GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.335.689
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 240612
arrest van 16 december 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als een van twee gedaagden in conventie tevens eiser(s) in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. L. Meijerink
tegen
Lotas B.V.
die is gevestigd in De Lutte, gemeente Losser
die bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie
hierna: Lotas
advocaat: mr. M. Huizingh
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
In het tussenarrest van 14 januari 2025 heeft het hof het procesverloop tot dan toe opgenomen. Naar aanleiding van dit tussenarrest heeft op 2 oktober 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (het proces-verbaal) gemaakt waarin de na het tussenarrest ingediende stukken staan opgesomd. Het verslag is aan het dossier toegevoegd. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2. De kern van de zaak
Voor de kern van de zaak, de vorderingen en de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar het tussenarrest van 14 januari 2025. In zijn akte na tussenarrest heeft [appellant] een eisvermeerdering ingediend. Ter zitting is de eisvermeerdering, voor zover het de onderdelen a) en b) betreft, afgewezen. Tegen de onderdelen c) tot en met h) van de eisvermeerdering heeft Lotas geen bezwaar gemaakt. De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusieregel beperkt de bevoegdheid tot wijziging van eis in hoger beroep in die zin dat de eis in beginsel niet later dan in de memorie van grieven of antwoord mag worden gewijzigd. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. Naar het oordeel van het hof doet zich hier een zodanige uitzondering voor. De vermeerdering van eis, opgesomd in onderdelen c) tot en met h) in de akte na tussenarrest van [appellant] , is gerelateerd aan het tussenarrest; het zijn vorderingen die zijn ingegeven door de gedachte, door het hof geformuleerd in het tussenarrest, dat [appellant] mogelijk als consument is aan te merken. Dit is een voor partijen nieuwe ontwikkeling van juridische aard nadat van grieven (en antwoord) is gediend. Het hof acht de verzochte eisvermeerdering om die reden niet in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Kort gezegd komt de eisvermeerdering erop neer dat [appellant] vordert dat het hof voor recht verklaart dat het prijsbeding oneerlijk is en [appellant] niet bindt en dat, omdat het prijsbeding geschrapt dient te worden en niet vervangen mag worden, [appellant] geen vergoeding verschuldigd is aan Lotas.
Met het afwijzen van de verzochte eisvermeerdering op de onderdelen a) en b) is de voorwaarde vervuld waaronder [appellant] bij akte van 22 september 2025 verzocht heeft zijn eis wat betreft de onderdelen a) en b) (opnieuw) te wijzigen. De verzochte wijzigingen betreffen verklaringen voor recht dat Lotas hetgeen zij onterecht heeft ontvangen van [appellant] en SCW op basis van het eindvonnis en de uitspraak van de Accountantskamer terug dient te betalen. Deze verzochte eisvermeerdering is wel in strijd met de beginselen van een goede procesorde, meer in het bijzonder met de twee-conclusieregel. Dat [appellant] terugbetaling wenste, had hij kunnen voorzien bij memorie van grieven en houdt geen verband met de nieuwe juridische ontwikkelingen als verwoord in het tussenarrest. Het verzoek tot voorwaardelijke eiswijziging als verwoord in de akte van 22 september 2025 wordt dus afgewezen.
Het hof zal beslissen dat het oordeel van de rechtbank in conventie in stand blijft. [appellant] is terecht veroordeeld tot voldoening van de facturen van Lotas. Ook het oordeel van de rechtbank in reconventie blijft in stand. Het hof licht dat hierna toe.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
De feiten
Het hof gaat uit van de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het tussenvonnis van 9 juni 2021. Omdat dit vonnis niet is gepubliceerd, zal het hof de feiten hierna kort schetsen en ook enige feiten toevoegen.
Lotas, in de persoon van [geïntimeerde] (hierna: [geïntimeerde] ), heeft vanaf 2004 werkzaamheden verricht voor vennootschappen van [appellant] en heeft later ook aangiften inkomstenbelasting voor [appellant] verzorgd. Op de verhouding tussen partijen zijn de door Lotas gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing, die rond 2004 aan [appellant] zijn verstrekt. De opdracht(en) is/zijn niet schriftelijk vastgelegd.
Ter betaling van in 2009 openstaande facturen van één van zijn vennootschappen heeft [appellant] een auto aan [geïntimeerde] overgedragen. Daarbij is overeengekomen dat met de overdracht de vennootschap geacht wordt de openstaande facturen te hebben voldaan én dat er een tegoed van € 28.500.- (dat is circa 200 aan "te werken uren") van Lotas wordt verkregen.
[appellant] heeft in 2014 een aan hem in eigendom toebehorende woning in [plaats1] aan Lotas Beheersmaatschappij B.V. verkocht en geleverd tegen een koopsom van
€ 160.000.-. In de betreffende notariële akte van levering is vermeld dat het bedrag van deze koopsom wordt omgezet in een geldlening.
