ECLI:NL:GHARL:2025:8082

ECLI:NL:GHARL:2025:8082, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-12-2025, 200.333.184/01

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 16-12-2025
Datum publicatie 30-12-2025
Zaaknummer 200.333.184/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBOVE:2023:1804

Samenvatting

Twee broers hebben een vennootschap onder firma waarin een agrarisch bedrijf wordt gevoerd. Vanwege de gespannen verhoudingen wordt in 2015 besloten de samenwerking te beëindigen. In dat jaar wordt in een beëindigingsovereenkomst een deskundigenprocedure tot vaststelling van de waarde van de onderneming overeengekomen. Sindsdien zet een van de twee broers de onderneming voort. Vervolgens ontstaan tussen beide broers allerlei geschillen waarvoor inmiddels meerdere gerechtelijke procedures zijn gevoerd. Het hof ontbindt per datum arrest de vennootschap op grond van artikel 7A:1684 BW. De toedeling en vereffening houdt het hof aan zich. Aan partijen wordt een boedelbeschrijving gevraagd en de jaarlijkse financiële stukken te overleggen. Voorts worden partijen uitgenodigd zich uit te laten over de te benoemen deskundigen voor de waarde van de onderneming. In het tussenarrest worden een aantal vorderingen van beide broers alvast afgewezen. Gelijktijdig is op een verzoek tot een deskundigenbericht beslist (200.333.184/02). Ook is gelijktijdig in een andere hoger beroepsprocedure tussen beide broers over boetes en dwangsommen een arrest gewezen (200.329.357/01).

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.333.184/01

zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle 210483

arrest van 16 december 2025

in de zaak van

[appellant] ,

die woont in [woonplaats] ,

die hoger beroep heeft ingesteld

en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.M. van Rongen,

tegen

[geïntimeerde] ,

die woont in [woonplaats]

en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.A. Bos.

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, (hierna: de rechtbank) op 3 mei 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep,

de incidentele memorie van [appellant] tot aanhouding van de hoofdzaak en tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis,

de incidentele memorie van antwoord van [geïntimeerde] ,

het arrest in het incident ex artikel 351 Rv van 19 december 2023,

de memorie van grieven,

de memorie van antwoord,

het verslag (proces-verbaal) van de regiezitting op 5 juli 2024,

de akte namens [appellant] houdende uitlating producties,

de akte namens [appellant] houdende overlegging producties 16 t/m 19,

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 20 november 2024 is gehouden.

De zaak staat voor arrest.

2. De kern van de zaak

[appellant] en [geïntimeerde] zijn broers. In 2010 zijn zij een agrarisch bedrijf begonnen. Hun afspraken zijn in 2014 vastgelegd in de vennootschapsovereenkomst voor de vennootschap onder firma ‘ [naam1] ’ (hierna: [de vof] ).

In een periode dat de verhouding tussen beide broers al gespannen was, heeft [appellant] [geïntimeerde] [in] 2015 mishandeld. [appellant] en [geïntimeerde] hebben toen besloten hun samenwerking te beëindigen. Na onderhandeling is op 14/16 juli 2015 een beëindigingsovereenkomst getekend. Uitgangspunt is dat [geïntimeerde] de onderneming zal voortzetten als hij aan [appellant] (tijdig) de waarde van de overbedeling (koopprijs) betaalt. De koopprijs zal in een deskundigenprocedure worden vastgesteld. Hangende de overnameprocedure is [geïntimeerde] vrijgesteld van werkzaamheden en zet [appellant] het bedrijf voort. De datum van de ontbinding van de vennootschapsovereenkomst moet nog worden overeengekomen.

[appellant] en [geïntimeerde] verschillen van mening over de wijze waarop de beëindigingsovereenkomst en de vennootschapsovereenkomst moeten worden uitgevoerd. Dit heeft geleid tot een groot aantal gerechtelijke procedures. De koopprijs is nog steeds niet vastgesteld en de vennootschap onder firma is nog niet beëindigd.

In deze procedure heeft [appellant] bij de rechtbank in conventie na wijziging van eis gevorderd dat [de vof] wordt ontbonden. De primaire ontbindingsgrond is een gewichtige reden ex artikel 7A:1684 BW en de subsidiaire grond is een tekortkoming doordat [geïntimeerde] het concurrentiebeding in de vennootschapsovereenkomst heeft geschonden. [appellant] vordert verder dat na ontbinding de gehele onderneming aan hem wordt toegedeeld, het vermogen van [de vof] wordt vereffend, [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding en voor recht wordt verklaard dat [appellant] aanspraak heeft op een voorschot op een redelijk loon van € 280.000,-. [appellant] heeft nog enige eisen geformuleerd voor het geval de rechtbank tot het oordeel mocht komen dat de onderneming aan [geïntimeerde] wordt toegedeeld.

[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank vorderingen in reconventie ingesteld. [geïntimeerde] heeft gevorderd:

A: primair:

te verklaren voor recht dat de beëindigingsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd per 8 augustus 2017 en nog onverkort in stand is;

[appellant] te veroordelen tot betaling van € 270.000,- aan dwangsommen omdat hij de veroordeling in het kortgedingvonnis van 25 november 2015 tot aanwijzing van een deskundige niet is nagekomen;

[appellant] op straffe van een dwangsom te veroordelen aan de deskundigen op hun eerste verzoek alle documenten ter beschikking te stellen die door de deskundigen voor de waardebepaling van belang worden geacht;

[appellant] op straffe van een dwangsom te verbieden om zonder voorafgaande toestemming van [geïntimeerde] de in artikel 6 lid 2 sub a t/m g van de vennootschapsovereenkomst beschreven (rechts)handelingen te verrichten.

Verder heeft [geïntimeerde] primair voorwaardelijk (voor het geval het kortgedingvonnis van 23 november 2015 is ‘uitgewerkt’) gevorderd:

[appellant] op straffe van een dwangsom te veroordelen een deskundige aan te wijzen, met machtiging aan [geïntimeerde] om zelf een deskundige voor [appellant] aan te wijzen;

[appellant] op straffe van een dwangsom te veroordelen aan de deskundigen op hun eerste verzoek alle documenten ter beschikking te stellen die door de deskundigen voor de waardebepaling van belang worden geacht.

[geïntimeerde] heeft subsidiair gevorderd [de vof] te ontbinden onder de voorwaarde dat [geïntimeerde] in de gelegenheid wordt gesteld de onderneming over te nemen als voorzien in artikel 15 leden 2 t/m 5 van de vennootschapsovereenkomst.

Meer subsidiair heeft [geïntimeerde] gevorderd dat in het geval de rechtbank op de subsidiaire vordering [de vof] ontbindt zonder daaraan de gevorderde voorwaarde te verbinden, [appellant] wordt veroordeeld aan [geïntimeerde] een nader te bepalen vergoeding te betalen.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 5 februari 2020 beslist dat de beëindigingsovereenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden en partijen nog bindt. [appellant] is van dit tussenvonnis in hoger beroep gekomen. Het hof heeft bij arrest van 1 februari 2022 het tussenvonnis van de rechtbank bekrachtigd en de zaak voor verdere behandeling naar de rechtbank verwezen.

In het eindvonnis van 3 mei 2023 heeft de rechtbank de (gewijzigde) vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank:

[appellant] op straffe van een dwangsom verboden om zonder voorafgaande toestemming van [geïntimeerde] de in artikel 6 lid 2 sub a t/m g van de vennootschapsovereenkomst beschreven (rechts)handelingen te verrichten;

[appellant] veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis een deskundige aan te wijzen met machtiging aan [geïntimeerde] om na die termijn van veertien dagen zelf een deskundige aan te wijzen;

[appellant] veroordeeld op straffe van een dwangsom op eerste verzoek van de deskundigen alle documenten die door de deskundigen van belang worden geacht voor de waardebepaling aan de deskundigen ter beschikking te stellen en al datgene te doen dat de deskundigen nodig achten om de waarde te bepalen.

In reconventie heeft de rechtbank het meer of anders gevorderde afgewezen. Behoudens het door [geïntimeerde] betaalde aanvullend griffierecht van € 1.394,- ten gevolge van de eiswijziging van [appellant] heeft de rechtbank zowel in conventie als in reconventie de proceskosten gecompenseerd.

[appellant] wil met het hoger beroep bereiken dat het hof het eindvonnis van 3 mei 2023 vernietigt, de vorderingen in reconventie van [geïntimeerde] alsnog afwijst en de gewijzigde vorderingen van [appellant] alsnog toewijst.

[geïntimeerde] wil dat het hof het hoger beroep van [appellant] verwerpt en het eindvonnis van 3 mei 2023 bekrachtigt.

Het hof komt in dit arrest tot de volgende beslissing. Het hof ontbindt de vennootschap onder firma op grond van gewichtige redenen (artikel 7A:1684 BW). Het hof houdt de toescheiding en vereffening aan zich. Uitgangspunt daarbij is dat de onderneming, onder door het hof nog nader te bepalen voorwaarden, aan [appellant] zal worden toegedeeld. Het hof belast [appellant] met het beheer over de ontbonden gemeenschap en stelt een beheerregeling vast. De door de rechtbank toegewezen vordering van [geïntimeerde] om [appellant] opnieuw op straffe van een dwangsom te veroordelen tot nakoming van artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst, wijst het hof af. Na de voor het hoger beroep relevante feiten te hebben opgesomd, zal het hof zijn beslissing uitleggen.

3. De feiten

[appellant] en [geïntimeerde] zijn broers. Zij zijn in 2010 een vennootschap onder firma ( [de vof] ) aangegaan met als doel voor gezamenlijke rekening en risico jongvee op te fokken.

In de schriftelijke overeenkomst van 25 maart 2014 (hierna: de vof overeenkomst) hebben [appellant] en [geïntimeerde] hun afspraken vastgelegd. [de vof] heeft tot doel het opfokbedrijf van jongvee uit te breiden naar een volwaardig melkveebedrijf (artikel 2). De vof overeenkomst bevat regelingen over de bevoegdheid van iedere vennoot om de vennootschap aan derden te binden (artikel 6 lid 2), het non-concurrentiebeding gedurende de vennootschap (artikel 8), het concurrentiebeding na beëindiging van de vennootschap (artikel 17) en de jaarlijks vast te stellen balans en winst- en verliesrekening (artikel 10). Artikel 11 van de vof overeenkomst bevat een regeling over de aan de vennoten toekomende vergoeding en over het resultaat van de onderneming.

