de werkelijke woonlasten van de man volgens de rechtbank aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget.
Volgens de man is de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht terecht uitgegaan van een inkomen op basis van een WW uitkering, maar heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met het forfaitaire woonbudget. Volgens de man heeft hij wel degelijk woonlasten en moet het woonbudget meegenomen worden in de berekening van zijn draagkracht omdat het anders voor hem onmogelijk is om eigen woonruimte te vinden. De man stelt dat hij sinds 21 april 2025 weer werkt. Volgens de man werkt hij gemiddeld
32 uur per week tegen een bruto uurloon van € 17,74. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de man verteld dat hij een verzoek tot toelating tot de schuldsanering heeft gedaan.
De vrouw vindt dat de rechtbank terecht geen rekening heeft gehouden met de woonlasten van de man. De man heeft volgens de vrouw niet aangetoond dat hij daadwerkelijk woonlasten betaalt. Volgens de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte de WW-uitkering van de man als basis genomen voor de berekening van zijn draagkracht. Dit is volgens de vrouw slechts een tijdelijke situatie geweest en de man werkt nu ook weer. Volgens de vrouw moet er voor de berekening van de draagkracht van de man rekening gehouden worden met een verdiencapaciteit van € 31.378 bruto per jaar. Dit is gelijk aan het inkomen dat de man had voordat hij werkloos raakte.
Het hof overweegt als volgt. De man en de vrouw hebben een wettelijke onderhoudsverplichting voor hun kinderen. Dit betekent dat van hen wordt verwacht dat zij zich
inspannen om inkomsten te verwerven om in de kosten van de kinderen te voorzien. Zij
moeten – met andere woorden – hun verdiencapaciteit zo goed mogelijk benutten. De man stelt dat zijn draagkracht lager is dan de rechtbank heeft bepaald. Het is aan de man- als alimentatieplichtige- om de rechter er van te overtuigen dat hij niet voldoende draagkracht heeft, als dat gemotiveerd door de vrouw wordt betwist. De man moet de nodige stukken overleggen ter onderbouwing van zijn draagkracht. Doet hij dat niet of onvoldoende dan kan de rechter daaraan conclusies verbinden. De man heeft salarisspecificaties ingediend vanaf 26 juni 2025 en een jaaropgave 2024. Hij heeft geen stukken laten zien waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk woonlasten betaalt aan zijn moeder, bij wie hij inwoont. Uit de salarisspecificaties blijkt bovendien dat de man al op 27 januari 2025 in dienst is getreden, en niet zoals de man stelt op 21 april 2025. Het hof vindt de verklaring van de man, dat hij in deze periode wel in dienst was maar geen salaris ontving onaannemelijk. Van een verzoek tot toelating tot de schuldsanering heeft de man geen bewijsstukken overgelegd. Hij heeft dit standpunt dan ook in het geheel niet onderbouwd. Het hof is van oordeel dat de man niet, althans onvoldoende, feiten heeft aangedragen die zijn standpunten voor wat betreft de hoogte van zijn draagkracht onderbouwen.
Bij het bepalen van de draagkracht is niet alleen het werkelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat de onderhoudsplichtige geacht kan worden te verdienen. Het had op de weg van de man gelegen, gelet op de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen, om inzichtelijk te maken wat hij heeft gedaan om zijn financiële situatie beter af te stemmen op zijn onderhoudsverplichting. De man is daar naar het oordeel van het hof gelet op bovenstaande niet in geslaagd. Het hof ziet in het gebrek aan een gemotiveerde betwisting door de man, aanleiding om voor de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van een verdiencapaciteit van € 31.378 per jaar.
Uit de aangehechte berekening volgt dan dat de man gelet op het voorgaande een draagkracht heeft van € 746,- per maand.
De verdeling van de kosten
De behoefte van de kinderen bedraagt in 2024 € 354,- per kind per maand (totaal voor alle kinderen samen € 1.062,- per maand). Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de totale behoefte van de kinderen gezamenlijk € 1.131,- (of € 377,- per kind). Voor beide periodes geldt dat de ouders samen over onvoldoende draagkracht beschikken om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Dat tekort is (1.062- 1.029) € 33,- per maand in 2024 en (1.131 – 1.029) € 102,- per maand in 2025. De ouders zullen in beginsel dan ook ieder hun volledige draagkracht moeten gebruiken.
Zorgkorting
De omstandigheid dat de man ook een aandeel heeft in de zorg voor de kinderen wordt in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Op basis van de door partijen uitgevoerde zorgregeling, berekent het hof dat de kinderen ongeveer 1 dag per twee weken bij de man verblijven. Hierbij hoort een zorgkorting van 5%.
De man en de vrouw hebben samen niet genoeg draagkracht om in de totale behoefte van de kinderen te voorzien. Dat tekort moeten zij ieder voor de helft dragen en daarom zal het hof de zorgkorting niet volledig in mindering brengen op de bijdrage. De helft van het tekort bedraagt € 17,- en dat vermindert de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting wordt afgetrokken van het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding. Uit de aangehechte berekening volgt dat de man na aftrek van de zorgkorting € 236,- per kind per maand dient te betalen.
Conclusie
Gelet op de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep zal het hof bepalen dat de man met ingang van 11 december 2024 aan de vrouw een bijdrage van € 213,- per kind per maand dient te voldoen.
Regresvorderingen
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte de regresvordering van de vrouw heeft toegewezen en zijn vordering op de vrouw heeft afgewezen. Volgens de man heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd en aangetoond dat er op de peildatum een roodstand op de rekening van partijen was die zij heeft afgelost. De man vindt ook dat de gebruikerslasten die hij heeft betaald toen de vrouw in de echtelijke woning verbleef voor rekening van de vrouw moeten komen (of in ieder geval voor de helft). De vrouw betwist dit en vindt dat de rechtbank het goed heeft gedaan.
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de regresvordering van de vrouw op de man moet worden toegewezen en de regresvordering van de man op de vrouw moet worden afgewezen. Het hof verwijst naar de motivering van de rechtbank in de bestreden beschikking, neemt deze na eigen onderzoek over en maakt deze tot de zijne. Door de man zijn in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het hof nopen tot een ander oordeel.
Proceskosten
Het hof zal de proceskosten zoals gebruikelijk in procedures tussen (gewezen) echtgenoten compenseren. Daarmee wordt bedoeld dat de man en de vrouw ieder de eigen kosten van de procedure in hoger beroep moeten dragen.
6. Aanhechten draagkrachtberekeningen
Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 11 december 2024, voor wat betreft de kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 11 december 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] € 213,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 11 december 2024, ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, E. de Boer en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op 11 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen