ECLI:NL:GHARL:2025:8614

ECLI:NL:GHARL:2025:8614, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-12-2025, 200.285.778/03

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 23-12-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.285.778/03
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Procedure mag worden hervat na doorhaling. Vraag of rekeningen zijn betaald.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.285.778/03

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 8023662

arrest van 23 december 2025

in de zaak van

1. [appellant1]

2. [appellant2]

die beiden wonen in [woonplaats1]

samen [appellanten]

advocaat: mr. A.J. Welvering

en

Kids First Kindercentra Nederland B.V.

die is gevestigd in [woonplaats2]

advocaat: mr. S.K. Tuithof

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

Na het tussenarrest van 26 augustus 2025 hebben [appellanten] een akte genomen waarop [geïntimeerde] bij antwoordakte heeft gereageerd.

Hierna heeft [geïntimeerde] de aanvullende stukken overgelegd voor arrest.

2. De procedure wordt hervat en hof doet meteen uitspraak

[appellanten] zijn in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de kantonrechter van 21 april 2020 waarin zij zijn veroordeeld tot betaling van achterstallige kosten van kinderopvang. In 2021 vond een comparitie na aanbrengen plaats, waarna een memorie van grieven en, na de eerste doorhaling en het opnieuw aanbrengen van de procedure, een memorie van antwoord is genomen. Nadat de zaak op verzoek van partijen (voor de tweede maal) eind 2021 was doorgehaald, heeft [geïntimeerde] in 2025 verzocht de zaak weer op de rol te plaatsen. De zaak is heropend met het doel dat partijen zich kunnen uitlaten over concrete vragen van de rolraadsheer over de afspraken die voor partijen de reden voor doorhaling waren, omdat die afspraken van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of de zaak weer op de rol kan worden geplaatst. Mr. Tuithof heeft zich daarover uitgelaten in zijn brief van 18 april 2025 aan het hof en mr. Welvering in de akte na het tussenarrest van 26 augustus 2025.

Volgens mr. Tuithof is de zaak doorgehaald nadat mr. Welvering op 15 december 2021 had aangegeven bericht van een deskundige te willen afwachten en dat de zaak indien nodig weer op de rol geplaatst kon worden. De deskundige heeft echter ondanks diverse verzoeken van mr. Tuithof niet meer gereageerd. Niet is gebleken dat de verlangde werkzaamheden zijn uitgevoerd. Daarom wenst zijn cliënte [geïntimeerde] nu arrest op de stukken.

Mr. Welvering schrijft dat, voor zover zijn cliënten kunnen nagaan, de bedoeling eind 2021 was dat er alsnog een bindend advies zou worden verkregen en dat de zaak alleen weer op de rol geplaatst zou worden als er daarna nog een geschil zou zijn. Nu er geen bindend advies is en het erop lijkt dat de aangezochte deskundige het werk niet heeft gedaan, is volgens [appellanten] niet voldaan aan de vereiste voorwaarde voor het plaatsen van de zaak op de rol.

Het hof neemt geen genoegen met het standpunt van [appellanten] waarin niet wordt aangegeven wat zij hebben ondernomen om de - kennelijk wel aangezochte - deskundige te bewegen tot het geven van het verlangde advies. Er is gezien de antwoorden van partijen op de vragen van de rolraadsheer nog steeds sprake van een geschil. Het is niet aanvaardbaar dat [appellanten] achterover leunen en hun eventuele betalingsverplichting tot Sintjuttemis daarmee mogen opschorten. De procedure wordt daarom hervat.

Omdat geen van partijen nog een proceshandeling hoeft te verrichten en [geïntimeerde] de aanvullende stukken heeft overgelegd voor arrest, zal het hof hierna inhoudelijk uitspraak doen.

3. De kern van de zaak en de vaststaande feiten

[geïntimeerde] heeft in opdracht van [appellanten] hun minderjarige kinderen opgevangen in de periode van juli 2017 tot en met november 2018. [appellanten] hebben [geïntimeerde] een doorlopende machtiging gegeven voor automatische incasso vanaf de Raborekening op naam van [appellant2] , welk rekeningnummer eindigt op [nummer1] .