Op grond van artikel 14 sub b van de vof overeenkomst kan de vennootschap in onderling overleg door ontbinding eindigen. In dat geval wordt bepaald wie van de vennoten de rechten als bepaald in het voortzettingsbeding/toedelingsbeding (artikel 15) zal toekomen. Deze beëindigingsregeling geldt volgens de aanhef “onverminderd het bepaalde in artikel 7A:1684 BW”. Artikel 15 leden 4 en 5 van de vof overeenkomst bepaalt de wijze waarop de waarde van de overbedeling wordt vastgesteld en binnen welke termijn die (positieve) waarde aan de niet voortzettende vennoot moet worden voldaan.

Ten tijde van het nemen van de memorie van grieven had het melkveebedrijf 265 stuks vee, waarvan 160 melkkoeien. Het bedrijf heeft 13,6 hectare eigen landbouwgrond en 59,4 hectare landbouwgrond van derden in gebruik.

In een periode waarin er al enige spanningen tussen beide broers waren, heeft [appellant] [geïntimeerde] [in] 2015 mishandeld, waarvoor [appellant] op 11 mei 2015 door de politierechter is veroordeeld. De verstoorde verhouding heeft ertoe geleid dat beide broers in een bespreking op 27 maart 2015 onder leiding van een gespreksleider ( [naam2] ) hebben besloten [de vof] te beëindigen.

In een concept-beëindigingsovereenkomst, die door de gespreksleider was opgesteld, is vermeld dat [appellant] [geïntimeerde] uitkoopt voor een bedrag van € 299.000,-. [de vof] wordt meteen met de betaling van dat bedrag beëindigd en ontbonden. Over dit concept is onderhandeld, waarna de toenmalige advocaat van [appellant] bij brief van 3 juni 2015 een nieuwe concept-beëindigingsovereenkomst heeft toegezonden. In dat gewijzigde concept zal [appellant] nog steeds de onderneming overnemen, is de overnamesom op nihil gesteld en zal [de vof] op 1 juli 2015 eindigen. In reactie op deze tweede concept-beëindigingsovereenkomst heeft de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] bij brief van 11 juni 2015 laten weten dat aan [geïntimeerde] het recht toekomt de onderneming voort te zetten. Een maand later hebben [appellant] en [geïntimeerde] overeenstemming over de procedure tot beëindiging van [de vof] bereikt en hebben zij dit schriftelijk vastgelegd in een overeenkomst (hierna: de beëindigingsovereenkomst).

De beëindigingsovereenkomst bevat de volgende procedureregels. [de vof] zal op een nader overeen te komen datum worden ontbonden (artikel 1). [geïntimeerde] zal de onderneming voortzetten, tenzij hij geen financiering van de koopprijs kan krijgen (artikelen 1 en 2). In dat laatste geval kan [appellant] aanspraak maken op voortzetting van de onderneming. De broers zullen over de koopprijs – het bedrag van overbedeling als bedoeld in artikel 15 lid 2 van de vof overeenkomst – overleggen. Als over de koopprijs geen overeenstemming wordt bereikt, zal de koopprijs door deskundigen, zoals beschreven in de vof overeenkomst, worden vastgesteld (artikel 2).

[geïntimeerde] verricht sinds 10 maart 2015 geen arbeid binnen de onderneming. [appellant] zet alle werkzaamheden voort tot partijen over de koopprijs overeenstemming hebben bereikt (artikel 3). [appellant] verklaart dat hij geen nieuwe verplichtingen en overeenkomsten ten laste van [de vof] zal aangaan (artikel 4). Als [geïntimeerde] de onderneming voortzet zal [appellant] de onderneming in goede staat, inclusief alle zaken die behoren tot de onderneming, aan [geïntimeerde] overdragen (artikel 5).

Zowel [geïntimeerde] als [appellant] zullen zich onthouden van iedere handeling waardoor op welke wijze dan ook schade zal ontstaan aan de onderneming dan wel onderdelen en/of de bedrijfsmiddelen en/of het vee en/of welke andere goederen of zaken dan ook van de onderneming (artikel 5).

Zoals in de beëindigingsovereenkomst was overeengekomen hebben de broers eerst onderhandeld over de koopprijs. Zo heeft [geïntimeerde] bij e-mail van 24 juli 2015 een koopprijs van € 90.000,- met voorwaarden genoemd. [appellant] heeft bij brief van 10 september 2015 € 180.000,- met voorwaarden voorgesteld. [appellant] en [geïntimeerde] hebben over de koopprijs geen overeenstemming bereikt.

[geïntimeerde] heeft op 14 april 2016 bij de Kamer van Koophandel zijn eenmanszaak geregistreerd. Bij de registratie zijn als activiteiten opgegeven: grondverzet, dienstverlening voor de akker- en/of tuinbouw, verhuur en lease van machines en installaties van de bouw en uitleenbureaus. Als startdatum van de onderneming wordt 1 januari 2016 genoemd.

Over de uitvoering van de beëindigingsovereenkomst en de vof overeenkomst zijn geschillen ontstaan. Partijen hebben hun geschillen aan de rechter voorgelegd en zij hebben inmiddels meerdere gerechtelijke procedures gevoerd.

Op vordering van [geïntimeerde] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter) in het vonnis van 23 november 2015 [appellant] op straffe van een dwangsom veroordeeld een deskundige aan te wijzen. [geïntimeerde] is daarnaast (voorwaardelijk) gemachtigd zo nodig zelf die deskundige aan te wijzen. De voorzieningenrechter heeft [appellant] voorts op straffe van een dwangsom veroordeeld om op eerste verzoek van de deskundigen alle documenten die door de deskundigen voor de waardebepaling van belang worden geacht, overeenkomstig artikel 15 van de vennootschapsakte aan de deskundigen ter beschikking te stellen. [geïntimeerde] heeft het vonnis op 25 februari 2016 aan [appellant] betekend.

Ter uitvoering van het kortgedingvonnis van 23 november 2015 heeft [appellant] de heer [naam3] aangewezen als deskundige. Deze deskundige heeft samen met de heer [naam4] , de door [geïntimeerde] aangewezen deskundige, een derde deskundige aangezocht, te weten de heer [naam5] (hierna gezamenlijk: [de deskundigen1] ).

[de deskundigen1] wilden voor de taxatie van de activa van [de vof] taxateurs inschakelen. In juni 2016 hebben zij daarvoor aan [appellant] en [geïntimeerde] een concept-opdrachtbevestiging gestuurd. In een brief van 5 mei 2017 hebben [de deskundigen1] het concept gewijzigd en aan partijen de gewijzigde taxatieopdracht toegezonden met het verzoek die opdracht te tekenen. Als doel van de taxatie is zowel in het concept als in de gewijzigde taxatieopdracht opgenomen dat alle activa worden gewaardeerd ten behoeve van een ontbinding van [de vof] per 31 december 2015. In de gewijzigde taxatieopdracht is een nieuwe bepaling opgenomen, luidende:

“Ondernemers krijgen na het vaststellen van de overnamesom 3 maanden (…) de tijd om het door de deskundigen vastgestelde verschuldigde te voldoen, ter formalisering van de overname, lukt dit niet dan vervallen zijn rechten, tenzij het niet kunnen voldoen van de overnamesom te wijten is aan het handelen van de andere partij. De partijen leveren binnen 5 dagen de gevraagde en benodigde informatie voor financiering, op eerste verzoek van de overnemende partij na het bepalen van de overnamesom.”

[appellant] heeft de gewijzigde taxatieopdracht ondertekend. [geïntimeerde] heeft dit geweigerd en heeft, via zijn toenmalige advocaat, een alternatieve tekst voorgesteld die uitging van een inspanningsverplichting van de overnemende partij ( [geïntimeerde] ) de financiering voor de overnamesom op zo kort mogelijke termijn te verkrijgen. Voor het geval [geïntimeerde] niet binnen vijf maanden financiering zou hebben verkregen, zou volgens de alternatieve tekst [geïntimeerde] wettelijke rente voor handelstransacties aan [appellant] verschuldigd zijn. Een (maximale) termijn waarbinnen [geïntimeerde] de financiering geregeld zou moeten hebben, is in de alternatieve tekst niet opgenomen.

In een brief van 8 augustus 2017 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] laten weten dat [geïntimeerde] volgens hem wanprestatie pleegt door de taxatieopdracht niet te tekenen. [appellant] heeft gemeld dat hij om die reden de beëindigingsovereenkomst van 14/16 juli 2015 buitengerechtelijk ontbindt. [appellant] heeft voorts meegedeeld dat het adviestraject van [de deskundigen1] per direct en definitief is geëindigd en dat hij geen medewerking zal verlenen aan de uitvoering van de taxatieopdracht. [appellant] heeft diezelfde dag ook [de deskundigen1] meegedeeld dat hij het adviestraject heeft beëindigd.

In een brief van 10 augustus 2017 van zijn advocaat heeft [geïntimeerde] laten weten dat hij de beëindiging van de opdracht aan [de deskundigen1] niet accepteert. De intrekking van de opdracht door [appellant] acht [geïntimeerde] in strijd met de veroordeling in het kortgedingvonnis van 23 november 2015. [geïntimeerde] houdt [appellant] voor dat [appellant] daardoor dwangsommen zal verbeuren. [geïntimeerde] zal, zo heeft hij meegedeeld, die verbeurde dwangsommen incasseren, tenzij [appellant] alsnog uiterlijk 11 augustus 2017 vóór 12 uur aan [de deskundigen1] heeft meegedeeld dat de benoeming gehandhaafd blijft. [appellant] heeft volhard in de intrekking van de opdracht aan [de deskundigen1]

[geïntimeerde] had [naam4] al als zijn deskundige aangewezen. Op 23 januari 2018 heeft [geïntimeerde] (voor [appellant] ) [naam6] als deskundige aangezocht. Beide deskundigen hebben [naam7] als derde deskundige erbij betrokken (hierna: [de deskundigen2] ).

[geïntimeerde] heeft op 16 april 2018 aan [appellant] een exploot betekend waarin [appellant] is aangezegd dat hij over de perioden 10 december 2017 tot en met 24 december 2017 en 5 maart 2018 t/m 13 april 2018 heeft verzuimd uitvoering te geven aan het bevel van de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van 23 november 2015 een deskundige aan te wijzen. Daardoor is volgens [geïntimeerde] een bedrag van € 270.000,- aan dwangsommen verbeurd.