In 2017 bleek dat de controller van SCW B.V. (hierna: SCW), een vennootschap van [appellant] , niet goed functioneerde. [appellant] heeft Lotas gevraagd om deze controller te begeleiden en de administratie op orde te brengen. Eind september 2017 is deze controller ontslagen.
De belastingdienst heeft een boekenonderzoek uitgevoerd bij SCW over de periode 2013 tot en met 2017. Op basis van het controlerapport van 9 december 2019 zijn aan SCW een boete en naheffingsaanslagen opgelegd.
Lotas heeft SCW in maart en mei 2018 facturen gestuurd ad € 60.484,27 en
€ 13.385,02. [appellant] heeft de schuld van SCW aan Lotas overgenomen waarna Lotas SCW kwijting heeft verleend.
In juli 2018 hebben partijen hun contractuele relatie verbroken.
Lotas heeft [appellant] op 2 april 2019 een tiental facturen ad totaal € 93.399,90 gestuurd die onbetaald zijn gebleven.
[appellant] heeft Lotas vervolgens aansprakelijk gesteld op grond van wanprestatie.
Op 15 september 2020 heeft [appellant] een klacht ingediend tegen [geïntimeerde] bij de Accountantskamer. De Accountantskamer heeft op 16 juli 2021 uitspraak gedaan. De klacht is deels gegrond verklaard en aan [geïntimeerde] is een waarschuwing opgelegd omdat hij [appellant] langdurig niet duidelijk op de hoogte heeft gehouden van de door hem verrichte werkzaamheden en de bedragen die hij hiervoor in rekening wilde gaan brengen.
[appellant] is niet aan te merken als een consument
Een consument is volgens artikel 2, onder b, Richtlijn 93/13 iedere natuurlijke persoon die bij onder de richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. In het tussenarrest is de vraag opgeworpen of [appellant] is aan te merken als een consument. Overwogen is dat het er dan om gaat of het handelsoogmerk van de door [appellant] met Lotas gesloten overeenkomst(en) zo beperkt is dat het binnen de globale context van de overeenkomst(en) niet overheerst. Het Europees Hof van Justitie heeft in het arrest van 8 juni 2023 overwogen dat een kwantitatieve benadering een relevant criterium is, maar dat andere, niet kwantitatieve, criteria ook relevant kunnen zijn. Partijen hebben zich hier na het tussenarrest bij akte over uitgelaten en het onderwerp is besproken ter zitting.
Het hof is van oordeel dat in de rechtsverhouding tussen [appellant] en Lotas het handelsoogmerk overheerst en [appellant] daarom niet als consument aan te merken is. Daarvoor is het volgende redengevend.
Vanaf 2004 is Lotas werkzaamheden gaan verrichten voor de bedrijven van [appellant] . Op die contractuele relatie zijn de algemene voorwaarden van Lotas van toepassing. Gedurende de jaren daarna zijn bedrijven van [appellant] gefailleerd (PCT B.V. en Denpa B.V.) en is een nieuw bedrijf opgericht (SCW). Uit het dossier blijkt dat [geïntimeerde] en [appellant] veelvuldig contact hadden en [geïntimeerde] regelmatig door [appellant] werd gevraagd iets uit te zoeken, iemand te bellen, een vergadering bij te wonen, een brief te beantwoorden, etc. Lotas betoogt op grond daarvan dat er één (raam)overeenkomst is, gesloten in 2004, waar alle werkzaamheden onder vallen. [appellant] betoogt dat met elk verzoek een nieuwe opdracht is gegeven die als afzonderlijke overeenkomst is aan te merken.
Partijen hebben zich niet continue bekreund over wie contractspartijen waren bij de overeenkomst(en). De rechtbank heeft in haar vonnis van 19 juli 2023 op basis van bewijsmiddelen van Lotas geoordeeld dat Lotas is geslaagd in de bewijsopdracht dat zij een doorlopende opdracht van [appellant] had om voorkomende werkzaamheden te verrichten en dat zij (daarnaast) specifieke opdrachten kreeg. Weliswaar heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de rechtbank, maar het lag op de weg van [appellant] om in dit verband voldoende concrete feiten en omstandigheden aan te voeren en te concretiseren waarom die een andersluidend oordeel rechtvaardigen. Dat heeft [appellant] in onvoldoende mate gedaan. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank hierover en neemt dat als uitgangspunt en laat, gelet op het voorgaande, in het midden hoeveel afzonderlijke overeenkomsten te identificeren zijn en wie contractspartijen zijn bij de overeenkomst(en).
