GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 11 oktober 2024, betreffende
wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 november 2022 om 11.37 uur op de Rembrandtlaan in Zwolle op een fiets.
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De kantonrechter heeft geoordeeld dat uit de verklaring van de ambtenaar voldoende blijkt dat de betrokkene tijdens het fietsen een mobiele telefoon heeft vastgehouden. Echter, de telefoon is feitelijk vastgehouden als bedoeld in normaal spraakgebruik, maar niet in de zin van de verbodsbepalingen en de jurisprudentie. Nergens blijkt uit dat de ambtenaar zich bewust is van dit onderscheid. De ambtenaar heeft het vasthouden van de telefoon in een houder ten onrechte aangemerkt als de verboden wijze van vasthouden. Volgens de gemachtigde zat de mobiele telefoon in een houder en raakte de betrokkene het scherm aan. Ter verduidelijking verwijst de gemachtigde naar een foto van een dergelijke houder. Dat de betrokkene hier niet over heeft verklaard ten tijde van zijn staandehouding is volgens de gemachtigde begrijpelijk, omdat de betrokkene niet wist dat dit niet was toegestaan. Voorts stelt de gemachtigde dat - naar aanleiding van een door de advocaat-generaal overgelegd aanvullend proces-verbaal - de ambtenaar alleen kan stellen dat de betrokkene heeft gefietst ten tijde van de gedraging. Verklaren uit redenen van wetenschap kan hij niet. Ook het zaakoverzicht biedt geen basis voor fietsen tijdens de vermeende gedraging. Desgevraagd geeft de betrokkene aan dat hij daadwerkelijk niet heeft gefietst.
3. De verweten gedraging betreft een overtreding van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), en luidt als volgt:
“Het is degene die een voertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler.”
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat de bestuurder van de fiets een mobiele telefoon vasthield in zijn rechterhand. Het betrof een mobiele telefoon van het merk Apple. (…)
Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: ander nummer selecteren.”
6. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal een aanvullend proces-verbaal d.d. 26 mei 2025 overgelegd, waarin de ambtenaar het volgende verklaart:
“Op 1 mei 2025 om 15.49 uur kreeg ik het verzoek per e-mail naar aanleiding van een hoger beroep antwoord te geven op de volgende vraag: “Kunt u aangeven of de betrokkene aan het rijden/fietsen was, stilstond of zich op een andere manier voortbewoog ten tijde van de gedraging?” Aangezien (het hof begrijpt: hoewel) deze zaak enige tijd geleden is en ik deze niet meer zo goed kan herinneren, kan ik wel stellen dat de betrokkene gefietst heeft ten tijde van de gedraging. Ook is te lezen uit de verklaring van de betrokkene dat hij met zijn telefoon in zijn hand bezig was kennelijk een ander nummer op te zetten op zijn telefoon. Als de betrokkene niet had gefietst had ik ook de bekeuring niet uitgeschreven. Dit is wat ik hierover kan vertellen.”
7. Het dossier bevat onvoldoende informatie om te kunnen vaststellen dat de betrokkene een mobiele telefoon heeft vastgehouden tijdens het rijden. De in het zaakoverzicht opgenomen verklaring van de ambtenaar omvat niet de waarneming van de ambtenaar dat hij zag dat de betrokkene reed. In het aanvullend proces-verbaal wordt door de ambtenaar verklaard dat hij kan stellen dat hij de betrokkene heeft zien fietsen ten tijde van de gedraging, maar de reden waarom de ambtenaar dit kan stellen, in het bijzonder omdat hij dit gezien heeft, wordt niet vermeld. Ook de opmerking van de ambtenaar, dat hij geen bekeuring had uitgeschreven als de betrokkene niet gefietst had, kan niet worden beschouwd als waarneming van de ambtenaar dat de betrokkene fietste. Nu het dossier onvoldoende informatie bevat om te kunnen vaststellen dat de gedraging is verricht, kan de inleidende beschikking niet in stand blijven. Dit leidt tot de hierna vermelde beslissing. De overige bezwaren van de gemachtigde behoeven geen bespreking meer.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en een nadere toelichting dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,- en voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast). Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt en gelet op het arrest van het hof van
10 oktober 2025, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 947,06
( = ( 1 x € 647,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,5) + (1,5 x € 907,- x 0,5 x 0,25).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 947,06.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Reuver als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.