Op vordering van [geïntimeerde] heeft de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 [appellant] op straffe van een dwangsom verboden zonder medewerking van [geïntimeerde] de in artikel 6 lid 2 onder a t/m g van de vof overeenkomst beschreven (rechts)handelingen te verrichten. [appellant] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof heeft op 5 juni 2019 mondeling uitspraak gedaan en het kortgedingvonnis bekrachtigd.

[geïntimeerde] heeft op 16 november 2018 en 20 november 2018 ten laste van [appellant] onder [de vof] , onder de [bank1] en onder [naam8] executoriaal beslag laten leggen. Deze beslagen zijn gelegd in verband met het verbeuren van dwangsommen uit hoofde van het kortgedingvonnis van 19 juni 2018. In het vonnis in kort geding van 15 januari 2019 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat dit beslag moet blijven liggen, maar niet verder ten uitvoer mag worden gelegd.

[geïntimeerde] heeft bij exploot van 11 november 2019 [appellant] laten weten dat hij veertien maal artikel 6 van de vof overeenkomst heeft overtreden. Daarmee heeft [appellant] het verbod in het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 geschonden, zodat volgens [geïntimeerde] een bedrag van € 70.000,- aan dwangsommen is verbeurd. Daarna heeft [geïntimeerde] meerdere exploten aan [appellant] uitgebracht waarmee hij steeds de verjaring van verbeurde dwangsommen wilde stuiten en nieuwe overtredingen heeft aangezegd. Op 10 mei 2022 had [appellant] 42 overtredingen aangezegd op grond waarvan [appellant] volgens [geïntimeerde] € 219.000,- aan dwangsommen verschuldigd is.

[appellant] heeft [geïntimeerde] bij de rechtbank in deze bodemprocedure betrokken. [geïntimeerde] heeft vorderingen in reconventie ingesteld.

De rechtbank heeft eerst een oordeel gegeven over de vraag of [appellant] de beëindigingsovereenkomst op 8 augustus 2017 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden nadat [geïntimeerde] weigerde de gewijzigde taxatieopdracht van [de deskundigen1] te tekenen. In het deelvonnis van 5 februari 2020 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [appellant] de beëindigingsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft ontbonden. Aan de beëindigingsovereenkomst zijn [geïntimeerde] en [appellant] volgens de rechtbank nog steeds gebonden. [appellant] is van dit tussenvonnis in hoger beroep gekomen. Het hof heeft bij arrest van 1 februari 2022 het deelvonnis bekrachtigd. Het hof heeft de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor beslissingen over de ontvlechting van de vennootschapsrelatie, althans de resterende omvang van het geschil.

Parallel aan de door [appellant] aangespannen bodemprocedure, heeft [geïntimeerde] [appellant] bij dagvaarding van 17 december 2020 in een nieuwe bodemprocedure (rechtbank zaaknummer 260628/hof zaaknummers 200.323.939 en 200.329.357) betrokken. In deze nieuwe bodemprocedure (hierna: bodemprocedure II) vordert [geïntimeerde] onder meer [appellant] te veroordelen tot betaling van verbeurde dwangsommen van € 250.000,- (50 overtredingen van het verbod in het kortgedingvonnis van 19 juni 2018) en contractuele boetes van € 879.000,-. [appellant] heeft vorderingen in reconventie ingesteld. Zo vordert [appellant] in reconventie [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 1.106.500,- aan contractuele boetes omdat hij het non-concurrentiebeding zou hebben overtreden.

In het deelvonnis van 2 november 2022 in de bodemprocedure II heeft de rechtbank, op de vorderingen van [geïntimeerde] , [appellant] onder meer veroordeeld mee te werken aan het verstrekken van de benodigde inzage in de financiële administratie. Verder is [appellant] op straffe van een dwangsom veroordeeld, onder de voorwaarde dat [appellant] aan de veroordeling inzage te verstrekken geen uitvoering heeft gegeven, mee te werken aan het verstrekken van afschriften aan [geïntimeerde] van nader in het dictum van het deelvonnis omschreven financiële stukken. Tot slot zijn [geïntimeerde] en [appellant] in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven op de vermeende overtredingen van het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 door [appellant] . Het deelvonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

[appellant] is van dit deelvonnis in hoger beroep gekomen (zaaknummer hof: 200.323.939/01). [geïntimeerde] is niet verschenen. In juli 2024 is de zaak op de rol doorgehaald met het recht aan [appellant] de zaak weer op de rol te brengen.

In het eindvonnis van 1 maart 2023 in bodemprocedure II heeft de rechtbank op de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie voor recht verklaard dat [appellant] in 19 gevallen in strijd met de veroordeling in het kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter van 19 juni 2018 heeft gehandeld. Het beroep van [appellant] op verrekening is verworpen. Als gevolg daarvan is [appellant] veroordeeld aan [geïntimeerde] € 95.000,- aan dwangsommen te betalen. De vorderingen in reconventie van [appellant] zijn afgewezen. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld.

[appellant] is van dit eindvonnis in bodemprocedure II in hoger beroep gekomen (zaaknummer hof: 200.329.357). De klachten van [appellant] richten zich tegen zowel het tussen-/deelvonnis van 2 november 2022 als tegen het eindvonnis van 1 maart 2023. De zaak staat voor arrest.

De voorzieningenrechter heeft in het in kort geding gewezen vonnis van 9 maart 2023 [appellant] op straffe van een dwangsom verboden om ‘gelden door [de vof] te laten betalen aan [appellant] zolang onder die vennootschap beslag is gelegd op alle gelden, geldswaarden en vorderingen die de vennootschap onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding zal of mocht verkrijgen, onder haar berusting heeft en/of mocht krijgen ten behoeve van [appellant] ’.

De rechtbank heeft in de bodemprocedure op 3 mei 2023 eindvonnis gewezen. Dit hoger beroep is tegen dat eindvonnis gericht. In het eindvonnis is [appellant] in reconventie onder meer veroordeeld een deskundige aan te wijzen voor de waardebepaling overeenkomstig artikel 15 van de vof overeenkomst. Voorts is het [appellant] op straffe van een dwangsom verboden zonder voorafgaande toestemming van [geïntimeerde] de in artikel 6 lid 2 sub a t/m g van de vof overeenkomst beschreven (rechts)handelingen te verrichten.

Tegen de achtergrond van het eindvonnis van 3 mei 2023 hebben [geïntimeerde] en [appellant] elk een deskundige aangewezen en deze twee deskundigen hebben een derde deskundige aangezocht (hierna: [de deskundigen3] ). [de deskundigen3] hebben [appellant] en [geïntimeerde] bij brief van 3 oktober 2023 en e-mail van 27 oktober 2023 gevraagd een gezamenlijke schriftelijke opdracht te verstrekken. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof was die gezamenlijke opdracht nog niet verstrekt.

4. Het oordeel van het hof

Vorderingen en grieven in hoger beroep

[appellant] vordert het eindvonnis te vernietigen, zijn vorderingen bij de rechtbank in conventie toe te wijzen en de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie af te wijzen. In de appeldagvaarding en/of memorie van grieven heeft [appellant] zijn vorderingen in conventie niet opnieuw geformuleerd. De laatste eiswijziging van [appellant] bij de rechtbank is opgenomen in zijn akte van 29 juni 2022. Gelet op de door [appellant] geformuleerde grieven is het [appellant] kennelijk vooral te doen om de volgende vorderingen:

A. Primair:

ontbinding van [de vof] per (i) 10 maart 2015, althans (ii) 31 december 2015, althans (iii) de datum van het instellen van de rechtsvorderingen, althans (iv) een andere datum die het hof redelijk acht;

de gehele onderneming toe de scheiden aan [appellant] onder door het hof te stellen voorwaarden, althans dat het hof het vermogen van de vof conform de bepalingen van de vennootschapsakte vereffent;

[geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat;

Subsidiair, voor zover het primair gevorderde niet wordt toegewezen:

[de vof] per 31 december 2015, althans per een door de rechter te bepalen datum te ontbinden wegens schending van artikel 8 van de vof overeenkomst (non-concurrentiebeding).

te bepalen dat de gehele onderneming wordt toegescheiden aan [appellant] en het vermogen van [de vof] conform de bepalingen van de vennootschapsakte te vereffenen;

[geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat;

Primair en subsidiair:

voor recht verklaart dat [appellant] aanspraak maakt op een voorschot op een redelijk loon ter hoogte van een bedrag van € 280.000,-, althans ter hoogte van een door de rechtbank te bepalen bedrag;

voor recht verklaart dat [appellant] zich het bedrag van het door de rechtbank te bepalen voorschot op het redelijk loon uit het vennootschapsvermogen van [de vof] mag uitbetalen.

[appellant] heeft in die akte van 29 juni 2022 verder nog enige eisen geformuleerd voor het geval tot het oordeel wordt gekomen dat de onderneming aan [geïntimeerde] wordt toegescheiden.

Ontbinding vof wegens gewichtige redenen (grief 1)

De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 2.6 t/m 2.10 en beslissing 3.1. van het eindvonnis de vordering van [appellant] tot ontbinding van [de vof] wegens gewichtige redenen afgewezen. Volgens de rechtbank zijn partijen door de beslissing in het deelvonnis van de rechtbank van 5 februari 2020 en het arrest van het hof van 1 februari 2022 nog altijd gebonden aan de beëindigingsovereenkomst. In die beëindigingsovereen-komst staat wat er moet gebeuren als geen overeenstemming over het bedrag van overbedeling wordt bereikt. Aan die afspraken in de beëindigingsovereenkomst moeten partijen uitvoering geven. Dat de beëindigingsovereenkomst veel leemtes bevat en [appellant] en [geïntimeerde] er niet in slagen aanvullende afspraken te maken, staat volgens de rechtbank aan de gebondenheid aan de beëindigingsovereenkomst niet in de weg.

Voor de beoordeling van de klacht van [appellant] stelt het hof het bepaalde in artikel 7A:1684 BW voorop. Op grond van artikel 7A:1684 BW kan de rechter op vordering van een vennoot de vennootschap onder firma wegens gewichtige redenen ontbinden. Van een gewichtige reden is sprake indien, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs van een vennoot geen voortzetting van het vennootschappelijk verband kan worden gevraagd. Een ontbinding heeft op grond van artikel 7A:1684 lid 2 BW geen terugwerkende kracht.

