P25-249
Beschikking van 16 oktober 2025
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie
heeft te beslissen op de vordering van de advocaat-generaal tot verlening van een
machtiging als bedoeld in artikel 37a, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht voor het
gebruik van persoonsgegevens van verdachte
[terbeschikkinggestelde]
geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] ,
verblijvende in penitentiaire inrichting (hierna: P.I.) [PI] .
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
- het adviesrapport van het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering van
7 juni 2016;
16 februari 2022 en 8 november 2022;
Het hof heeft in de raadkamer van 2 oktober 2025 gehoord verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal
mr. A. Kooij.
Tevens heeft het hof gehoord dr. [dokter] , voorzitter van de Adviescommissie Gegevensverstrekking Weigerende Observandi (hierna: AGWO).
Overwegingen:
1. De vordering
Het hof heeft kennisgenomen van een op 17 juli 2025 gedateerde vordering van de advocaat-generaal te Arnhem op grond van artikel 37a lid 7 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De vordering strekt tot het verlenen van een schriftelijke machtiging voor het gebruik van persoonsgegevens - daaronder begrepen persoonsgegevens over de gezondheid - betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte tijdens het begaan van het feit.
Deze vordering is op 2 oktober 2025 in raadkamer behandeld. De voorzitter van de AGWO heeft het aan de vordering ten grondslag gelegde advies nader toegelicht. Door en namens verdachte is verzocht de vordering af te wijzen en de advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering. Van de behandeling in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.
2. Het advies
Het advies van de AGWO houdt onder meer in:
“Beoordeling
(…)
De commissie heeft in totaal 45 documenten ontvangen, waarvan zij 7 documenten
bruikbaar acht. Hieronder volgt een toelichting op de geselecteerde gegevens.
1. [instelling] (voorheen [naam] )
Naar het oordeel van de adviescommissie zijn er in het dossier persoonsgegevens van
betrokkene aanwezig die bruikbaar kunnen zijn voor het opstellen van een nadere rapportage. Dit betreft zes unieke documenten (volgens onze nummering nrs. 6, 7, 13, 21, 27 en 31). Deze gegevens zien kort gezegd op het volgende:
1) Informatie over de aard van de zorgbehoefte (nr. 31)
2) Diagnostiek (nrs. 6, 7, 13, 21 en 31)
- er is een diagnose aanwezig
- er zijn symptomen of factoren aanwezig die kunnen duiden op de mogelijke
aan- of afwezigheid van een stoornis
- er zijn gegevens aanwezig over de ontwikkeling van de persoonlijkheid van
betrokkene, die bruikbaar kunnen zijn bij het vaststellen van een mogelijke
gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.
- er zijn diagnostische classificaties aangetroffen
- er is een indicatie voor de noodzakelijk geachte behandeling
3) Context van behandeling/onderzoek/begeleiding (nr. 31)
- waar was sprake van: behandeling, onderzoek en begeleiding
- plaats van behandeling: extramuraal en intramuraal
- kader van behandeling: vrijwillig
4) Aard van de behandeling/onderzoek/begeleiding
- de aard van de verleende zorg betreft geestelijke gezondheidszorg (nr. 27 en 31)
5) Type behandeling, betrokken disciplines en beloop van de behandeling (nr. 31)
6) Beloop van de behandeling/onderzoek/begeleiding (nr. 31)
- de periode strekt zich uit van mei 2012 tot en met april 2016
- er is informatie over de behandelbereidheid en de behandeltrouw van
betrokkene.
2. Leger des Heils
Naar het oordeel van de adviescommissie zijn er in het dossier persoonsgegevens van
betrokkene aanwezig die bruikbaar kunnen zijn voor het opstellen van een nadere
rapportage. Dit betreft één uniek document (volgens onze nummering nr. 43). De
gegevens zien op de ontwikkeling van de persoonlijkheid van betrokkene, die bruikbaar
kunnen zijn bij het vaststellen van een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke
stoornis van de geestvermogens.
(…)
Slotsom
De adviescommissie acht bovenstaande geselecteerde gegevens afkomstig van [instelling] en het Leger des Heils bruikbaar vanuit medisch en psychologisch perspectief, mede bezien in samenhang met het PBC-rapport.
Advies
(…) er zijn wel persoonsgegevens aanwezig die bruikbaar kunnen zijn voor nader onderzoek naar de aan-, dan wel afwezigheid van een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het strafbare feit waarvan de weigerende observandus wordt verdacht.”
3. Wettelijke voorwaarden voor het verstrekken van de machtiging
De verdenking van het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr
De rechtbank Rotterdam heeft verdachte op 23 november 2022 veroordeeld voor opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft, meermalen gepleegd (eendaadse samenloop) tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
Opzettelijke brandstichting, terwijl daar levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft, zoals strafbaar gesteld in artikel 157, tweede en derde lid, Sr, betreft een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen als bedoeld in artikel 38e Sr.