Op 6 december 2018 heeft [geïntimeerde] de ouders schriftelijk aangemaand de achterstallige bijdrage voor vier onbetaald gelaten facturen en nog een grotendeels onbetaald gebleven factuur (tot een totaalbedrag van € 8.737,23) te betalen binnen 15 dagen en buitengerechtelijke incassokosten aangezegd als niet binnen die termijn is betaald.

Het bleek dat [appellanten] binnen de reguliere betaaltermijn (op 22 oktober 2018) nog € 300,- hadden betaald op een openstaande factuur (met nummer [nummer2] ). In de loop van de procedure bij de kantonrechter heeft [geïntimeerde] haar vordering verminderd tot € 8.137,23 in hoofdsom, te vermeerderen met € 242,50 opeisbaar geworden rente en € 964,20 aan buitengerechtelijke kosten.

[appellanten] hebben als verweer aangevoerd dat zij zelfs meer hebben betaald dan [geïntimeerde] vordert en enkele bankafschriften overgelegd, ook van een Raborekeningnummer dat eindigt op [nummer3] . De kantonrechter heeft dat verweer verworpen omdat [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist dat zij méér betalingen heeft ontvangen dan zij in haar opgave heeft vermeld of in de processtukken heeft erkend. Diverse keren hebben [appellanten] betalingen laten storneren omdat zij het met incasso oneens waren. [appellanten] hebben ook na contact met hun betalingsverwerker niet onderbouwd dat zij meer hebben betaald dan [geïntimeerde] zegt te hebben ontvangen. De vordering van [geïntimeerde] is toegewezen.

De bedoeling van het hoger beroep van [appellanten] is dat de vordering van [geïntimeerde] alsnog wordt afgewezen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten van de kantonprocedure en van het hoger beroep.

Het hof zal beslissen dat het bezwaar (‘de grief’) van [appellanten] grotendeels moet worden verworpen, omdat alleen nog met een extra betaling van € 300,- rekening gehouden moet worden. Die beslissing legt het hof hierna uit.

4. De toelichting op de beslissing van het hof

Dat [geïntimeerde] diensten heeft verricht voor [appellanten] en dat [appellanten] daarvoor moet betalen staat in deze procedure niet ter discussie. Het geschil betreft de vraag of betaald is. De bewijslast van betaling rust op degene die zich erop beroept dat de vordering van een schuldeiser moet worden afgewezen omdat al betaald is, dus op [appellanten] .

Het hof stelt vast dat overgelegde bewijsstukken omtrent de betalingen niet uitmunten in inzichtelijkheid. Er is vanaf meerdere bankrekeningnummers betaald naar verschillende bankrekeningnummers en ook zijn betalingen gestorneerd. Het accountantsonderzoek waarover partijen tijdens de mondelinge behandeling na aanbrengen het eens waren geworden, heeft nooit plaats gevonden. Het hof zal hierna aan de hand van de beschikbare stukken beoordelen of [appellanten] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gevorderde bedragen al zijn betaald.

[geïntimeerde] heeft de facturen gestuurd die hierna, na een door het hof toegevoegd regelnummer, in de tweede kolom staan, met daarachter de maand waarop de factuur betrekking heeft, dan het bedrag en vervolgens de datum waarop volgens [geïntimeerde] is betaald en de wijze waarop is betaald. Daarbij staat AI voor automatische incasso en Ideal voor overschrijving.