Ruim tien jaar geleden – op 14/16 juli 2015 – hebben [appellant] en [geïntimeerde] de beëindigingsovereenkomst ondertekend. Uit die overeenkomst blijkt dat [geïntimeerde] en [appellant] [de vof] willen ontbinden. Volgens de beëindigingsovereenkomst moeten de broers de datum van ontbinding nog nader overeenkomen. Eerst zullen de broers proberen de koopprijs onderling overeen te komen, en als dat niet lukt zal de koopprijs in een deskundigenprocedure worden bepaald. Ruim tien jaar later is de koopprijs nog steeds niet vastgesteld. [de vof] is ook nog steeds niet ontbonden, en uitzicht op een ontbinding door partijen op betrekkelijk korte termijn ontbreekt.

Doordat [de vof] bestaat, kan naar het oordeel van het hof ook nog steeds toepassing worden gegeven aan artikel 7A:1684 BW. De beëindigingsovereenkomst, die tussen partijen van kracht is, staat naast de toepasselijkheid van artikel 7A:1684 BW. Volledigheidshalve voegt het hof hieraan toe dat bij de omstandigheden die in aanmerking moeten worden genomen voor het beantwoorden van de vraag of sprake is van een gewichtige reden in de zin van artikel 7A:1684 BW, de beëindigingsovereenkomst en de wijze waarop door [geïntimeerde] en/of [appellant] daaraan uitvoering is gegeven ook meewegen.

Uiteraard kan een ontbinding van de vennootschap wegens gewichtige redenen tot gevolg hebben dat het belang van partijen bij verdere uitvoering van de beëindigingsovereenkomst verloren gaat. Dat gevolg staat evenwel aan de toepasselijkheid van artikel 7A:1684 BW niet in de weg.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7A:1684 BW, betrekt het hof in het bijzonder de volgende omstandigheden.

Allereerst is sprake van een ernstig verstoorde verhouding tussen de beide vennoten, waardoor een vruchtbare samenwerking, waarbij beide vennoten hun arbeid inbrengen, al zeer lange tijd niet meer mogelijk is. Uit de overgelegde stukken en uit de verklaringen ter zitting is gebleken dat de verhouding in ieder geval eind 2014/begin 2015 al gespannen was. Na het geweldsincident [in] 2015, waarvoor [appellant] strafrechtelijk is veroordeeld, is voor beide vennoten duidelijk geworden dat [de vof] moet worden beëindigd en dat het beter is dat de broers bij elkaar uit de buurt blijven. De (ernstige) verstoring van de verhouding is na maart 2015 blijven bestaan. Het conflict tussen beide broers is verhard en tal van gerechtelijke procedures zijn gevolgd.

Ten tweede verkeren de beide broers al ruim tien jaar in onmin over de beëindiging van [de vof] . Een vennootschap waarin zij ongeveer vijf jaar samen (allebei) de werkzaamheden hebben uitgevoerd.

Ten derde is, anders dan [geïntimeerde] betoogt, de lange duur om tot beëindiging te komen niet uitsluitend of vooral aan [appellant] te wijten. Op zichzelf heeft [geïntimeerde] terecht opgemerkt dat [appellant] aanvankelijk weigerde een deskundige aan te wijzen en dat hij daarvoor eind 2015 een kort geding moest voeren. De omstandigheid dat [de deskundigen1] in de opdrachtbevestiging een clausule hadden opgenomen, waarmee [geïntimeerde] niet kon instemmen, is echter niet aan [appellant] verwijtbaar. [geïntimeerde] voert weliswaar aan dat die clausule op initiatief van [appellant] door [de deskundigen1] is voorgesteld, maar hij onderbouwt deze betwiste stelling niet. In ieder geval heeft [appellant] toen de opdrachtbevestiging getekend, [geïntimeerde] heeft dat achterwege gelaten. [geïntimeerde] heeft daarop een alternatief tekstvoorstel gedaan, waarin geen concrete termijn voor financiering was opgenomen waarbinnen [geïntimeerde] op toedeling van de onderneming aanspraak kon maken. In de daardoor ontstane patstelling heeft [appellant] ervoor gekozen de beëindigingsovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden en de opdracht aan [de deskundigen1] te beëindigen. In de daarop gevolgde gerechtelijke procedure is geoordeeld dat [geïntimeerde] niet gehouden was de gewijzigde opdrachtbevestiging te tekenen, dat de door [de deskundigen1] genoemde financieringstermijn van drie maanden te kort was, en dat in de rechtsverhouding tussen partijen een termijn van zes maanden heeft te gelden. [appellant] is daarmee in het ongelijk gesteld. Maar ook de alternatieve tekst van [geïntimeerde] heeft het hof niet overgenomen. In dat opzicht hadden beide partijen ongelijk. Bovendien weegt het hof mee dat op zichzelf de door [appellant] gesteunde financieringstermijn die [de deskundigen1] in de voorgelegde tekst hadden opgenomen, verdedigbaar was gelet op de termijnen waarvan in de in 2015 gewisselde concepten van de beëindigingsovereenkomst werd uitgegaan. Ook artikel 4 van de beëindigingsovereenkomst, waarin staat dat [appellant] geen nieuwe verplichtingen en overeenkomsten ten laste van [de vof] zal aangaan, duidt op een snelle beëindiging/ontbinding en daarmee ook op korte termijnen voor het vaststellen van de koopprijs en voor het verkrijgen van de benodigde financiering. Het is in dat licht bezien ook niet onbegrijpelijk dat [appellant] de patstelling heeft willen doorbreken door de beëindigingsovereenkomst te ontbinden.

Er is ook al geruime tijd een patstelling in de beëindigingsprocedure ten overstaan van [de deskundigen3] Gelet op de zeer uiteenlopende standpunten van de broers en de strijd die zij voeren, is begrijpelijk dat [de deskundigen3] voor hun werkzaamheden eerst een gezamenlijke opdracht van de beide vennoten willen krijgen. Anders dan [geïntimeerde] betoogt, is dit een wens van [de deskundigen3] en kan die voorwaarde daardoor niet aan [appellant] worden verweten. [appellant] heeft in de brief van 5 mei 2023 enige elementen genoemd die in de gezamenlijke opdracht aan de orde zouden moeten komen. [appellant] heeft daarbij onder meer aangeknoopt bij de overwegingen ten overvloede zoals die vermeld zijn in het eindvonnis van de rechtbank van 3 mei 2023. [geïntimeerde] wijst dat af, volhardt in zijn standpunt en heeft geen toereikende openingen geboden voor een gezamenlijke opdracht aan [de deskundigen3] Aan [geïntimeerde] kan worden toegegeven dat hij op zichzelf genomen contractueel daartoe ook niet toe gehouden is, maar deze opstelling van [geïntimeerde] brengt mee dat [de deskundigen3] hun werkzaamheden niet willen aanvangen. [geïntimeerde] verwijt [appellant] dat tijdsverlies optreedt doordat hij in hoger beroep van het eindvonnis is gekomen en een verzoekschrift tot benoeming van deskundigen heeft ingediend. Nu [de deskundigen3] hun werkzaamheden nog niet willen aanvangen vanwege het ontbreken van een gezamenlijke opdracht, levert die omstandigheid in ieder geval geen extra tijdsverlies op. Bovendien staat het [appellant] in beginsel vrij om hoger beroep in te stellen van het vonnis, en er is geen grond om aan te nemen dat [appellant] door het instellen van hoger beroep misbruik van bevoegdheid maakt.

Ten vierde is te verwachten dat als [de deskundigen3] na ontvangst van de door hen verlangde gezamenlijke opdracht hun werkzaamheden aanvangen, de daarop volgende deskundigenprocedure op grond van de beëindigingsovereenkomst en de vof overeenkomst een langdurig traject zal zijn. Zo twisten partijen over de financiële administratie en hebben zij zeer uiteenlopende standpunten over onder meer de peildatum, de vraag aan wie de waardeverandering van [de vof] na 2015 toekomt en de vraag of [appellant] aanspraak heeft op een vergoeding voor zijn werkzaamheden vanaf maart 2015. De deskundigenprocedure is daardoor complex, wat de nodige tijd en aandacht van partijen en deskundigen zal vragen.

Ten vijfde houdt het hof het ervoor dat het uit te brengen advies van [de deskundigen3] in juridische zin een bindend advies is. Gelet op de vele procedures die [geïntimeerde] en [appellant] al tegen elkaar voeren, moet redelijkerwijs rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat ook de gebondenheid aan dat bindend advies op enig moment door een van de broers in rechte zal worden aangevochten.

Ten zesde is uiterst onzeker wanneer op basis van de beëindigingsovereenkomst [de vof] wordt ontbonden. Volgens de in 2015 getekende beëindigingsovereenkomst moeten partijen over de datum van ontbinding overeenstemming bereiken. Nu, ruim tien jaar later, is die overeenstemming er nog steeds niet. Kennelijk willen partijen - of een van hen - eerst de uitkomst van [de deskundigen3] over de hoogte van de koopprijs afwachten. Dat zal, zoals hiervoor uiteengezet, nog de nodige tijd in beslag nemen. Gelet op de opstelling van beide partijen tot op heden, spreekt het niet voor zich dat partijen na dat gehele traject ter bepaling van de koopprijs, zonder slag of stoot over de ontbindingsdatum overeenstemming kunnen bereiken.