In het verlengde hiervan ligt dat partijen zich destijds ook niet bekreund lijken te hebben over wie schuldenaar was ten opzichte van Lotas. Uit het dossier blijkt dat [appellant] meermalen vanuit zijn privévermogen betalingen heeft verricht op facturen die aan zijn vennootschappen waren gericht. Op 9 juni 2020 heeft [appellant] ook de schulden van SCW aan Lotas overgenomen en heeft Lotas SCW kwijting verleend. Niet betwist wordt dat [appellant] thans de enige schuldenaar is ten opzichte van Lotas. Echter, daarmee betreffen de werkzaamheden niet per sé werkzaamheden voor een consument. Bepalend voor de toepasselijkheid van de Richtlijn is dat het 1) een natuurlijk persoon betreft die 2) handelt voor doeleinden die zijn gelegen buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit. Het is immers heel goed mogelijk dat een privé persoon bedrijfs- of beroepsactiviteiten verricht zonder daarvoor het vehikel van een rechtspersoon te gebruiken. Bij de beoordeling of [appellant] een consument is, moet rekening gehouden worden met alle omstandigheden van de zaak, met name met de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft, waaruit kan blijken met welk doel dat goed is gekocht of die dienst is ontvangen.
In eerste aanleg heeft Lotas een uitsplitsing gemaakt van haar werkzaamheden voor [appellant] in diverse categorieën. Het betreft achtereenvolgens:
Het opstellen van de IB-aangiften van [appellant] en de Vpb-aangiften van SCW
Het voeren van de rechtszaak van KA-EL B.V. tegen Caterpillar Financial Services Netherlands B.V.
Het voeren van overleg over een regeling met betrekking tot het Nino-terrein in [plaats2]
Het voeren van overleg over private en zakelijke financieringen van [appellant]
Het voeren van overleg over verkoop en verhuur van onroerend goed van [appellant]
De afwikkeling van de faillissementen van PCT B.V. en Denpa B.V.
De afwikkeling van Mehrwertsteuer-aangiften 2013/2014 bij het Finanzambt in Duitsland
Het herstellen van de administratie van SCW en het doen van onderzoek naar eventuele fraude door de controller.
De vraag is of bij deze werkzaamheden een handelsoogmerk overheerst. Dit is dus niet op één lijn te stellen met de vraag voor wiens rekening de werkzaamheden zijn verricht of voor wie - voor [appellant] of voor diens vennootschappen - de werkzaamheden zijn verricht, zoals [appellant] lijkt te betogen.
Bij de categorieën b), f), g) en h) ligt voor de hand dat het handelsoogmerk overheerst. Bij b) en h) betreft het werkzaamheden voor een vennootschap, bij f) werkzaamheden ten behoeve van [appellant] in hoedanigheid van bestuurder van gefailleerde vennootschappen en bij g) werkzaamheden ten behoeve van zakelijke belastingen.
Ook bij categorieën c), d) en e) overheerst het handelsoogmerk. [appellant] was (indirect) eigenaar van een vastgoedportefeuille van enige omvang. Het betrof naast het Nino-terrein in [plaats2] meerdere bedrijfspanden in Enschede. Het Nino-terrein was voor 30% privé eigendom en voor 70% eigendom van een vennootschap van [appellant] ; de panden in Enschede waren alle volledig privé eigendom. In een vroegere periode verhuurde [appellant] de panden aan zijn eigen vennootschappen; nadien zijn de panden verhuurd aan derden. Dit is onbetwist tegen zakelijke tarieven gegaan. Zowel de bedrijfspanden als het Nino-terrein zijn ook niet voor privé doeleinden, zoals bewoning of recreatie, aangekocht. De aard van het vastgoed, de omvang van de vastgoedportefeuille, de doeleinden van de aankoop en het feit dat de panden tegen zakelijke tarieven werden verhuurd maken dat het handelsoogmerk overheerst. Hoe het vastgoed en de opbrengsten daaruit fiscaal zijn behandeld of belast, is voor de vaststelling van de aard van de overeenkomst voor de onderhavige doelstellingen niet relevant, althans niet doorslaggevend.
Hetzelfde geldt voor de financieringen. In het arrest van 8 juni 2023 heeft het Hof van Justitie overwogen dat bij kredietovereenkomsten rekening gehouden moet worden met alle relevante omstandigheden van de overeenkomst, zowel kwantitatief als kwalitatief, zoals met name de wijze waarop het geleende kapitaal wordt opgesplitst tussen een beroepsmatige en een niet-beroepsmatige activiteit en, in geval van meerdere kredietnemers, de omstandigheid dat slechts één van hen met de betrokken overeenkomst een handelsoogmerk nastreeft of het feit dat de kredietgever de toekenning van het krediet, dat bestemd is voor gebruik als consument, ervan afhankelijk heeft gesteld dat het geleende bedrag gedeeltelijk bestemd wordt om bedrijfsschulden terug te betalen. Alhoewel over de omvang van het private deel van de financiering en het zakelijk deel van de financiering niets is gezegd, is wel duidelijk geworden dat deze categorie werkzaamheden mede betrekking heeft op bedrijfsfinancieringen die waren gezekerd door borgstellingen van [appellant] in privé. Van de bedrijven voor wiens financieringen hij borg stond, was [appellant] enig bestuurder en aandeelhouder. De aard van de borgstellingen maakt dat deze als zakelijk dienen te worden aangemerkt. Ook betrof het hypotheken ten behoeve van het zakelijk vastgoed.