nummer hof

factuurnr

periode

bedrag

betaald op

betaalwijze

1

1222058

juli 2017

900,46

25-08-2017

AI

2

1222197

augustus 2017

360,18

25-08-2017

AI

3

1222991

augustus 2017

368,02

20-10-2017

Ideal

4

1222815

september 2017

360,18

25-08-2017

AI

5

1223210

september 2017

360,18

20-10-2017

Ideal

6

1224117

september 2017

720,36

02-11-2017

Ideal

7

1223876

oktober 2017

360,18

20-10-2017

Ideal

8

1225205

oktober 2017

1.080,54

22-01-2018

Ideal

9

1224972

november 2017

360,18

26-11-2017

Ideal

10

1226247

november 2017

540,28

11

1226057

december 2017

360,18

28-11-2017

Ideal

12

1227532

december 2017

814,32

21-02-2018

Ideal

13

1227210

januari 2018

373,52

26-01-2018

AI

14

1228828

januari 2018

560,28

20-03-2018

Ideal

15

1228615

februari 2018

373,52

21-02-2018

Ideal

16

[nummer2]

februari 2018

1.494,08

*

17

1229872

maart 2018

373,52

20-03-2018

Ideal

18

1230302

maart 2018

2.054,36

19

1231133

april 2018

373,52

21-04-2018

Ideal

20

1231578

april 2018

1.680,84

20-06-2018

Ideal

21

1232436

mei 2018

373,52

26-04-2018

AI

22

1232839

mei 2018

1.867,60

20-06-2018

Ideal

23

1233696

juni 2018

373,52

25-05-2018

AI

24

1234093

juni 2018

1.680,84

20-07-2018

Ideal

25

1235006

juli 2018

373,52

20-08-2018

Ideal

26

1236496

juli 2018

2.241,12

27

1236257

augustus 2018

280,14

26-07-2018

AI

28

1236558

augustus 2018

93,38

27-08-2018

AI

29

1237658

augustus 2018

933,80

20-09-2018

Ideal

30

1237420

september 2018

1.244,58

31

1237855

september 2018

82,76

20-09-2018

Ideal

32

1239832

oktober 2018

1.762,81

33

1241161

november 2018

1.233,96

22-10-2018

handmatig

[geïntimeerde] vordert, na vermindering van eis bij conclusie van repliek, als hoofdsom betaling van de bedragen in de regels 16, 18, 26, 30 en 32, verminderd met € 359,72 welk bedrag is afbetaald op het bedrag in regel 16 (zie de noot in die regel) en met het na de aanmaningsbrief betaalde bedrag van € 300,-. Daarmee was de hoofdsom vóór aanmaning volgens [geïntimeerde] € 8.437,23 waarover zij € 242,50 aan rente en € 964,20 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw heeft berekend. Op het totaal van € 9.643,93 strekt dan de later betaalde € 300,- in mindering. De kantonrechter heeft € 9.343,93 toegewezen met wettelijke rente over € 8.137,23 vanaf 12 november 2019.

[appellanten] hebben in hun productie 2 bij memorie van grieven (op de ongenummerde 6e en 7e bladzijde van deze productie) een overzicht gegeven van bedragen die zij vanaf 25 augustus 2017 volgens hen hebben betaald. Op de ongenummerde bladzijdes 8 en 9 van die productie hebben zij de gestelde betalingen gerelateerd aan factuurnummers. De opgave van afboekingen van hun rekening die eindigt op [nummer3] op bladzijde 6 stemt overeen met de door [geïntimeerde] erkende ontvangsten, op twee uitzonderingen na.

De eerste uitzondering betreft de omvang van de gestelde betaling op 2 november 2017 van

€ 730,36, maar op bladzijde 8 staat een bedrag van € 720,36 zodat het hof van een verschrijving op bladzijde 6 uitgaat.

De tweede uitzondering betreft een gestelde derde betaling op 20 maart 2018 (naast de betalingen in regels 14 en 17) van € 300,-. Het overgelegde bankafschrift vermeldt bij deze afschrijving met code ‘bg’ geen factuurnummer, anders dan bij beide andere betalingen van die datum. Wel wordt een (volgens de aanmaning) juist bankrekeningnummer van [geïntimeerde] en het correcte debiteurennummer vermeld. Omdat uit de volledige reeks bankafschriften van de bewuste rekening tot eind 2018 geen terugboeking van dit bedrag blijkt, gaat het hof er in het voordeel van [appellanten] van uit dat [geïntimeerde] dit heeft ontvangen.