Ten zevende is sinds 2015 tussen de vennoten een onevenwichtigheid ontstaan over de mogelijkheden hangende de beëindigingsprocedure inkomsten te verwerven. In maart 2015 hebben partijen afgesproken dat [geïntimeerde] wordt vrijgesteld van werkzaamheden en dat [appellant] alle werkzaamheden in de vennootschap uitvoert. In die begin periode werd in de conceptovereenkomsten ook uitgegaan van overname van de onderneming door [appellant] , zodat die afspraak ook voor de hand lag. De in maart 2015 gemaakte afspraak over de werkverdeling is in juli 2015 in de beëindigingsovereenkomst gehandhaafd. Er had toen een andere werkverdeling afgesproken kunnen worden, omdat – anders dan in de eerste concepten – in de beëindigingsovereenkomst [geïntimeerde] als eerste het recht kreeg de onderneming over te nemen. Dat is niet gebeurd. Vervolgens heeft [geïntimeerde] , zonder daarvoor aan [appellant] toestemming te vragen, in 2016 een eenmanszaak opgericht en verricht hij bij derden werkzaamheden. De inkomsten daaruit brengt hij niet in [de vof] in maar behoudt hij voor zichzelf voor onder meer het levensonderhoud van zijn gezin. [geïntimeerde] staat niet toe dat [appellant] een (reële) vergoeding ontvangt voor de werkzaamheden die [appellant] sinds 10 maart 2015 in [de vof] verricht. [appellant] kan daardoor niet zelf in het levensonderhoud van zijn gezin voorzien en moet zijn werkzaamheden vanaf 2016 volgens [geïntimeerde] (nagenoeg) ‘om niet’ verrichten. Deze onevenwichtigheid duurt al bijna tien jaar en [geïntimeerde] is van mening dat de huidige situatie zo moet blijven zolang [de vof] niet ontbonden is en zo lang niet duidelijk is aan wie de onderneming wordt toebedeeld.

Ten achtste wordt een doelmatige en efficiënte toepassing van de regeling over de bevoegdheid van iedere vennoot, als neergelegd in artikel 6 van de vof overeenkomst, ernstig bemoeilijkt. Op grond van artikel 6 lid 1 van de vof overeenkomst berust de dagelijkse leiding bij de beide vennoten. In artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst is weliswaar als hoofdregel geformuleerd dat iedere vennoot bevoegd is derden aan de vennootschap te binden voor zover dat valt binnen de grenzen van het doel van de vennootschap. Daarbij zijn onder a t/m g echter ook zeven uitzonderingen geformuleerd voor situaties waarbij steeds de medewerking van de andere vennoot wordt vereist. Tot die uitzonderingen behoren onder meer het aangaan van huurovereenkomsten, het inschakelen van personeel en het aangaan van alle rechtshandelingen waarvan het belang het bedrag van € 5.000,- te boven gaat. Op grond van de beëindigingsovereenkomst heeft [appellant] de dagelijkse leiding en is [appellant] gehouden alle werkzaamheden in de onderneming uit te voeren. Voor de bedrijfsvoering moeten geregeld beslissingen worden genomen die onder het bereik van artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst vallen. [appellant] heeft daardoor voor de rechtshandelingen die hij in het belang van de vennootschap acht, zeer geregeld de medewerking van [geïntimeerde] nodig. Doordat [appellant] en [geïntimeerde] niet meer samen op het bedrijf feitelijk werkzaam zijn en de verhouding ernstig verstoord is, is normaal overleg niet goed mogelijk. De gevraagde medewerking moet veelal via mail en/of door tussenkomst van advocaten plaatsvinden. Onder die beperkende omstandigheden kan al snel een meningsverschil ontstaan en is zo’n meningsverschil ook niet telkens op korte termijn te overbruggen. Dit zal tot vertragingen in de bedrijfsvoering leiden en het kan daarmee mogelijk nadelige gevolgen voor de vennootschap hebben. Als [appellant] vooruitlopend op de door [geïntimeerde] te verlenen toestemming alvast de rechtshandeling verricht, loopt hij het risico voor een substantieel bedrag aan dwangsommen in zijn privévermogen te worden geraakt. Bovendien is ter zitting gebleken dat [geïntimeerde] en [appellant] van mening verschillen over de aard en de omvang die de onderneming zou moeten hebben en dat zij daardoor ook van mening verschillen over de vraag welke rechtshandelingen voor de verdere ontwikkeling van de onderneming nodig zijn. Dit blijkt ook uit de vele verwijten die [geïntimeerde] aan [appellant] maakt ter zake van rechtshandelingen waarvoor [geïntimeerde] geen toestemming heeft gegeven. Inmiddels vraagt [geïntimeerde] voor dat handelen van [appellant] , waarvoor geen toestemming was gevraagd en gegeven, betaling van verbeurde dwangsommen waarvan het totaalbedrag de koopsom die partijen in 2015 voor ogen hadden, evenaart of zelfs overstijgt.

[geïntimeerde] heeft een algemeen bewijsaanbod gedaan dat er geen sprake is van gewichtige redenen die ontbinding van de vof overeenkomst rechtvaardigen. In dat bewijsaanbod zijn geen concrete ter bewijs aangeboden feiten en omstandigheden genoemd, zodat het hof aan dat bewijsaanbod voorbijgaat.

Het hof is van oordeel dat gelet op de ernstig verstoorde verhouding, de al verstreken lange duur van de procedure op basis van de beëindigingsovereenkomst, het ontbreken van een reëel uitzicht op een beëindiging van [de vof] langs de route van de beëindigingsovereenkomst, de sedert 2015 bestaande onevenwichtigheid tussen de vennoten en de - in de situatie waarin partijen verkeren - moeilijk werkbare bevoegdheidsregeling op grond van artikel 6 van de vof overeenkomst, redelijkerwijs van [appellant] niet kan worden gevergd het vennootschappelijk verband voort te zetten. Het hof zal daarom, zoals [appellant] vraagt, [de vof] ontbinden wegens gewichtige redenen ex artikel 7A:1684 BW. Daarbij zal zoals hierna zal worden uiteengezet uitgangspunt zijn dat de onderneming, zoals [appellant] vordert, onder door het hof vast te stellen voorwaarden aan [appellant] worden toebedeeld. In zoverre slaagt grief 1. Aan de subsidiaire grondslag voor ontbinding van [de vof] komt het hof daardoor niet toe.

Het hof zal [de vof] per heden ontbinden. Bij de keuze voor deze datum heeft het hof onder meer acht geslagen op de hiervoor beschreven aard en ernst van de verstoorde verhoudingen en de nadelige risico’s die dat kan hebben voor de bedrijfsvoering van [de vof] . De datum van ontbinding is ook de peildatum voor de vaststelling van de omvang en samenstelling van het vermogen van de (ontbonden) vennootschap. Volledigheidshalve voegt het hof hieraan toe dat [de vof] (in liquidatie) na die datum blijft voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van het vermogen nodig is.

toescheiding, vereffening en schadevergoeding (grief 2)

beslissing rechtbank

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.12 van het eindvonnis overwogen dat de door [appellant] gevorderde toescheiding, vereffening en schadevergoeding worden afgewezen, omdat volgens de rechtbank de ontbindingsgrond 7A:1684 BW niet van toepassing is.

Het andersluidende oordeel van het hof brengt mee dat in zoverre ook grief 2 doel treft. Het hof zal op deze in hoger beroep gehandhaafde vorderingen beslissen.

schadevergoeding

Op grond van artikel 7A:1684 lid 2 BW kan de rechter een partij die in de naleving van haar verplichtingen is tekortgeschoten tot schadevergoeding veroordelen. Artikel 6:277 BW is van overeenkomstige toepassing verklaard.

Aan de vordering tot schadevergoeding heeft [appellant] ten grondslag gelegd, dat [geïntimeerde] met de weigering de taxatieopdracht van [de deskundigen1] te tekenen is tekortgeschoten. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] aan hem de daardoor gemaakte onnodige kosten van het onvoltooide deskundigentraject te vergoeden.

Een vergoeding op deze grondslag wordt door het hof verworpen. De reden voor de weigering tot ondertekening was dat [geïntimeerde] niet kon instemmen met een nieuwe clausule waarin een financieringstermijn van drie maanden was opgenomen. Het hof heeft in het tussenarrest van 1 februari 2022 geoordeeld dat [geïntimeerde] aan die nieuwe clausule niet gebonden was en dat een financieringstermijn van zes maanden heeft te gelden. De weigering tot ondertekening is daardoor geen tekortkoming die een (zelfstandige) grond voor ontbinding wegens een gewichtige reden heeft opgeleverd. Een schadevergoeding op die grondslag wordt afgewezen.

Voor zover [appellant] heeft beoogd een schadevergoeding te vorderen op de grond dat aan [geïntimeerde] te wijten is dat [de vof] vroegtijdig eindigt wegens de ontbinding op grond van artikel 7A:1684 BW wijst het hof die grond eveneens af. Het hof heeft hiervoor overwogen dat de ontbinding wegens gewichtige redenen is gegrond op de ernstig verstoorde verhouding en de nadien voorgedane ontwikkelingen, waaraan beide partijen hebben bijgedragen.

uitgangspunten bij toedeling en vereffening

De ontbinding van [de vof] brengt mee dat de vennootschap moet worden vereffend. Vervolgens moet over de passiva en de activa van de vennootschap onder firma worden beslist. Alsdan rijst onder meer de vraag of de onderneming aan een van beide vennoten moet worden toegescheiden en zo ja wat de omvang van de overbedeling is. Het hof zal de toedeling en vereffening aan zich houden.

Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] en [appellant] tegenover elkaar verplicht zijn om bij ontbinding van de vennootschap mee te werken aan een behoorlijke vereffening. Voorts moet bij de toedeling en vereffening acht worden geslagen op afdeling 3.7.1 BW, (vooral) afdeling 3.7.2 BW, de procedureregels in de artikelen 658 t/m 680 Rv en de vereffeningsbepalingen in de artikelen 32-34 WvK.

Op grond van artikel 3:185 BW houdt de rechter bij de verdeling naar billijkheid rekening met zowel de belangen van partijen als met het algemeen belang. De peildatum voor de vaststelling van de omvang en samenstelling van het vermogen van de (ontbonden) vennootschap is de datum van de ontbinding. De peildatum voor de waarde van dat vermogen is de datum van de verdeling van het vermogen, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.

Het hof is van oordeel dat voor de wijze waarop en voorwaarden waaronder de onderneming aan een van de vennoten wordt toegescheiden, zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de bepalingen daarover in de vof overeenkomst. Dat de bepalingen niet altijd even helder zijn en uitleg behoeven, maakt dat niet anders.

