GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
Het tussenarrest
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 8 mei 2025, betreffende
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
De inhoud van het tussenarrest van 3 december 2025 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
De meervoudige kamer heeft het onderzoek gesloten.
De beoordeling
1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De inleidende beschikking is in administratief beroep door de officier van justitie vernietigd en de kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten, omdat de kantonrechter een beslissing heeft genomen zonder de gemachtigde uit te nodigen voor een zitting.
4. In artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten.
5. In het dossier bevindt zich weliswaar een kopie van een oproepingsbrief voor de zitting van de kantonrechter die is geadresseerd aan de gemachtigde van de betrokkene, maar niet is gebleken dat deze brief daadwerkelijk is verstuurd. De brief is niet aangetekend verzonden en een deugdelijke verzendadministratie ontbreekt. In dit geval is dan ook niet gebleken dat de betrokkene toegang tot de rechter heeft gehad. Het voorgaande betekent dat het hof daarom het appelverbod buiten toepassing zal laten.
6. Het beroep richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter over de door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoeding. De officier van justitie heeft bij de vaststelling van de hoogte van die vergoeding toepassing gegeven aan artikel 13a, tweede lid, van de Wahv.
7. De advocaat-generaal stelt zich primair op het standpunt dat er geen belang bestaat bij de beoordeling van de gronden van de gemachtigde door het hof. De gemachtigde heeft feitelijk geen financieel belang bij een inhoudelijk oordeel over de proceskostenvergoeding omdat bij vernietiging van de beslissing van de officier van justitie voor wat betreft de proceskostenvergoeding het hof gehouden is om dezelfde vermenigvuldigingsfactor toe te passen als de officier van justitie, zodat de uitkomst voor de hoogte van de proceskostenvergoeding gelijk blijft.
8. Het hof heeft geconstateerd dat bij het openbaar ministerie, kantonrechters en professionele gemachtigden behoefte bestaat aan een uitspraak van het hof over het voorliggende geschilpunt. Indien het hof - zoals voorgesteld door de advocaat-generaal - geen procesbelang zou aannemen, dan zouden beslissingen die de officier van justitie hieromtrent neemt, niet aan een rechterlijke toetsing onderworpen kunnen worden. Onder deze omstandigheden acht het hof voldoende procesbelang aanwezig.
9. Gelet op wat onder 5. is overwogen zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
10. De gemachtigde voert aan dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet van toepassing is in de fase van het administratief beroep omdat een vergoeding in die fase wordt toegekend op grond van artikel 7:28 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 13a, eerste lid, van de Wahv is ondubbelzinnig: ‘De kantonrechter is bij uitsluiting bevoegd…’. De wetgever heeft gekozen voor een dwingende formulering. De bevoegdheid om een proceskostenveroordeling uit te spreken op grond van dit artikel ligt exclusief bij de rechterlijke macht. Een lex specialis vereist een expliciete afwijking van de algemene regel voor het specifieke geval en die ontbreekt. De officier van justitie is daarmee aangewezen op de algemene regeling van artikel 7:28 van de Awb, die geen basis biedt voor de factor 0,25. De onbevoegdheid van de officier van justitie wordt verder onderstreept door de systematiek van artikel 13a van de Wahv zelf. Het tweede lid wijst dwingend terug naar de kosten bedoeld in het eerste lid. Dat dit geen vergetelheid van de wetgever is, blijkt uit het derde lid van artikel 13a van de Wahv. Daar wordt de beslissing op het administratief beroep wel expliciet genoemd in een andere context. De wetgever heeft dus bewust gedifferentieerd. Het is niet aan de rechter om de wet te herschrijven op basis van doelmatigheidsoverwegingen. Nu vaststaat dat de wetgever heeft nagelaten een wettelijke grondslag te creëren voor de officier van justitie in de Wahv, mag dit niet door de rechter worden gerepareerd middels een interpretatie contra legem.
11. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de vermenigvuldigingsfactoren die zijn opgenomen in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv kunnen worden toegepast in de fase van administratief beroep en dat de kantonrechter terecht de door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoeding in stand heeft gelaten. De zinsnede ‘de kantonrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten’ is niet zo ondubbelzinnig als door de gemachtigde wordt gesteld. De bedoeling van de wetgever dient mee te wegen bij de interpretatie. Gewezen wordt op de parlementaire behandeling bij de invoering van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, waaruit blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk dit artikel ziet als een lex specialis ten opzichte van artikel 7:28 van de Awb. Ook moet worden meegenomen dat het volgen van het standpunt van de gemachtigde tot een kennelijk onredelijk resultaat zou leiden.
12. De volgende wetsbepalingen zijn van belang:
Artikel 7:28 van de Awb:
2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dat geval stelt het beroepsorgaan de vergoeding vast die het bestuursorgaan verschuldigd is.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
Artikel 6 van de Wahv:
1. Tegen de oplegging van de administratieve sanctie kan degene tot wie de beschikking is gericht, beroep instellen bij de officier van justitie.
