[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 6 juni 2025 en 8 december 2025 en wat op de terechtzitting in de rechtbank Gelderland is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.M.A. Kersten, hebben aangevoerd.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 19 april 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte voor de feiten één tot en met zeven veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van drie jaar. Aan de voorwaardelijke straf heeft de rechtbank meerdere bijzondere voorwaarden verbonden.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve wat betreft de beslissing over de strafoplegging. Op dit laatste punt zal het hof het vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen.
Verdachte heeft op de zitting bij het hof voor alle feiten een bekennende verklaring afgelegd. In de later eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zal de bewijsconstructie van de rechtbank met deze bekennende verklaring van verdachte worden aangevuld.
Oplegging van straf en/of maatregel
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de voorwaardelijke straf meerdere bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering is geadviseerd in het rapport van 19 november 2025.
Door en namens verdachte is verzocht geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan verdachte al in voorarrest heeft gezeten. Er hebben zich de positieve ontwikkelingen voorgedaan in de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Een voorwaardelijke gevangenisstraf zou gecombineerd kunnen worden met een (zeer) hoge taakstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zevental feiten, bestaande uit het voorhanden hebben van grote hoeveelheden drugs, ongeveer 41 kilo MDMA, 1 kilo amfetamine, 31 kilo hennep, 450 gram hasj en 149 vape THC cartridges en een tweetal verboden wapens in zijn woning in [plaats] . Daarnaast had verdachte in de woning van zijn moeder in [plaats] ongeveer 24 kilo MDMA en 12 kilo hennep aanwezig. De drugsfeiten heeft verdachte samen met een ander gepleegd.
Dit zijn ernstige feiten. Het is algemeen bekend dat drugs zeer schadelijk zijn voor de
volksgezondheid. Verdachte heeft met zijn gedragingen zijn eigen (financieel) gewin boven de veiligheid en gezondheid van anderen gesteld. Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat zijn destijds driejarige dochter kennelijk toegang had tot de drugs die in zijn woning lagen. Op het moment van binnentreden door de politie kwam zij notabene met een XTC-pil in haar hand naar de politie toe. Hij heeft zijn dochter hiermee ernstig in gevaar gebracht. Daarnaast gaat de handel in drugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit en overlast. Verdachte heeft door het voorhanden hebben van deze grote hoeveelheden drugs de maatschappij bewust aan deze risico’s blootgesteld. Het hof acht weliswaar aannemelijk dat verdachte onder druk van de financiële problemen die zijn ontstaan door zijn eigen drugsgebruik is overgegaan tot het voor anderen bewaren van grote hoeveelheden drugs, dit doet echter niet af aan het feit dat verdachte verantwoordelijk is voor zijn eigen handelen.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 november 2025, waaruit volgt dat hij na onderhavige feiten niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen.
De reclassering adviseert in haar advies van 19 november 2025 een (deels) voorwaardelijke straf met voortzetting van de reeds door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering schrijft dat verdachte actief, constructief en met goed resultaat aan het forensisch traject in het kader van zijn schorsing meewerkt. De reclassering acht het van belang dat verdachte zijn traject kan voortzetten en afronden. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou het uitermate positief verlopend behandel- en begeleidingstraject negatief doorkruisen, aldus de reclassering.
Het tijdsverloop sinds het feit bedraagt twee jaar.
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zijn leven na het voorarrest in onderhavige zaak op de rit heeft gekregen. Hij woont begeleid in een appartement vanuit de organisatie [bedrijf] en heeft weer goed contact heeft met zijn moeder en met zijn dochter, die een enorme steun voor hem zijn en hem op het rechte pad houden. Verdachte is bijna twee jaar aantoonbaar vrij van middelengebruik en heeft het klinische deel van zijn behandeling succesvol doorlopen. Verdachte is sinds februari gestart met dagbesteding bij [bedrijf] , van waaruit ook positieve berichten over verdachte komen. Daarnaast volgt verdachte schematherapie, waardoor sprake is van gedragsverandering met name op het gebied van kwetsbaarheid. Verdachte hoopt geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd te krijgen, omdat hij al het bovenstaande wil doorzetten. Daarnaast heeft verdachte spijt betuigd voor de feiten, neemt hij verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en heeft hij verklaard een taakstraf te kunnen en zullen verrichten. Verder kijkt verdachte positief naar de toekomst en wil hij, zodra daar de ruimte voor is, weer een opleiding starten.
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de bewezen verklaarde feiten, gelet op de ernst van de feiten, in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de rechtbank is opgelegd. Vanwege de zeer positieve ontwikkelingen bij verdachte, is het hof van oordeel dat het niet opportuun zou zijn wanneer de verdachte terug zou moeten keren naar de gevangenis. Het hof merkt daarbij op dat het hof voor een bijzonder lastige afweging heeft gestaan, gelet op de ernst en de aard van de bewezenverklaarde feiten. Daar staat echter tegenover dat de verdachte tijdens zijn schorsing van ver is gekomen en zich sinds zijn schorsing op alle vlakken goed ontwikkeld heeft en een nieuwe basis voor zijn toekomst heeft opgebouwd. Het hof heeft er daarnaast vertrouwen in dat verdachte dit traject kan volhouden en niet in herhaling zal vallen. Hij heeft eerder lange perioden geen drugsprobleem gehad en leidde toen een geregeld leven.
Om de ernst van de feiten dan ook tot uitdrukking te brengen, maar zonder de positieve ontwikkelingen van de verdachte mogelijk te doorkruisen en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden waarvan 20 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van drie jaren en een onvoorwaardelijke taakstraf ter hoogte van 480 uren, subsidiair 240 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden. Een hogere taakstraf, zoals voorgesteld door de raadsvrouw van verdachte, acht het hof niet opportuun. Dit zou een onevenredige belasting voor verdachte opleveren. Het hof meent dat de ernst van de feiten voldoende tot uitdrukking komt in de hoogte van de opgelegde (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf in combinatie met deze taakstraf.
Het hof heeft hierbij in het bijzonder rekening gehouden met de positieve persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door en namens verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht, waaronder het met succes afronden van een klinische behandeling. De duur van het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf overstijgt niet de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten, zodat verdachte niet opnieuw naar de gevangenis hoeft. Het hof hoopt dat verdachte inziet dat hem een uitzonderlijke kans wordt geboden om te breken met zijn criminele verleden en een nieuw delictenvrij bestaan verder op te bouwen. Bij de voorwaardelijke straf zullen bijzondere voorwaarden worden gesteld zoals geadviseerd door de reclassering.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 20 (twintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 480 (vierhonderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 240 (tweehonderdveertig) dagen hechtenis.
Heft op het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. Th.C.M. Willemse, voorzitter,
mr. K. Gilhuis en mr. D. Stikkelbroeck, raadsheren,
in aanwezigheid van de griffier mr. H.A.C. Peters
en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 december 2025.