De beëindigingsovereenkomst regelt een zelfstandig beëindigingstraject die naast de ontbinding op grond van artikel 7A:1684 BW staat. Het beëindigingstraject op basis van de beëindigingsovereenkomst verkeert al vele jaren in een patstelling en concreet uitzicht op (spoedige) hervatting en met een concrete uitkomst ontbreekt. Door de ontbinding wegens gewichtige reden gaat het belang bij de procedure op basis van de beëindigingsovereenkomst verloren en verliest die overeenkomst daarmee in zoverre haar werking. Onder deze omstandigheden acht het hof de regeling in die beëindigingsovereenkomst over de toescheiding op basis van de ontbinding, bij de ontbinding op grond van artikel 7A:1684 BW niet bepalend.

wie zet onderneming voort

Artikel 15 lid 1 van de vof overeenkomst stelt voorop dat in geval van ontbinding van de vennootschap de vennoot die niet de oorzaak van de ontbinding was, bevoegd is de onderneming alleen of met anderen voort te zetten. Gelet op de samenhang tussen artikel 14, in welke bepaling expliciet de ontbindingsregeling van artikel 7A:1684 BW wordt genoemd, en artikel 15 van de vof overeenkomst, is het hof van oordeel dat met ‘ontbinding’ ook de ontbinding wegens gewichtige redenen wordt bedoeld.

De vraag rijst of de gewichtige reden (overwegend) aan een van beide vennoten is te wijten.

Op basis van de stukken en het ter zitting verklaarde acht het hof voldoende aannemelijk dat voordat [appellant] [geïntimeerde] [in] 2015 mishandelde de verhouding tussen de broers al (ernstig) was verstoord. Beide partijen hebben aan die verstoorde verhouding bijgedragen. De mishandeling [in] 2015 is een ernstige misdraging van [appellant] geweest waaraan een bijzonder gewicht ten nadele van [appellant] moet worden toegekend. Daartegenover staat de vrij onverzoenlijke houding van [geïntimeerde] na de beëindigingsovereenkomst van juli 2015 die aan verdere verharding van het conflict heeft bijgedragen. Zo heeft [geïntimeerde] tegenover [appellant] ten onrechte aanspraak gemaakt op de dwangsom van € 270.000,- doordat [appellant] geen uitvoering zou hebben gegeven aan het kortgedingvonnis van 23 november 2015 (rechtsoverweging 3.17). Illustratief is ook de aanspraak van [geïntimeerde] op de dwangsom van tweemaal € 5.000,- voor de betalingen van € 6.000,- van hun moeder en van de € 750,- van de en/of bankrekening van [appellant] aan [de vof] vanwege een zeer tijdelijk tekort aan cashgeld, welke bedragen na 4 dagen weer door [de vof] aan hun moeder en [appellant] en zijn vrouw zijn terugbetaald. Verder vindt [geïntimeerde] dat [appellant] geen aanspraak kan maken op de waardevermeerdering van de onderneming na 2015 en dat [appellant] ook geen reële vergoeding voor al zijn werkzaamheden in [de vof] vanaf 2016 tot heden toekomt. Tegen deze achtergrond is de (blijvende) ernstig verstoorde verhouding niet overwegend aan een van beide vennoten te wijten.

Voorts weegt het hof mee dat gelet op de conceptovereenkomsten en de onderlinge contacten in maart/april 2015, [appellant] kennelijk de aangewezen partij werd beschouwd om de onderneming over te nemen. Eerst halverwege juni 2015 gaf [geïntimeerde] te kennen dat hij geïnteresseerd was – en volgens hem daar ook recht op had – de onderneming voort te zetten als hij de financiering daarvoor kon rondkrijgen. In de beëindigingsovereenkomst is vervolgens ook overeengekomen dat - nadat de koopprijs bekend was - eerst [geïntimeerde] in de gelegenheid zou worden gesteld de onderneming voort te zetten. Toch is het niet [geïntimeerde] geweest die na die ondertekening van de beëindigingsovereenkomst in afwachting van de vaststelling van de koopprijs door deskundigen de (tijdelijke) voortzetting van de onderneming op zich heeft genomen; dat is [appellant] geweest. [appellant] heeft inmiddels ruim tien jaar de onderneming gedreven. De afgelopen tien jaar heeft [appellant] kennis en ervaring met de onderneming (verder) opgebouwd. [geïntimeerde] heeft volgens zijn eigen verklaring vanaf 2016 weliswaar werkzaamheden verricht, maar die lagen naar eigen zeggen in een andere branche en waren niet concurrerend aan de onderneming.

Onder deze omstandigheden zal het hof de onderneming aan [appellant] toedelen, dit onder de hierna te noemen en nog nader te bepalen voorwaarden. Die voorwaarden zullen in elk geval inhouden dat [appellant] aan [geïntimeerde] voor de overname van [geïntimeerde] aandeel in de vof, een vergoeding betaalt. Daarnaast zal [appellant] – evenals trouwens [geïntimeerde] – alle medewerking moeten verlenen die in het kader van de vereffening van de vennootschap redelijkerwijs nodig is. Mocht blijken dat [appellant] niet aan de door het hof verlangde medewerking voldoet, dan kan dit er mogelijk toe leiden dat [geïntimeerde] alsnog de gelegenheid dient te krijgen de onderneming voort te zetten. Bij dat laatste kan dan - naast alle overige omstandigheden van het geval - ook van belang zijn of [geïntimeerde] in het kader van de vereffening de benodigde medewerking heeft verleend. De genoemde toedeling aan [appellant] en het vaststellen van de voorwaarden waaronder die toedeling zal worden gedaan, zal plaatsvinden nadat de relevante waarde van de onderneming is bepaald.

boedelbeschrijving en financiële jaarcijfers

De eerste stap in het proces van de verdeling is het aanleveren van een boedelbeschrijving (artikel 3:194 BW) van [de vof] per heden.

De tweede stap is de vaststelling van de balans en de winst- en verliesrekeningen (jaarstukken) overeenkomstig de gebruikelijke regels, als bedoeld in artikel 10 van de vof overeenkomst vanaf 2010 tot en met 31 december 2015.

Kennelijk staan de jaarstukken tot en met 2014 vast, zodat die stukken door [appellant] en/of [geïntimeerde] kunnen worden overgelegd. Voor de jaarstukken vanaf 2015 rijst de vraag of die stukken zijn opgesteld, zo ja of die stukken overeenkomstig de regeling in de vof-overeenkomst aan de vennoten zijn toegezonden en of daartegen tijdig bezwaar is gemaakt. Als die jaarstukken nog niet zijn opgesteld moet dat alsnog gebeuren. Daarbij geldt als uitgangspunt de bestendige lijn in de wijze waarop de balans en winst- en verliesrekening vanaf 2010 zijn opgemaakt. Voor zover daarvan in de reguliere jaarstukken vanaf 2015 t/m 2025 wordt afgeweken, is een extra motivering vereist.

Voor de jaarstukken waarvoor nog niet de procedure is doorlopen als beschreven in artikel 10 leden 1 t/m 4 van de vof overeenkomst, geldt dat die jaarstukken moeten worden opgesteld, waarna die procedure moet volgen. Voor zover die jaarstukken tot (tijdige) bezwaren leiden, geeft het hof partijen in overweging met hun adviseurs te onderzoeken of zij over de eventuele geschilpunten met betrekking tot die jaarstukken tot overeenstemming kunnen komen. Indien dat niet op alle punten lukt, moeten partijen die geschilpunten en hun standpunten daarover aan het hof zo kernachtig mogelijk weergeven, zoveel mogelijk ondersteund met relevante bescheiden. Het hof zal daarop een beslissing moeten nemen. In dat geval ligt in de rede dat voor de beoordeling van die geschilpunten het hof een externe deskundige moet inschakelen wat mogelijk leidt tot aanzienlijke kosten die één of beide partijen moeten voorschieten.

Voor het geval er geschilpunten over de jaarstukken zijn waarop het hof heeft te beslissen, worden partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen.

na boedelbeschrijving en financiële jaarstukken deskundigenbenoeming

Nadat deze stappen zijn gezet zal het hof verdere beslissingen over de vereffening en toedeling nemen. Het ligt in de rede dat het hof alsdan drie deskundigen zal benoemen. Het hof stelt partijen in de gelegenheid zich in het kader van de vereffening en toedeling uit te laten over welke deskundigen moeten worden benoemd en welke vragen aan die deskundigen moeten worden gesteld. Het hof is voornemens het voorschot van die deskundigen door partijen gelijkelijk te laten betalen.

bevoegdheidsregeling artikel 6 lid 2 sub a t/m g en kortgedingvonnis van 19 juni 2018 (grief 4)

[geïntimeerde] heeft gevorderd om [appellant] op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden om zonder zijn toestemming de in artikel 6 lid 2 sub a t/m g van de vof overeenkomst beschreven (rechts)handelingen te verrichten. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] nakoming van de contractuele afspraak ten grondslag gelegd (conclusie van antwoord in reconventie nummer 132).

De rechtbank heeft deze vordering op die grondslag toegewezen.

In dit arrest ontbindt het hof de vof overeenkomst per heden. Daarmee kan naar het oordeel van het hof geen nakoming meer worden gevorderd van de genoemde bepaling uit de vof overeenkomst, en daarmee ontbreekt per de datum van de ontbinding een grondslag voor de door [geïntimeerde] ingestelde vordering. Vanaf de datum van de ontbinding geldt voor het beheer een andere regeling (zie hierna). Dit betekent dat het hof de beslissing van de rechtbank zal vernietigen.

De vordering van [geïntimeerde] om [appellant] op straffe van een dwangsom te veroordelen tot naleving van artikel 6 van de vof overeenkomst is ook om andere redenen niet toewijsbaar. Zoals het hof hiervoor onder rechtsoverweging 4.7 sub h heeft overwogen is tussen de broers een situatie ontstaan waarin een doelmatige en efficiënte toepassing van de regeling over de bevoegdheid van iedere vennoot, als neergelegd in artikel 6 van de vof overeenkomst, ernstig wordt bemoeilijkt. [appellant] heeft er terecht op gewezen dat – niet alleen onder de huidige omstandigheden maar ook onder de omstandigheden ten tijde dat de rechtbank vonnis wees - toepassing van artikel 6 van de vof overeenkomst op straffe van verbeurte van een dwangsom tot een (nagenoeg) onwerkbare situatie leidt. De dwangsom op de verplichting tot nakoming is onder deze omstandigheden niet passend, ondoelmatig en disproportioneel. Het hof is dan ook van oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] tot nakoming op straffe van een dwangsom in het bestreden vonnis ten onrechte is toegewezen. Het vonnis kan ook voor wat betreft de oplegging van dwangsommen ook op deze grond dus niet in stand blijven. Daarmee ziet de vernietiging van deze beslissing van de rechtbank ook op de periode vanaf het vonnis tot heden, de datum van ontbinding van de vennootschap.