Van de betalingen vanaf het rekeningnummer dat eindigt op [nummer1] , vermeld op de hiervoor bedoelde zesde bladzijde van productie 2 bij memorie van grieven, is de rij vanaf 20 oktober 2017 tot en met 25 augustus 2017 als ontvangst erkend, evenals het op die bladzijde genoemde bedrag van € 373,52 dat is betaald op 26 januari 2018 (regel 13 in de tabel hierboven).

De overige door [appellanten] op bladzijde 6 genoteerde betalingen zijn door [appellanten] gestorneerd, zoals blijkt uit aantekening van [appellanten] zelf bij enkele bedragen, uit bankafschriften die [geïntimeerde] bij haar conclusie van repliek heeft overgelegd en uit een nog bij memorie van antwoord overgelegde bevestiging van de Rabobank.

Van de op bladzijde 7 vermelde bedragen zijn enkele als ontvangst erkend (in regel 21, 23, 27, 28, 16 en 33). Voor het overige zijn de bedragen gestorneerd, met uitzondering van twee overschrijvingen van elk € 300,- op 20 juni 2018 en 20 september 2018. Beide keren vermelden de overgelegde bankafschriften de code ‘bg’ en geen factuurnummer, maar wel een juist bankrekeningnummer van [geïntimeerde] en het correcte debiteurennummer. Op de ongenummerde bladzijde 8 van productie 2 bij memorie van grieven staat dat een betaling van € 300,- op 26 juni 2018 met die van 20 september 2018 heeft gediend voor betaling van het bedrag in regel 10 van de tabel hierboven en voor het restant van € 59,72 in mindering is gebracht op regel 16. Het hof gaat ervan uit dat de datum 26 juni 2018 een typefout is en 20 juni 2018 moet zijn, want een betaling op 26 juni 2018 van € 300,- aan [geïntimeerde] komt niet naar voren in de bankafschriften van [appellanten] , noch in hun lijst van gestelde betalingen. Met de toerekening als hiervoor aangegeven is er geen reden om de twee overschrijvingen van elk € 300,- in mindering te brengen op de door [geïntimeerde] gevorderde hoofdsom.

Partijen hebben geen bewijs aangeboden van een concrete stelling die, indien bewezen, tot een ander oordeel moet leiden en daarom gaat het hof aan hun algemene aanbod voorbij.

Uit het voorgaande volgt dat de hoofdsom vóór aanmaning gesteld moet worden op

€ 300,- minder dan het onder 4.3. vermelde bedrag (€ 8.437,23), en dat de buitengerechtelijke kosten daarover, berekend volgens de wettelijke normering, € 946,05 inclusief btw bedragen. Het hof zal de wettelijke rente schatten op € 240,-. Toewijsbaar is dan 8.137,23 + 240 + 946,05 = € 9.323,28 minus € 300,- is € 9.023,28 met wettelijke rente over € 7.837,23 vanaf 12 november 2019. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter gemakshalve vernietigen en de veroordeling in bovengenoemde zin aanpassen.

Omdat [appellanten] de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zijn, zijn zij terecht veroordeeld in de kosten van de procedure bij de kantonrechter en worden zij ook veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. Die rente is verschuldigd vanaf twee weken na die betekening.

In hoger beroep wordt het salaris van de advocaat berekend op basis van 2 punten, tarief I in hoger beroep (€ 858,- per punt). De wettelijke rente over de proceskosten van het hoger beroep is verschuldigd indien die kosten niet binnen veertien dagen na heden zijn betaald.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 21 april 2020;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, zodat als de één betaalt de ander daarvan is vrijgesteld, tot betaling aan [geïntimeerde] van € 9.023,28 met wettelijke rente over € 7.837,23 vanaf 12 november 2019 tot voldoening;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van de procedure bij de kantonrechter, vastgesteld op € 1.189,06;

veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep:

€ 760,- aan griffierecht

€ 1.716,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde]

en bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.E.L. Fikkers, J.H. Kuiper en J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

23 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?