ECLI:NL:GHARL:2025:7932

ECLI:NL:GHARL:2025:7932, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-12-2025, Wahv 200.351.428/01

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 11-12-2025
Datum publicatie 07-01-2026
Zaaknummer Wahv 200.351.428/01
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Niet meewerken aan een speekselonderzoek en/of de in dit kader gegeven aanwijzingen niet opvolgen. Om deze gedraging te kunnen vaststellen is niet vereist dat vast is komen te staan dat de betrokkene de bestuurder van het voertuig was. Ook degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen is verplicht medewerking te verlenen aan een speekselonderzoek.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

De beslissing van de kantonrechter

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 29 januari 2025, betreffende

wonende te [woonplaats] .

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 280,- voor: “niet meewerken onderzoek van speeksel en/of aanwijzingen in dit kader niet opvolgen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 februari 2024 om 00:18 uur op de Dordtselaan in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De betrokkene voert - kort samengevat - aan dat hij niet de bestuurder van het voertuig was. De rechter heeft geen bewijs aangeleverd dat de ambtenaar kan aantonen dat de betrokkene de auto heeft gereden. De vriend van de betrokkene bestuurde de auto. Na het stilstaan op de weg stapte de betrokkene aan passagierszijde van de auto uit. Toen de vriend zag dat de politie aan kwam rijden, is hij meteen aan de passagierszijde gaan zitten, zodat het leek alsof hij de auto niet heeft gereden. Toen de betrokkene aan kwam lopen, zag hij de ambtenaar met een speekseltest in de hand. De ambtenaar vroeg om het rijbewijs van de betrokkene, dat hij uit angst heeft gegeven. Ook gaf de ambtenaar aan een speekseltest te willen uitvoeren. De betrokkene heeft aangegeven dat niet te willen doen omdat hij de auto niet heeft gereden. Toen de betrokkene aangaf dat de ambtenaar racistisch was, begon de ambtenaar te schreeuwen. De betrokkene vindt het niet eerlijk dat hij tot op de dag van vandaag nog steeds geen antwoord heeft op zijn vragen waarom de ambtenaar een speekseltest in handen had voordat de betrokkene naar de politieauto liep, waarom de bestuurder (de vriend van de betrokkene) niet is staandegehouden, of de ambtenaar heeft gezien dat de betrokkene met de auto reed en waarom hij een speekseltest moet doen terwijl hij de auto niet heeft gereden en niet staande is gehouden. Er is sprake van etnisch profileren op basis van kentekencontrole. In de verklaring van de ambtenaar staat heel veel wat niet klopt. De ambtenaar heeft niet voorkomen dat hij auto zou gaan rijden. De betrokkene heeft nooit gezegd dat hij direct aangaf dat de auto van hem was en dat hij meteen wilde wegrijden. Aan de hand van het rijbewijs wisten de ambtenaren dat de auto van de betrokkene was. De betrokkene begrijpt niet waarom de ambtenaar liegt. De betrokkene liep niet naar zijn auto om in te stappen. Hij stond op afstand te kijken. De betrokkene wil graag antwoord op zijn vragen en bewijs dat hij in de auto heeft gereden.

3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Als de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden, is diens verklaring een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Of de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden is ervan afhankelijk of de betrokkene specifieke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van die verklaring dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. De verweten gedraging betreft overtreding van artikel 60, vijfde lid, sub c, van de Wegenverkeerswet 1994 en luidt als volgt:

“Op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onder a, bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig, degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen en de begeleider, verplicht hun medewerking te verlenen aan:

c. een onderzoek van speeksel, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, vijfde lid, alsmede de aanwijzingen die die persoon in dat kader geeft, op te volgen.”

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Rapps (het hof leest steeds: rapporteurs) hebben betrokkene bekeurd voor het hinderlijk parkeren. Tijdens staandehouding zagen rapporteurs rood doorlopen ogen bij de betrokkene. Ook door zijn spraak en houding hadden wij het vermoeden dat hij onder invloed was van verdovende middelen. Zijn spraak en houding waren sloom en vertraagd. Wij vorderden de betrokkene hierop de medewerking tot een speekseltest. Wij hoorden dat hij verklaarde dat hij hier niet aan ging meewerken. Tijdens het gesprek beschuldigde betrokkene rapporteurs uit het niets van racisme. Toen rapporteurs hem duidelijk aanspraken dat zij hier niet van gediend waren en dat als hij dit nogmaals zou uiten dat hij zou worden aangehouden voor beledigend (het hof leest: belediging) dimde hij enigszins.”