Wat betreft de IB aangiften ten slotte, categorie a), waren de belangen van [appellant] als privépersoon zo verweven met zijn zakelijke belangen, als de directeur groot aandeelhouder van SCW, andere vennootschappen én als eigenaar van een vastgoedportefeuille van enige materiële omvang, dat niet gezegd kan worden dat de werkzaamheden die Lotas hiervoor heeft verricht niets te maken hebben met de uitoefening van een beroep of bedrijf door [appellant]. Zo dienden de huuropbrengsten, aankopen/verkopen, kosten, WOZ-waarden en financieringen ten behoeve van dit vastgoed in kaart te worden gebracht en verwerkt te worden in de aangifte.
Gelet op het voorgaande is de conclusie dat het handelsoogmerk, zowel van de afzonderlijke categorieën als het geheel, niet zo beperkt is dat het binnen de globale context van de overeenkomst(en) niet overheerst. Daarom kan [appellant] niet worden aangemerkt als consument in zijn contractuele relatie met Lotas en komt hem geen bescherming toe op grond van de Richtlijn. Dit betekent dat zijn vorderingen als verwoord in de eisvermeerdering onder c) tot en met h) worden afgewezen, nu deze alle zijn gestoeld op de stelling dat [appellant] is aan te merken als een consument. Het hof komt nu toe aan de bespreking van de grieven.
De bewijsopdracht is terecht aan [appellant] gegeven
De rechtbank heeft [appellant] in het tussenvonnis van 9 juni 2021 in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat hij Lotas in hoedanigheid van accountant opdrachten heeft gegeven en dat Lotas opdracht heeft gekregen tot het verrichten van de in 3.2.2. van dat tussenvonnis genoemde werkzaamheden.
De stelling dat de werkzaamheden genoemd in 3.2.2. tot de opdracht behoorden, is ingenomen door [appellant] ten behoeve van zijn vordering op grond van wanprestatie. Dit betekent dat [appellant] zich beroept op de rechtsgevolgen van dit door hem gestelde feit en dat hij ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast van die feiten draagt. Nu Lotas heeft betwist dat zij opdracht heeft gekregen tot het verrichten van de werkzaamheden genoemd in 3.2.2., heeft de rechtbank [appellant] hier terecht bewijs van opgedragen. Hetzelfde geldt voor de stelling van [appellant] dat Lotas in hoedanigheid van accountant de werkzaamheden heeft verricht. Ook dit gestelde feit is door [appellant] ten grondslag gelegd aan zijn vordering op grond van wanprestatie en is door Lotas betwist. De rechtbank heeft daarom terecht de bewijslast bij [appellant] gelegd. [appellant] heeft in het verlengde hiervan geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat hij niet heeft bewezen dat Lotas opdracht had om aangiften in Duitsland te verzorgen, de jaarrekeningen van SCW op te stellen en al vóór 2017 de opdracht had om de administratie van SCW te controleren. Hij motiveert echter niet wat er niet juist zou zijn aan de bewijswaardering. Het hof onderschrijft de bewijswaardering van de rechtbank en is van oordeel dat [appellant] niet in de bewijslevering is geslaagd.
[appellant] merkt nog op dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het aan [appellant] zou zijn om te bewijzen dat de door Lotas gedeclareerde uren niet zouden zijn gemaakt of dat hier geen opdracht voor gegeven zou zijn. Dit berust echter op een verkeerde lezing van het tussenvonnis, waarin juist aan Lotas de bewijsopdracht is gegeven om te bewijzen dat zij opdracht heeft gekregen tot de door haar verrichte werkzaamheden, althans dat de gedeclareerde werkzaamheden passen binnen de gegeven opdrachten.
Het beroep op verrekening van [appellant] is terecht verworpen
Tussen partijen staat vast dat [appellant] zijn auto en zijn woning heeft verkocht ter delging van de vorderingen van Lotas op hem / zijn vennootschappen. Ter zitting is dit wat betreft de woning door [appellant] beaamd. De auto is aan [geïntimeerde] verkocht, de woning aan de beheersmaatschappij van Lotas. De koopsom van de woning is omgezet in een geldlening. [appellant] heeft gesteld dat er nog een tegoed over is, dan wel dat de lening nog openstaat. Lotas heeft dit opgevat als een verrekeningsverweer. Op vragen van het hof heeft de advocaat van [appellant] volledigheidshalve bevestigd dat dit in de kern een beroep op verrekening betreft.
