GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
F.R. Eggink,
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 12 maart 2025, betreffende
kantoorhoudende te Almelo,
beweerdelijk optredende namens [de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De kantonrechter heeft het beroep van F.R. Eggink (hierna: Eggink) tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
Eggink heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep van Eggink tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een deugdelijke machtiging.
2. Eggink voert aan dat de betrokkene het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter, gelet op de jurisprudentie van het hof en de op 28 januari 2025 via de e-mail overgelegde machtiging. De machtiging heeft de kantonrechter klaarblijkelijk niet bereikt. Eggink stelt dat een juiste en deugdelijke machtiging is toegestuurd, waardoor het beroep door de kantonrechter onterecht nietontvankelijk is verklaard.
3. De kantonrechter is, naar analogie van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), bevoegd van een gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt ten einde vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient daartoe werkelijk bevoegd is.
4. Indien de kantonrechter vaststelt dat een schriftelijke machtiging als hiervoor bedoeld ontbreekt dan wel niet toereikend is, kan het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb nietontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.
5. Bij de stukken in het dossier bevindt zich een brief van de griffier van de rechtbank van 27 januari 2025, waarin Eggink er op wordt gewezen dat uit de machtiging niet blijkt dat Eggink bevoegd is om namens de betrokkene beroep in te stellen. Eggink krijgt de gelegenheid om dit verzuim te herstellen door de machtiging waaruit zijn bevoegdheid blijkt te overleggen, bij gebreke waarvan het beroep nietontvankelijk kan worden verklaard.
6. Per e-mail van 28 januari 2025 heeft Eggink van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Hij heeft een factuur overgelegd waaruit blijkt dat de aan de procedure ten grondslag liggende sanctie is doorbelast aan [naam] . Verder bevat het dossier een machtiging van [naam] aan Eggink.
Er is echter geen machtiging overgelegd waaruit blijkt dat de betrokkene [naam] heeft gemachtigd om namens haar beroep in te stellen. Weliswaar heeft Eggink een machtigingsformulier overgelegd met daarop het briefhoofd van de betrokkene en ondertekend door [naam] , Team Berijdersdesk [de betrokkene] maar dit formulier bevat geen gegevens, waaruit blijkt dat [naam] namens de betrokkene mag optreden als gemachtigde.
7. Het hof constateert dat Eggink niet is gemachtigd door de betrokkene. Gelet daarop heeft Eggink geen toereikende machtiging overgelegd en kan hij niet als (onder)gemachtigde van de betrokkene worden beschouwd.
8. Aldus heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen. Er is geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.