Oordeel van het hof
Vordering van benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,00 ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Door de benadeelde partij [benadeelde 2] is een bedrag ter hoogte van € 3.000,00 aan shockschade gevorderd. Dit betreft schade die geleden kan worden door het waarnemen van een strafbaar feit of de gevolgen daarvan. Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit het hof aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
Het hof overweegt dat vergoeding van immateriële schade (in de vorm van shockschade) kan plaatsvinden als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht. Deze heftige schok moet een in de psychiatrie erkend ziektebeeld tot gevolg hebben. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hebben of hadden.
Maatstaf voor de beoordeling van de voorliggende vordering is neergelegd in HR 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958). Het gaat om shockschade bij een 'secundair slachtoffer', veroorzaakt door het onrechtmatig handelen tegen het 'primaire slachtoffer'. Gezichtspunten die daarbij een rol spelen zijn: (a) de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, (b) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan en (c) de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer. Het recht op vergoeding van shockschade is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel.
Het hof stelt vast dat tussen [benadeelde 2] en aangeefster een nauwe en affectieve relatie bestaat, ze zijn immers moeder en dochter en [benadeelde 2] zorgde in de periode van het bewezenverklaarde feit ook voor aangeefster.
Het hof kan echter niet vaststellen dat bij benadeelde door het bewezenverklaarde handelen een hevige emotionele schok teweeg is gebracht, nu er geen sprake is van een onverhoedse confrontatie met de seksuele handelingen tussen verdachte en het slachtoffer. Zij werd en wordt natuurlijk wel geconfronteerd met de gevolgen die het misbruik voor haar dochter heeft, maar dat is een te indirect verband voor toewijzing van shockschade. Ieder familielid of vriend van iemand die slachtoffer wordt van een strafbaar feit is op enigerlei wijze getuige van de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Dat betekent nog niet dat de dader ook jegens dat familielid (in deze zaak: de moeder) of vriend onrechtmatig heeft gehandeld en dat is wel de grondslag voor toekenning van shockschade.
De vordering is in sterke mate gebaseerd op het getuige zijn van het videogesprek tussen verdachte en [benadeelde 1] . Maar benadeelde heeft [benadeelde 1] zelf verzocht of zelfs opgedragen verdachte te bellen om ervoor te zorgen dat er voldoende bewijsmateriaal zou zijn voor hetgeen [benadeelde 1] tegen haar over het misbruik heeft verteld. Kennelijk had benadeelde dus ook ergens de verwachting dat verdachte bepaalde gedragingen zou laten zien in dat gesprek. Het hof oordeelt verder dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een causaal verband tussen de vastgestelde PTSS en de bewezen feiten.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van de strafprocedure oplevert. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Vordering van benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 15.000,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 7.500,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Naar het oordeel van het hof heeft verdachte met het bewezenverklaarde handelen een ernstige inbreuk gemaakt op eerbiediging van de lichamelijke en geestelijke integriteit van [benadeelde 1] . De aard en de ernst van de normschending en de relevante nadelige gevolgen voor haar liggen zo voor de hand dat een aantasting in de persoon 'op andere wijze', zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Het gaat om een langere periode waarin ontucht heeft plaatsgevonden bij een jong kind dat door haar eigen vader is misbruikt. Mogelijk zal zij (ook) op latere leeftijd schadelijke gevolgen ondervinden van het handelen van verdachte. Het hof is dan ook van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat benadeelde de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters toewijzen in vergelijkbare zaken, zal het hof de hoogte van het bedrag vaststellen op € 7.500,00. De gevorderde wettelijke rente over de toegekende immateriële schade zal worden toegewezen, met als ingangsdatum 25 december 2022. Daarnaast zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen ter voldoening van het toegewezen bedrag. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Op verzoek van de benadeelde partij zal het hof bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen)-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken totdat zij achttien jaar is.
Wetsartikelen
De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 57, 63, 248d (oud) en 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding van
€ 7.500,- zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum] 2011, te openen rekening met een BEM-clausule.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 72 (tweeënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 december 2022.
Wijst af de vordering tot gevangenneming.
Dit arrest is gewezen door mr. O.G. Schuur, mr. A. van Maanen en mr. L.A. Kjellevold, in aanwezigheid van de griffier mr. L.A.C. van den Berg-Veltman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 december 2025.