Lotas heeft in eerste aanleg uiteengezet dat zij de overeengekomen waarde van de auto en de overeengekomen waarde van de woning heeft verrekend met de openstaande facturen en heeft dit voor de auto onderbouwd met een factuur waarop de creditering zichtbaar is, in die zin dat het urenoverzicht sluit op 424,5 uur met een waarde van
€ 50.917,25 en slechts € 20.000 is gefactureerd. De verrekening van de waarde van de woning heeft Lotas verduidelijkt met e-mails aan de passerend notaris en [appellant] in cc waarin staat - en waarvan een ontvangst- en leesbevestiging is overgelegd - tot welk bedrag wordt verrekend en welke facturen het betreft. Lotas heeft onderbouwd dat er ten tijde van de overdracht van de woning € 182.740 ex btw aan facturen onbetaald was terwijl de woning verkocht is voor € 160.000 en dat die bedragen met elkaar verrekend zijn na cessie van de vordering van Lotas aan de beheersmaatschappij.
Het betoog van [appellant] komt erop neer dat de schuld aan Lotas voor grotere bedragen dan die genoemd in overweging 3.28. voldaan is door middel van verrekening. De bewijslast van zijn stelling dat er meer voldaan is door verrekening rust op [appellant] omdat hij zich op het rechtsgevolg, het tenietgaan van de vordering van Lotas, beroept. Dit heeft de rechtbank dus niet miskend, zoals [appellant] aanvoert. In het licht van de gemotiveerde betwisting door Lotas, heeft [appellant] zijn stellingen echter onvoldoende onderbouwd om tot bewijs te worden toegelaten. Bovendien wordt de lezing van Lotas bevestigd door het feit dat [appellant] sinds 2014 geen aanspraak heeft gemaakt op rentebetalingen of terugbetaling van de volgens hem nog openstaande lening. Ook heeft [appellant] uitingen gedaan waaruit kan worden afgeleid dat hij ermee instemde dat de woning verkocht werd ter delging van openstaande vorderingen. Hij heeft daarbij niet aangegeven dat het alleen ter delging van privéschulden was. Gelet op hoe partijen gewend waren zaken te doen waarbij, zoals hiervoor reeds overwogen, ze zich niet bekreunden over wie als contractspartij gold en op wie de betalingsverplichting rustte, mocht Lotas er gerechtvaardigd op vertrouwen dat het was ter delging van zowel de privéschulden als de vennootschapsschulden. Dat is ook in overeenstemming met wat is vermeld in de mail van [geïntimeerde] aan de notaris -met [appellant] in CC- van 24 januari 2014. Daarin staat dat de overdracht van de woning “gaat tegen finale kwijting van alle openstaande nota’s en verrekeningen van Lotas B.V.”, terwijl in de mail wordt verwezen naar een bijgaand “overzicht van openstaande nota’s op de verschillende vennootschappen van de heer [appellant].” Een paar weken daarvoor, op 7 januari 2014, had Lotas aan [appellant] een overzicht van de openstaande posten van de verschillende vennootschappen per 14 november 2011 gemaild en aangestuurd op het bespreken van een oplossing voor de betaling daarvan.
Ook de door Lotas als productie 23 overgelegde mail van de notaris aan [appellant] van 5 februari 2014 onderschrijft dat met de overdracht zowel privéschulden als schulden van de vennootschappen zijn voldaan. [appellant] heeft niet aangevoerd dat hij in reactie daarop Lotas of de notaris heeft laten weten dat dat niet zijn bedoeling was. [appellant] heeft aldus de afspraak met Lotas onvoldoende gemotiveerd betwist. Dat [appellant] destijds niet gehouden was een dergelijke afspraak over de betaling van de schulden van zijn vennootschappen te maken en voor die schulden niet persoonlijk aansprakelijk was, doet aan de geldigheid van de afspraak die hij daarover met Lotas heeft gemaakt niet af, zodat de hiertegen gerichte grief doel mist.
De rechtbank heeft ten onrechte het beroep op verjaring niet beoordeeld
[appellant] heeft in eerste aanleg een beroep gedaan op verjaring van de vordering van Lotas. Dit verweer is door de rechtbank niet beoordeeld en in zoverre slaagt de grief. Het hof zal het beroep op verjaring alsnog beoordelen.
[appellant] stelt dat de facturen uit april 2019 betrekking hebben op werkzaamheden vanaf 2014. Hij stelt dat het recht om nog betaling van het onderhanden werk te vorderen vervalt na verloop van 5 jaar. Dit betekent dat de uren die zien op de periode tot en met 1 april 2014 zijn verjaard, aldus [appellant] . Dit betreft € 5.823,13 inclusief btw. Lotas heeft de verjaring van de vordering betwist.
Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart op grond van artikel 3:307 lid 1 BW door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden. Het aanvangsmoment van deze verjaringstermijn is dus de dag volgend op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Het verweer van Lotas komt erop neer dat hij juist niet tot opeising is overgegaan, omdat tussen partijen was overeengekomen dat het onderhanden werk pas later zou worden gefactureerd. Het lag op de weg van [appellant] om feiten en omstandigheden aan te voeren op basis waarvan de vordering van Lotas desondanks al vóór facturering opeisbaar is geworden. Bij gebreke daarvan kan niet worden aangenomen dat de verjaringstermijn al voor facturering was gestart. Hieruit volgt dat de vorderingen niet zijn verjaard, omdat sinds de facturatie in april 2019 nog geen vijf jaar zijn verstreken op het moment van dagvaarden in oktober 2019. Het slagen van de grief blijft dus zonder gevolg.
Lotas heeft geen werk verricht en gefactureerd zonder opdracht
Tussen partijen staat vast dat er een contractuele relatie bestond op grond waarvan Lotas sinds 2004 werkzaamheden heeft verricht voor [appellant] en zijn vennootschappen. Deze contractuele relatie is medio 2018 beëindigd. Gelet op de hoogte van de facturen die wel betaald zijn door [appellant] en zijn vennootschappen, maar ook gelet op de intensiteit van de correspondentie tussen partijen, waren de werkzaamheden niet gering. In eerste aanleg heeft [appellant] betwist dat Lotas opdracht had voor alle door hem gefactureerde werkzaamheden. Als logisch gevolg van deze betwisting heeft de rechtbank Lotas in de gelegenheid gesteld feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat zij van [appellant] opdracht heeft gekregen tot het verrichten van de door haar gedeclareerde werkzaamheden, althans dat de gedeclareerde werkzaamheden passen binnen de gegeven opdrachten.
De rechtbank heeft in het vonnis van 19 juli 2023 op basis van bewijsmiddelen van Lotas geoordeeld dat Lotas is geslaagd in het leveren van het bewijs van haar stelling dat zij van [appellant] opdracht heeft gekregen tot het verrichten van de door haar gedeclareerde werkzaamheden, althans dat de gedeclareerde werkzaamheden passen binnen de gegeven opdrachten. [appellant] heeft in hoger beroep nauwelijks concrete bezwaren geuit tegen deze uitvoerige overwegingen van de rechtbank. Op twee punten zijn zijn bezwaren concreter, daar zal het hof op in gaan.
Het eerste punt betreft de betwisting door [appellant] van een opdracht tot het uitzoeken van Europese regelgeving. Lotas heeft zeven uur en drie kwartier in rekening gebracht voor een studie naar het Europees recht. Dit is verwerkt in de facturatie van € 26.875 ex btw. [appellant] heeft in zijn getuigenverklaring wel verklaard over Europees recht gesproken te hebben met [geïntimeerde] in relatie tot de grond in [plaats2] en een mogelijke gang naar het Europees hof, maar dat hij Lotas geen opdracht heeft gegeven. [geïntimeerde] heeft beaamd dat er gesproken is over een gang naar het Europees hof in verband met de het Nino-terrein. Hij stelt dat er wel een opdracht is gegeven om één en ander uit te zoeken en dat dit is gebruikt voor de brief aan de gemeente van 30 november 2015.
Tussen partijen is niet in geschil dat Lotas werkzaamheden heeft verricht in opdracht van [appellant] betreffende het Nino-terrein in [plaats2] . Het doel was om gemeente [plaats2] terug te laten komen op het besluit om het terrein aan te merken als Sanierungsgebiet. [appellant] heeft als getuige verklaard dat het een slepende zaak betrof die van 1998 tot in 2020 heeft gelopen. [appellant] betwist ook niet dat Lotas met de gemeente [plaats2] heeft onderhandeld en heeft gecorrespondeerd en dat de correspondentie ook betrekking heeft op Europese regelgeving. Naar het oordeel van het hof heeft Lotas voldoende feiten en omstandigheden bewezen waaruit blijkt dat de studie naar Europees recht valt onder de algemene opdracht tot werkzaamheden ten behoeve van het Nino-terrein in [plaats2] .
Het tweede concrete punt betreft de uren die Lotas in 2017 en 2018 heeft geschreven en vervolgens heeft gedeclareerd, die zien op de jaarrekening 2015. Volgens [appellant] kunnen die uren niet kloppen omdat die jaarrekening toen al was gepubliceerd en nadien niet gewijzigd is. Lotas heeft uiteengezet dat het niet ging om het opstellen van de jaarrekening over 2015, maar om herstelwerkzaamheden vanwege het disfunctioneren van de controller van SCW.