Artikel 7 van de Wahv:
1. De artikelen 6:14, tweede lid, 7:16, tweede lid, 7:24, tweede en vijfde lid, en 7:26, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing.
Artikel 9 van de Wahv:
1. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan degene die administratief beroep heeft ingesteld, beroep instellen bij de rechtbank; het beroep wordt behandeld en beslist door de kantonrechter.
Artikel 13a van de Wahv:
1. De kantonrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het Besluit proceskosten bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
2. Het bedrag dat strekt tot vergoeding van de kosten, bedoeld in het eerste lid, na toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, wordt, voor zover die kosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in dat besluit, vermenigvuldigd met:
a. 0,25 indien de kosten zijn gemaakt in verband met de behandeling van het administratief beroep dan wel het beroep bij de rechtbank waarbij de bestreden administratieve sanctie wordt vernietigd of het sanctiebedrag wordt gewijzigd;
b. 0,1 in alle overige gevallen.
Artikel 14 van de Wahv:
1. Degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld, alsmede de officier van justitie, kunnen tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep instellen bij het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, tenzij de opgelegde sanctie bij die beslissing niet meer bedraagt dan € 110.
Artikel 20d van de Wahv:
1. Indien het gerechtshof het beroepschrift ontvankelijk acht, bevestigt het gerechtshof de beslissing van de kantonrechter, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet het, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing van de kantonrechter, hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen.
4. De artikelen 13a en 13b zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid.
13. Waar de officier van justitie, bij de beslissing op het administratief beroep, zijn bevoegdheid tot toekenning van een proceskostenvergoeding in administratief beroep ontleent aan artikel 7:28, tweede lid, van de Awb, doen de kantonrechter en het hof, bij de beslissing op het beroep respectievelijk het hoger beroep, dat aan artikel 13a van de Wahv dat voor het hoger beroep in artikel 20d, vierde lid, van de Wahv van overeenkomstige toepassing is verklaard. Artikel 13a, tweede lid, van de Wahv is naar de tekst van de wet niet van toepassing op door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoedingen. Dat, zoals de advocaat-generaal betoogt, de wetssystematiek meebrengt dat specifieke, op de Wahv toegespitste, voorschriften worden opgenomen in artikel 13a van de Wahv en niet in artikel 7:28 van de Awb brengt niet mee dat een wetsbepaling, waarmee artikel 13a, tweede lid, van de Wahv ook van (overeenkomstige) toepassing wordt verklaard op de toekenning van een proceskostenvergoeding door de officier van justitie, kan ontbreken. In dit verband overweegt het hof dat in de Wet Waardering onroerende zaken (WOZ) wel een bepaling is opgenomen waardoor in WOZ-procedures een andere dan de gebruikelijke proceskostenvergoeding van toepassing is als het bestuursorgaan een proceskostenvergoeding toekent.
14. Met betrekking tot de vraag welke gevolgtrekking daaraan moet worden verbonden dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet door de wetgever van (overeenkomstige) toepassing is verklaard op de door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoeding, overweegt het hof dat de wetgever met de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (Whpkv) de bedoeling heeft gehad om in WOZ-, bpm- en Wahv-procedures de financiële prikkel weg te nemen om namens een belanghebbende een bezwaar- of beroepsprocedure te starten of door te procederen met de overwegende reden om een proceskostenvergoeding te verkrijgen. Blijkens het amendement, waarbij artikel 13a, tweede lid, van de Wahv is opgenomen in de Whpkv, was het de bedoeling om de vergoedingen in Wahv-procedures op dezelfde wijze te verlagen als werd voorgesteld voor WOZ- en bpm-procedures. Indien artikel 13a, tweede lid van de Wahv niet van toepassing is op door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoedingen ontstaat verder een niet te verklaren - door de wetgever niet gewilde - divergentie, in die zin dat de officier van justitie bij de toekenning van een vergoeding voor de kosten van administratief beroep artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet toepast, terwijl de kantonrechter en het hof, indien deze een vergoeding toekennen voor de in administratief beroep gemaakte proceskosten, dat artikellid wel toepassen.
15. Onder deze omstandigheden oordeelt het hof dat sprake is van een kennelijke omissie van de wetgever. Artikel 7 van de Wahv kan verbeterd worden gelezen in die zin dat artikel 13a, tweede lid, van de Wahv van overeenkomstige toepassing is op de vergoeding als bedoeld in artikel 7:28, tweede en vijfde lid, van de Awb en (ingeval de officier van justitie beslist op bezwaar: de vergoeding als bedoeld in artikel 7:15, tweede en vierde lid, van de Awb).
16. De officier van justitie heeft terecht artikel 13a, tweede lid, van de Wahv toegepast bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Van Schuijlenburg en Wijma in tegenwoordigheid van
mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.