Voor zover [appellant] opkomt tegen de veroordeling in het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 gaat het hof daaraan voorbij. Dit appel is niet gericht tegen dat kortgedingvonnis. Of dwangsommen op basis van dat kortgedingvonnis zijn verbeurd, is in dit appel niet aan de orde.

bevoegdheid tot verrichten van rechtshandeling hangende vereffening en verdeling

In het kader van de vereffening en de verdeling is het in het belang van zowel [appellant] als [geïntimeerde] dat de onderneming wordt gecontinueerd. Zo zal de onderneming in een latere stand van de procedure aan een van beide vennoten worden toebedeeld. Weliswaar is het hof, zoals hiervoor overwogen, voornemens de onderneming aan [appellant] toe te wijzen, maar niet is uitgesloten dat de onderneming (uiteindelijk) aan [geïntimeerde] wordt toebedeeld. Dit leidt er (mede) toe dat hangende de vereffening en de verdeling voor de rechtshandelingen namens de ontbonden [de vof] een regeling moet worden getroffen.

Gelet op het bepaalde in artikel 3:170 lid 2 BW en artikel 32 Wetboek van Koophandel is bij ontbinding van de vennootschap uitgangspunt dat de vennoten die het recht van beheer hebben gehad de zaken van de gewezen vennootschap moeten vereffenen, tenzij bij overeenkomst anders is overeengekomen of de gezamenlijke vennoten een andere vereffenaar hebben benoemd.

In artikel 6 lid 1 van de vof overeenkomst is de dagelijkse leiding van de onderneming opgedragen aan de beide vennoten [appellant] en [geïntimeerde] . In artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst is bepaald dat ieder van de vennoten bevoegd is de vennootschap te binden, behoudens een groot aantal onder sub a t/m g beschreven uitzonderingen. Bij deze regeling in de vof overeenkomst is uitgangspunt dat beide vennoten hun volledige kennis, arbeid en vlijt inbrengen (artikel 5 van de vof overeenkomst).

Toen vanwege de ernstig verstoorde verhoudingen partijen eind maart 2015 besloten uit elkaar te gaan is in juli 2015 de beëindigingsovereenkomst gesloten. In die beëindigingsovereenkomst is in afwijking van de artikelen 5 en 6 van de vof overeenkomst bepaald dat [geïntimeerde] werd vrijgesteld van werkzaamheden (artikel 3, eerste zin), [appellant] alle werkzaamheden zal verrichten totdat overeenstemming over de koopprijs is bereikt (artikel 3, tweede zin) en dat [appellant] geen nieuwe verplichtingen en overeenkomsten ten laste van [de vof] zal aangaan (artikel 4, tweede gedeelte van tweede zin).

Met de laatste afspraak werd de bevoegdheidsregeling op grond van artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst terzijde gesteld en daarvoor in de plaats overeengekomen een verplichting op [appellant] geen nieuwe verplichtingen en overeenkomsten aan te gaan. Mede gelet op het bepaalde in artikel 5 van de beëindigingsovereenkomst dat de onderneming in goede staat aan [geïntimeerde] moet worden overgedragen en de aan de beëindigingsovereenkomst voorafgaande concept-beëindigingsovereenkomst (rechtsoverweging 3.5) is deze afspraak gemaakt in de veronderstelling dat op korte termijn de koopprijs bekend zou zijn en duidelijk zou zijn of [geïntimeerde] of [appellant] de onderneming op basis van de koopprijs zou voortzetten.

Toen [geïntimeerde] en [appellant] over de koopprijs geen overeenstemming bereikten en de deskundigenprocedure stroef verliep en veel tijd nam, is [appellant] in afwijking van de afspraak in de tekst van de beëindigingsovereenkomst in het belang van de onderneming en ter uitvoering van zijn verplichting in de beëindigingsovereenkomst de onderneming in goede staat over te dragen nieuwe verplichtingen en overeenkomsten aangegaan. [geïntimeerde] raakte mede door zijn inzage in de bankrekeningen van [de vof] daarmee bekend en heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. [geïntimeerde] was van mening dat [appellant] zich wel moest houden aan artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst en heeft in 2018 ook in rechte nakoming van deze contractuele verplichting op straffe van een dwangsom gevorderd. De kortgedingrechter heeft die vordering in het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 toegewezen. Dit heeft vervolgens tot allerlei geschillen geleid, waarbij [geïntimeerde] aanspraak maakt op een groot bedrag aan verbeurde dwangsommen. [appellant] is van mening dat met de door [geïntimeerde] gestelde overtredingen van artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst hij in het belang van de onderneming heeft gehandeld en hij geen dwangsommen aan [geïntimeerde] verschuldigd is.

Met de ontbinding van de vof overeenkomst per heden is een nieuwe situatie ontstaan. In de beëindigingsovereenkomst is overeengekomen dat [appellant] als enige vennoot de dagelijkse leiding van de onderneming had. Dat heeft hij inmiddels meer dan 10 jaar gedaan. Het ligt in de rede dat hij ook na de ontbinding en hangende de vereffening en verdeling exclusief de dagelijkse leiding over de onderneming houdt.

Voor de te treffen regeling over de bevoegdheid namens de onderneming rechtshandelingen aan te gaan, ligt het in de huidige situatie niet voor de hand de regeling in artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst over te nemen. Allereerst is die regeling geschreven voor de situatie dat beide vennoten hun volledige kennis en arbeid inbrengen. Op die wijze kunnen zij onder meer op eenvoudige wijze dagelijks overleg voeren en beslissen over de nieuwe verplichtingen en overeenkomsten. Die situatie bestaat sedert maart 2015 niet meer. De verhoudingen waren toen ernstig verstoord en de verstoorde relatie is in de loop der jaren verder verhard. Ten tweede maakt [geïntimeerde] [appellant] het verwijt dat hij vele malen artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst heeft overtreden en daarom aanspraak maakt op een hoog bedrag aan verbeurde dwangsommen zonder dat daarbij aannemelijk is gemaakt dat de door [appellant] verweten aangegane verplichtingen en overeenkomsten in strijd met het belang van de onderneming zijn. Ten derde is ter zitting gebleken dat [appellant] en [geïntimeerde] een verschillende visie hebben op de omvang van de onderneming. Die verschillende visie staat mede in het licht van de verstoorde verhoudingen aan een effectieve toepassing van artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst ten behoeve van de onderneming in de weg.

Voor de vaststelling van de beheerregeling betrekt het hof naast het voorgaande de volgende uitgangspunten:

de aard en de omvang van de onderneming als agrarisch bedrijf brengt mee dat geregeld in korte tijd allerlei beslissingen - onder meer over het gebruik van agrarische percelen, de omvang van de veestapel, veevoer, landbouwmachines, en tijdelijk personeel - moeten worden genomen;

[appellant] is voor een effectieve bedrijfsvoering erbij gebaat dat hij die beslissingen in het belang van de onderneming kan nemen zonder steeds de medewerking van [geïntimeerde] te vragen en van zijn medewerking afhankelijk te zijn;

op zichzelf is niet uitgesloten dat, nadat de relevante waarde van de onderneming is bepaald en (definitief) op de toedeling en de daarbij geldende voorwaarden zal worden beslist, in plaats van [appellant] [geïntimeerde] de onderneming voortzet. Voor dat geval heeft [geïntimeerde] belang bij een in goede staat verkerende onderneming die niet belast is met verplichtingen en overeenkomsten die een negatief effect hebben op de (financiële positie van de) onderneming;

mede gelet op mogelijkheid dat [geïntimeerde] in een positie kan komen dat hij de onderneming voortzet heeft hij ook belang bij geregeld goede informatie over de onderneming hangende de verdeling en vereffening.

Tegen deze achtergrond brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid, waartoe partijen tegenover elkaar zijn gehouden (vgl. artikel 6:2 lid 1 BW), mee dat hangende de vereffening en verdeling en zolang [appellant] nog de eerst aangewezene is die de onderneming voortzet, de volgende bevoegdheidsregeling heeft te gelden:

- [appellant] is exclusief bevoegd namens de onderneming rechtshandelingen aan te gaan voor zover dit valt binnen de grenzen van het doel van de (ontbonden) vennootschap, die is gericht op voortzetting door één der vennoten, en met dien verstande, dat de toestemming van [geïntimeerde] steeds is vereist voor:

eenmalige rechtshandelingen namens de onderneming van de ontbonden [de vof] waarvan het belang of de waarde het bedrag van € 20.000,- overschrijdt;

voortdurende rechtshandelingen - zoals (ver)huur, (ver)pachten, kredietovereenkomst en arbeidsovereenkomsten - namens de onderneming van de ontbonden [de vof] waarvan het belang op jaarbasis het bedrag van € 20.000,- overschrijdt.

Volledigheidshalve voegt het hof hieraan het volgende toe.

De beperking van de bevoegdheid van [appellant] namens de (ontbonden) vennootschap aan te gaan geldt ook voor rechtshandelingen die hij met zichzelf en/of zijn vrouw aangaat.

Voorts geldt deze regeling niet alleen voor investeringen en/of bedrijfskosten maar voor alle rechtshandelingen namens de onderneming van de (ontbonden) vennootschap die het financieel belang of waarde van € 20.000,- overschrijdt.

Het opknippen van in de branche gebruikelijke (rechts)handelingen om op die wijze onder de grens van € 20.000,- te komen, wordt als een handelen in strijd met de beheerregeling beschouwd.

Verder heeft [appellant] [geïntimeerde] geregeld, in ieder geval eens per kwartaal en telkens uiterlijk in de eerste veertien dagen van het daarop volgende kwartaal (respectievelijk in de maanden april, juli, oktober en januari), te informeren over de door hem aangegane rechtshandelingen namens de onderneming van de ontbonden [de vof] . Deze informatieverplichting strekt er niet alleen toe om [geïntimeerde] in staat te stellen of [appellant] zich houdt aan de in dit arrest bepaalde beheerregeling maar ook om hem over de bedrijfsontwikkeling op de hoogte te houden. Daarom heeft voor de omvang van de informatieverplichting [appellant] [geïntimeerde] niet alleen te informeren over de rechtshandelingen die het belang of de waarde van € 20.000,- te boven gaan, maar over iedere enigszins substantiële rechtshandeling. Het hof stelt de grens op het belang of de waarde van € 5.000,-.