[appellant] heeft in zijn conclusie van dupliek in reconventie meerdere voorbeelden opgesomd waaruit volgens hem zou blijken dat Lotas in 2017 en 2018 uren heeft gedeclareerd die zien op de jaarrekening 2015. Echter, de omschrijving bij de geschreven uren sluit aan bij het betoog van Lotas. Die bevatten niet de omschrijving “Jaarrekening 2015” of iets dat daarop lijkt, maar termen als “opschonen debiteuren 2015”, “controle correctieboekingen 2015” en “deb cred lijsten 2015, 2016, 2017 tbv beginbalans”. [appellant] heeft niet betwist dat de controller de administratie van SCW niet netjes heeft achtergelaten en heeft ter zitting ook erkend dat de administratie van SCW over meerdere jaren tijdens de periode dat de controller daar werkzaam was is verdwenen. Ook heeft hij niet betwist dat Lotas vanaf september 2017 de opdracht had om de administratie van SCW te herstellen. Gelet op het voorgaande doet wat [appellant] heeft aangevoerd in onvoldoende mate af aan het bewijs dat de door Lotas gedeclareerde werkzaamheden passen binnen de gegeven opdrachten. [appellant] heeft in hoger beroep in algemene bewoordingen bewijs aangeboden van zijn stellingen. Het hof gaat aan dat bewijsaanbod voorbij, nu dat aanbod te vaag is. In eerste aanleg zijn immers in het kader van door [appellant] te leveren tegenbewijs al getuigen gehoord. In een dergelijke situatie mag van [appellant] worden verwacht dat hij zijn aanbod tot aanvullend (tegen)bewijs nader toelicht.
Tot slot heeft [appellant] gegriefd tegen de overweging van de rechtbank dat [appellant] niet zou hebben betwist dat hij voor alle geschreven uren opdracht had gegeven. Het is inderdaad zo dat [appellant] dat wel betwist heeft. De rechtbank heeft als gevolg van die betwisting ook een bewijsopdracht gegeven. Voor zover er concreet gegriefd is tegen de oordelen van de rechtbank die steunen op de bewijslevering, heeft het hof dat hiervoor beoordeeld.
Tussenconclusie
Hiervoor heeft het hof de grieven gericht tegen het oordeel in conventie besproken. Alhoewel de grief over het niet behandelen van het verjaringsverweer slaagt, leidt dit niet tot een andere uitkomst van de procedure in conventie. Het hof zal het vonnis van de rechtbank van 19 juli 2023 voor zover gewezen in conventie bekrachtigen. Het hof komt nu toe aan bespreking van de grieven tegen het oordeel in reconventie.
Lotas heeft geen fouten gemaakt bij de uitvoering van de werkzaamheden
Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat niet is vast komen te staan dat Lotas fouten heeft gemaakt in de uitvoering van de werkzaamheden. [appellant] meent dat hij alsnog tot bewijs van de tekortkomingen dient te worden toegelaten.
De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] onvoldoende onderbouwd heeft dat het fouten van Lotas betreft. Op basis van dit oordeel had het [appellant] duidelijk moeten zijn dat op hem de stelplicht en de bewijslast rusten, echter heeft hij in hoger beroep geen nieuwe feiten of gronden aangevoerd en geen concreet bewijsaanbod gedaan. Hij heeft volstaan met een enkele verwijzing naar het rapport van de belastingdienst en de naheffingsaanslagen, maar kon desgevraagd niet verduidelijken hoe kan worden bepaald welke fouten toegeschreven moeten worden aan Lotas, zeker gelet op het vaststaande disfunctioneren van de controller. Deze nadere toelichting had wel van [appellant] verwacht mogen worden, zeker nu hij Lotas in deze procedure verwijten heeft gemaakt die hij ook aan de controller heeft gemaakt in diens ontslagprocedure. Ook heeft [appellant] nagelaten inhoudelijk te reageren op de uitgebreid gemotiveerde en onderbouwde verweren die Lotas op dit punt heeft aangedragen in eerste aanleg, en dan met name in de conclusie van dupliek in reconventie.
Lotas heeft laattijdig gefactureerd
[appellant] betoogt dat op Lotas de plicht rustte om regelmatig opgaaf te doen van de verrichte werkzaamheden en verschuldigde bedragen. Hij stelt dat Lotas haar zorgplicht op dit punt heeft geschonden door geen urenoverzichten te verstrekken en laattijdig te factureren en dat hij daardoor schade heeft geleden. Hij beroept zich daarbij op het leerstuk van de kansschade; hem is de mogelijkheid ontnomen om de facturen met bijbehorende urenoverzichten te controleren. Ter onderbouwing doet hij een beroep op de uitspraak van de Accountantskamer.
Lotas heeft betwist haar zorgplicht te hebben geschonden. Zij voert aan dat [appellant] wilde dat de facturatie werd uitgesteld en dat [appellant] nooit om urenoverzichten heeft gevraagd. Ook betwist Lotas dat [appellant] schade heeft geleden.