6. Het dossier bevat verder het advies van de Klachtcommissie Eenheid Rotterdam, opgemaakt naar aanleiding van een door betrokkene op 10 februari 2024 ingediende klacht, en de in dat kader ingediend schriftelijke zienswijze van de politieambtenaar [naam] . Hieruit blijkt dat de ambtenaar tijdens de hoorzitting van 21 februari 2025 het volgende heeft verklaard:

“Politiefunctionaris [naam] antwoordt dat de Wegenverkeerswet 1994 de bevoegdheid verleend een bestuurder of iemand die aanstalten maakt als bestuurder te gaan optreden te onderwerpen aan een speekseltest. Zij licht vervolgens toe dat in haar werkgebied veel overlast wordt ervaren bij een avondwinkel. Toen zij daar ter controle op overlast aankwam, zag zij dat er midden op de rijbaan een auto stond geparkeerd en dat daarbij geen bestuurder aanwezig was. Nadat zij een bekeuring op kenteken uitgeschreven (het hof vult aan: had) vanwege het aldaar parkeren, kwam klager aanlopen. Klager verklaarde haar direct en uit zichzelf dat het zijn auto betrof. Toen klager aanstalten maakte om weg te rijden, vorderde politiefunctionaris [naam] op basis van de Wegenverkeerswet 1994 zijn medewerking aan speekseltest. Zij vermoedde namelijk dat klager onder invloed van verdovende middelen verkeerde.

Gevraagd naar hoe klager aanstalten maakte om weg te rijden antwoordt politiefunctionaris [naam] dat klager naar zijn auto liep om in te stappen, waarop zij tegen hem zei dat hij niet weg mocht rijden en ze zijn medewerking aan een speekseltest vorderde. Gezien het gedrag van klager, diens verklaring – namelijk dat het zijn auto betrof en dat hij die daar had geparkeerd – en het feit dat klager aan de bestuurderskant wilde instappen, had zij voldoende aanwijzingen dat hij daadwerkelijk van plan was om te gaan rijden. Politiefunctionaris [naam] kon voorkomen dat klager in de auto plaatsnam, hoewel hij duidelijk tegen haar zei dat hij zijn auto weg ging zetten en dat zij daar niets tegen kon doen. Daarnaar gevraagd bevestigt politiefunctionaris [naam] dat ze een duidelijke wietlicht rook bij klager en zag dat hij rooddoorlopen ogen had.

De heer [naam2] vraagt of het vorderen van de speekseltest gebaseerd was op het parkeren van de auto op de rijbaan door klager of op het feit dat hij wilde wegrijden. Politiefunctionaris [naam] antwoordt dat de speekseltest preventief was bedoeld met het oog op het feit dat klager wilde wegrijden. Nu zij klager immers niet had zien parkeren kon zij niet vaststellen dat hij zelf de auto daar had geparkeerd.”

In haar schriftelijke zienswijze heeft de ambtenaar verder nog verklaard dat de speekseltest pas gepakt is toen het gesprek al een tijdje werd gevoerd en niet bij het begin al klaarstond.

7. Op basis van artikel 160, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 zijn politieambtenaren bevoegd zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens die wet vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten aanzien waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabij gelegen plaats te voeren of te doen voeren. Hoewel een concrete aanleiding niet nodig is, is hiervan in dit geval wel sprake geweest, zo blijkt uit de verklaringen van de ambtenaar. Het voertuig van de betrokkene stond hinderlijk geparkeerd en vervolgens kwam de betrokkene aanlopen en wilde wegrijden, terwijl de ambtenaar vermoedde dat de betrokkene onder invloed van verdovende middelen verkeerde. Niet gebleken is dat de ambtenaar in dit geval buiten haar bevoegdheid is getreden. De enkele stelling dat sprake was van etnisch profileren op basis van kentekencontrole is hiervoor onvoldoende. Dat de ambtenaar al een speekseltest in handen zou hebben gehad toen de betrokkene kwam aanlopen is niet aannemelijk geworden.

8. Om de gedraging te kunnen vaststellen is niet vereist dat is komen vast te staan dat de betrokkene heeft gereden. Ook degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen is verplicht medewerking te verlenen aan een speekseltest. Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de betrokkene uit zichzelf aangaf dat het zijn auto was en dat hij die weg ging zetten, dat hij naar de bestuurderskant van de auto liep en wilde instappen. Hieruit volgt dat de betrokkene aanstalten maakte het voertuig te gaan besturen. Op basis van de verklaringen van de ambtenaar kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

9. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Van der Zee-Venema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?