Het hof ziet in dit stadium van de procedure geen grond of aanleiding (ambtshalve) een dwangsom op te leggen aan deze op [appellant] rustende verplichtingen. In het geval [appellant] nalatig is, kan dat één van de omstandigheden zijn die heeft mee te wegen bij de (definitieve) beslissing aan wie de onderneming moet worden toebedeeld.

Twee verklaringen voor recht over voorschot op een redelijk loon van € 280.000,-

[appellant] heeft bij de rechtbank twee verklaringen voor recht gevorderd met betrekking tot een voorschot op een redelijk loon van € 280.000,-. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.15 van het eindvonnis deze vorderingen afgewezen. [de vof] zou dat voorschot aan [appellant] moeten uitbetalen en is in deze procedure geen partij. Op basis van dit argument wijst de rechtbank deze vorderingen af.

Gelet op het petitum heeft [appellant] kennelijk deze verklaringen voor recht in hoger beroep gehandhaafd. [appellant] heeft evenwel geen kenbare grief tegen rechtsoverweging 2.15 van het eindvonnis gericht. Daarmee staat de afwijzende beslissing van de rechtbank vast en komt het hof aan de inhoudelijke beoordeling van deze verklaringen voor recht niet toe.

Grieven 5 en 6: aanwijzing deskundigen, verschaffen alle informatie en dwangsom

[appellant] bestrijdt met de grieven 5 en 6 de rechtsoverwegingen 2.27 en 2.28 (rechtsoverweging 2.26 is een inleidende overweging waarin de relevante vorderingen in reconventie van [geïntimeerde] worden weergegeven) en de beslissingen 3.7 t/m 3.10 in het eindvonnis.

Anders dan de rechtbank komt het hof tot een ontbinding van [de vof] wegens gewichtige redenen ex artikel 7A:1684 BW en een toedeling en vereffening overeenkomstig dat wettelijk kader. Voorts weegt het hof mee dat ter zitting is gebleken dat [appellant] na het eindvonnis een deskundige heeft aangewezen en dat de gezamenlijke deskundigen hun werkzaamheden wegens het ontbreken van een gezamenlijke opdracht niet hebben aangevangen en daardoor ook geen informatie bij [appellant] hebben opgevraagd. Onder deze omstandigheden heeft [geïntimeerde] geen belang meer bij zijn vorderingen. Het hof zal het eindvonnis op dit onderdeel vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen.

De conclusie

Op basis van de primaire grondslag zal het hof op vordering van [appellant] [de vof] per heden op grond van gewichtige redenen ex artikel 7A:1684 BW ontbinden. Uitgangspunt is dat onder door het hof nog nader vast te stellen voorwaarden de onderneming zal worden toebedeeld aan [appellant] . Op de toedeling en de daarbij geldende voorwaarden zal (definitief) worden beslist nadat de relevante waarde van de onderneming is bepaald.

Het hof houdt de toedeling en de vereffening aan zich. De peildatum voor de vaststelling van de omvang en samenstelling van het vermogen van de (ontbonden) vennootschap is de datum van de ontbinding. De peildatum voor de waarde van dat vermogen is de datum van de verdeling van het vermogen. Partijen wordt gevraagd een boedelbeschrijving en de financiële jaarstukken te overleggen. Voor zover over een of meerdere jaren de jaarstukken nog niet overeenkomstig de regeling in de vof overeenkomst is/zijn vastgesteld, worden partijen uitgenodigd die jaarstukken vast te stellen en eventuele geschilpunten waarover geen overeenstemming kan worden bereikt, kernachtig aan het hof voor te leggen. Het hof zal, mogelijk na inschakeling van een of drie externe deskundigen, op die geschilpunten beslissen. Partijen worden uitgenodigd zich over de te benoemen deskundige(n) voor de beoordeling van de geschilpunten ten aanzien van de jaarstukken uit te laten en de aan die deskundige(n) te stellen vragen.

Nadat de boedelbeschrijving en de jaarstukken zijn vastgesteld, zal het hof in het kader van de vereffening en toedeling (opnieuw) deskundigen benoemen. Partijen worden uitgenodigd zich over de te benoemen deskundigen voor de vereffening en toedeling en de aan die deskundigen te stellen vragen uit te laten.

[appellant] wordt belast met de vereffening en continuering van de onderneming hangende de vereffening en toedeling. Hangende de vereffening en verdeling en zolang [appellant] nog de eerst aangewezene is die de onderneming zal voortzetten, bepaalt het hof een bevoegdheidsregeling.

[appellant] heeft [geïntimeerde] minimaal eens per kwartaal te informeren over de door hem aangegane rechtshandelingen namens de onderneming van de ontbonden [de vof] voorzover het belang of de waarde van die rechtshandelingen € 5.000,- (eenmalige rechtshandelingen en bij voortdurende rechtshandelingen op jaarbasis) te boven gaan.

Aan de subsidiaire grondslag tot ontbinding van de vof overeenkomst komt het hof niet toe.

Het hof wijst de vordering van [appellant] tot schadevergoeding op grond van artikel 7A:1684 lid 2 BW af.

Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank [appellant] op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden om zonder toestemming van [geïntimeerde] de in artikel 6 lid 2 sub a t/m g van de vof overeenkomst beschreven (rechts)handelingen te verrichten. De daaraan ten grondslag liggende vordering van [geïntimeerde] wordt afgewezen.

Tegen de afwijzing door de rechtbank van de twee vorderingen van [appellant] waarin een verklaring voor recht moet worden gegeven met betrekking tot het voorschot op een redelijk loon van € 280.000,- heeft [appellant] niet gegriefd, zodat die vorderingen ook in hoger beroep worden afgewezen.

Het hof vernietigt de beslissingen 3.7 t/m 3.10 in het eindvonnis ten aanzien van de deskundige benoeming in het kader van de beëindigingsovereenkomst en het verschaffen van informatie aan die deskundigen en wijst de daarop betrekking hebbende vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af.

Uit doelmatigheidsoverwegingen zal het hof het eindvonnis vernietigen en opnieuw beslissen zoals hiervoor is aangegeven.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 3 mei 2023 en beslist opnieuw:

ontbindt per heden de vennootschap onder firma [naam1] ( [de vof] ) wegens gewichtige redenen;

houdt de toedeling en vereffening van het vermogen van de (ontbonden) [de vof] aan zich;

belast [appellant] met de vereffening en de continuering van de onderneming hangende de procedure tot vereffening en verdeling;

bepaalt dat hangende de vereffening en verdeling de volgende bevoegdheidsregeling geldt:

- [appellant] is exclusief bevoegd namens de onderneming rechtshandelingen aan te gaan voor zover dit valt binnen de grenzen van het doel van de (ontbonden) vennootschap en met dien verstande, dat de toestemming van [geïntimeerde] steeds is vereist voor:

 eenmalige rechtshandelingen namens de onderneming van de ontbonden [de vof] waarvan het belang of de waarde het bedrag van € 20.000,- overschrijdt;

 voortdurende rechtshandelingen - zoals (ver)huur, (ver)pachten, kredietovereenkomst en arbeidsovereenkomst - namens de onderneming van de ontbonden [de vof] waarvan het belang of de waarde op jaarbasis het bedrag van € 20.000,- overschrijdt;

bepaalt dat [appellant] [geïntimeerde] geregeld, in ieder geval eens per kwartaal en telkens uiterlijk in de eerste veertien dagen van het daarop volgende kwartaal (respectievelijk in de maanden april, juli, oktober en januari) moet informeren over de door hem aangegane rechtshandelingen namens de onderneming van de ontbonden [de vof] die het belang of de waarde van € 5.000,- (voor eenmalige rechtshandelingen en voor voortdurende rechtshandelingen op jaarbasis) overschrijden;

gelast [appellant] en [geïntimeerde] op de rolzitting van 24 maart 2026 over te leggen:

een boedelbeschrijving van [de vof] per heden;

de overeenkomstig de in artikel 10 van de vof overeenkomst beschreven procedure vastgestelde balans en de winst- en verliesrekeningen (jaarstukken) vanaf 2010 tot heden;

gelast [appellant] en [geïntimeerde] , voor zover over een jaar de balans en de winst- en verliesrekeningen (jaarstukken) vanaf 2010 tot heden (nog) niet overeenkomstig de procedure in artikel 10 van de vof overeenkomst zijn vastgesteld, zich uit te laten over de vragen:

of die stukken zijn opgesteld;

of die stukken in procedure zijn gebracht;

of (tijdig) bezwaren zijn ingebracht;

of overleg tussen adviseurs van beide broers heeft plaatsgevonden om overeenstemming te bereiken over de eventuele geschilpunten en wat daarvan de uitkomst is;

voor zover nog geschilpunten bestaan hun standpunten kernachtig weergeven, zoveel mogelijk ondersteund met relevante bescheiden;

zich uitlaten over een of drie externe deskundige(n) ter advisering aan het hof over de geschilpunten met betrekking tot de jaarstukken en de aan die externe deskundige(n) te stellen vragen;

stelt partijen in de gelegenheid zich over de te benoemen deskundigen in het kader van de vereffening en toedeling uit te laten en de aan die deskundigen te stellen vragen;

wijst (in ieder geval) af de vorderingen van [appellant] :

[geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat (vordering A sub c);

voor recht te verklaren dat [appellant] aanspraak maakt op een voorschot van een redelijk loon en dat [appellant] dat redelijk loon uit de vennootschapsvermogen mag betalen (vorderingen C sub g en h);

wijst (in ieder geval) af de vorderingen van [geïntimeerde]

om in het kader van de procedure op grond van de beëindigingsprocedure [appellant] op straffe van een dwangsom te veroordelen een deskundige aan te wijzen, [geïntimeerde] te machtigen een deskundige namens [appellant] aan te wijzen en [appellant] te veroordelen de deskundigen alle documenten te verschaffen die de deskundigen van belang achten;

[appellant] op straffe van een dwangsom te verbieden om zonder voorafgaande toestemming van [geïntimeerde] de in artikel 6 lid 2 sub a t/m g van de vof overeenkomst beschreven (rechts)handelingen te verrichten;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.H. de Witte, O.E. Mulder en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?