De Accountantskamer heeft de klacht van [appellant] jegens Lotas op dit punt gegrond verklaard en daartoe overwogen:
“Betrokkene heeft gesteld dat hij facturatie van werkzaamheden over 2014 tot 2018 op verzoek van en in overleg met klager heeft uitgesteld. Klager had geen geld maar wenste volgens betrokkene wel door hem te worden bijgestaan. Naar het oordeel van de Accountantskamer bracht die omstandigheid en een zorgvuldige dienstverlening met zich mee dat betrokkene er geen misverstand over had mogen laten bestaan welke diverse taken en adviezen hij (in de loop van de tijd) tot zijn opdracht rekende en welke bedragen hij daarvoor in rekening bracht. Betrokkene heeft ter zitting gesteld dat hij klager in de loop van de tijd hierover voldoende heeft geïnformeerd, maar hij heeft dit niet voldoende onderbouwd. Door niet op enigerlei wijze periodiek schriftelijke informatie over (de toename van) de verrichte werkzaamheden met een opgave van kosten te verschaffen, heeft betrokkene in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Het door de jaren heen laten oplopen van de door SCW en [appellant] verschuldigde bedragen bergde bovendien een bedreiging in zich voor het door betrokkene in aanmerking te nemen fundamentele beginsel van objectiviteit. (…) De stelling van betrokkene dat hij de facturering op verzoek van klager had uitgesteld omdat klager (in die periode) geen geld had sauveert hem niet, reeds omdat facturering en het verlenen van uitstel van betaling helemaal niet met elkaar onverenigbaar zijn”;
en:
“De Accountantskamer kan niet vaststellen dat de door betrokkene in rekening gebrachte uren disproportioneel zijn. Hierbij verdient evenwel aantekening dat de omstandigheid dat betrokkene deze werkzaamheden (deels) pas meer dan een jaar nadat ze waren verricht aan klager heeft gedeclareerd en gespecificeerd, klager allicht ook zal hebben bemoeilijkt in het beoordelen van deze uren en het eventueel tussentijds evalueren ervan met betrokkene.”
Het hof is ook van oordeel dat Lotas op dit punt is tekortgeschoten. Los van wat partijen oorspronkelijk zijn overeengekomen over het verstrekken van urenstaten en de facturatie, en los van de wijzigingen en wensen daaromtrent op latere momenten, heeft Lotas in strijd gehandeld met de voor haar geldende beroepsregels en zodoende haar zorgplicht jegens [appellant] geschonden. Ter zitting heeft Lotas aangevoerd dat zij [appellant] wel met regelmaat mondeling op de hoogte heeft gehouden van de omvang van de verrichte werkzaamheden. Dit is echter niet voldoende, omdat dit [appellant] niet in de gelegenheid heeft gesteld de geschreven uren te controleren op juistheid.
Devolutieve werking
[appellant] heeft in zijn eis in reconventie in de rechtbankprocedure verschillende feitelijke grondslagen voor zijn schadevergoedingsvordering genoemd, waaronder de hiervoor beoordeelde grondslag van het niet tijdig factureren, zoals ook Lotas die vordering heeft begrepen blijkens haar conclusie van antwoord in reconventie. Lotas heeft in haar antwoord in reconventie niet alleen de gestelde tekortkomingen bestreden, maar heeft zich daarnaast -onder meer- beroepen op de vervaltermijn zoals die is opgenomen in haar algemene voorwaarden. Ingevolge de devolutieve werking komt het hof alsnog aan de bespreking van dit verweer toe.
Vervaltermijn
Lotas doet een beroep op de vervaltermijn uit artikel 14 van de algemene voorwaarden. Hierin is bepaald dat vorderingsrechten van opdrachtgever uit welken hoofde dan ook jegens opdrachtnemer in verband met het verrichten van werkzaamheden door opdrachtnemer, binnen een jaar na het moment waarop opdrachtnemer bekend kon zijn met het bestaan van deze vorderingsrechten, komen te vervallen. Lotas voert aan dat [appellant] in juli 2018 bekend was met de vorderingen die hij in deze procedure instelt en dat daarom die vorderingen, voor zover die hem toekomen, in juli 2019 zijn vervallen. [appellant] heeft dit beroep op de vervaltermijn niet weersproken. [appellant] heeft daarmee onbestreden gelaten dat hij in juli 2018 bekend was met het ontijdig declareren door Lotas en het ontbreken van een mogelijkheid op werkzaamheden te sturen en die te controleren. Evenmin heeft [appellant] andere feiten en omstandigheden aangevoerd die het oordeel rechtvaardigen dat haar vordering op het moment van het instellen van haar eis in reconventie in februari 2020 (nog) niet vervallen was. Nu dit niet is weersproken moet worden aangenomen dat Lotas aldus een beroep op de overeengekomen vervaltermijn toekomt. Om die reden kan de vordering in reconventie niet alsnog worden toegewezen.
De conclusie
Het hoger beroep slaagt. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank in de rechtbank Overijssel van 4 maart 2020, 9 juni 2021 en 19 juli 2023;
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Lotas in hoger beroep:
€ 5.689 aan griffierecht
€ 8.930 aan salaris van de advocaat van Lotas (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief V);
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, P.J. van der Korst en M.B. Beekhoven van den Boezem, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.