Weigering medewerking te verlenen aan enig onderzoek als bedoeld in artikel 37a lid 4 Sr en aan de verstrekking van persoonsgegevens
Uit het rapport van het PBC van 29 januari 2025 komt naar voren dat verdachte zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd. Door de weigering had de forensisch milieuonderzoeker, die zich richt op het in kaart brengen van de levensgeschiedenis van verdachte, nauwelijks inhoudelijke gesprekscontacten met verdachte. Ook kon niet worden gesproken met leden van het sociaal netwerk van verdachte. Wel werd kennisgenomen van het strafdossier uit eerdere strafzaken van verdachte.
De rapporterend groepsleider verkreeg informatie over verdachte uit eigen observaties en gesprekken, van de andere groepsleiders en van de sport- en arbeidsmedewerkers.
Door de weigering van verdachte verkregen de rapporterend psychiater en psycholoog nauwelijks informatie uit eigen gesprekken. Evenmin werd test- en neuropsychologisch en medisch onderzoek verricht.
Aangezien verdachte toestemming weigerde voor inzage van zijn medisch dossier, kon informatie uit het contact met de zorgpsychiater slechts bij het onderzoek worden betrokken voor zover dit door hem/haar noodzakelijk werd geacht in het kader van de dagelijkse bejegening op de verblijfsafdeling en in het kader van de orde en veiligheid binnen de inrichting.
In raadkamer heeft verdachte verklaard dat hij in het PBC overal aan heeft meegewerkt, behalve aan testjes. Ook heeft hij in het PBC niet over zijn strafzaak gepraat. Verdachte heeft te kennen gegeven dat hij ook thans geen toestemming verleent voor het gebruik van zijn (medische) persoonsgegevens. Aan die weigering heeft hij ten grondslag gelegd dat de rapporteurs van het PBC alles al weten, alsmede dat hij door het opvragen van die gegevens in zijn privacy wordt aangetast. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat gegevens over 2011 en 2012 niets met de zaak te maken hebben. Als de vordering wordt toegewezen, durft hij in de toekomst geen medische hulp meer in te roepen.
Naar het oordeel van het hof is voldaan aan de voorwaarde dat verdachte heeft geweigerd medewerking te verlenen aan enig onderzoek als bedoeld in artikel 37a lid 4 Sr en aan de voorwaarde dat hij niet bereid is om medewerking te verlenen aan de verstrekking van zijn persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.
De klinische observatie
Verdachte is van 23 september 2024 tot 1 november 2024 gedurende zes weken ter observatie opgenomen geweest in het PBC, zodat ook is voldaan aan de in artikel 1.1 aanhef en onder i, sub a van het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi (hierna: Bagwo) gestelde eis dat verdachte op grond van een bevel als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering ter observatie opgenomen is geweest in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting tot klinische observatie bestemd.
De bruikbaarheid van de gegevens
Nu in deze machtigingsprocedure de persoonsgegevens zelf niet ter beoordeling voorliggen, ligt in de wettelijke regeling besloten dat het hof behoudens contra-indicaties moet varen op het advies van de AGWO (hierna: het Advies).
De AGWO is gelast te adviseren over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte. De AGWO heeft bij de in de last genoemde behandelaren een afschrift opgevraagd van het dossier met betrekking tot de behandeling van verdachte. Volgens het advies van 26 juni 2025 heeft de AGWO in totaal 45 documenten ontvangen, waarvan zij 7 documenten (afkomstig van [instelling] en het Leger des Heils) vanuit medisch en psychologisch perspectief, mede bezien in samenhang met het PBC-rapport, bruikbaar achten voor het opstellen van een nadere rapportage.
Naar het oordeel van het hof kunnen de gegevens een beeld geven van de mogelijke ontwikkeling/aanwezigheid van een (kort gezegd) stoornis en in zoverre van belang zijn voor een oordeel over de aan- dan wel afwezigheid daarvan ten tijde van het tenlastegelegde.
Naar het oordeel van het hof is voldaan aan de voorwaarde dat de in het Advies als bruikbaar aangemerkte gegevens gebruikt kunnen worden voor aanvullend onderzoek naar een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis.
4. Afweging van belangen
De maatstaf bij de afweging
Het hof hanteert de maatstaf die eerder is gegeven in de beschikking van het hof van 3 februari 2022, nr. P21/420. De Hoge Raad heeft het tegen die beschikking gerichte cassatieberoep verworpen in een beschikking van 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1200, NJ 2022/384.
De bedoelde beschikking van het hof houdt onder meer in:
“Uit artikel 8 EVRM en het stelsel van de wet, zoals toegelicht in de parlementaire geschiedenis, volgt dat het hof dient te beoordelen of de doorbreking van het medisch beroepsgeheim ook in het individuele geval proportioneel is, dat wil zeggen wordt gerechtvaardigd door een dwingende eis in het algemeen belang. Naar het oordeel van het hof dienen daartoe alle omstandigheden van het geval te worden betrokken, zoals de aard en de ernst van het feit waarvan verdachte wordt verdacht (in ieder geval een zogenoemd geweldsmisdrijf), de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de voor de vordering tot verstrekking aangevoerde gronden, de reden voor de weigering tot medewerking aan het onderzoek, het advies van de commissie, de aard en beschreven inhoud van de in het advies genoemde gegevens alsmede de visie van verdachte hierop, aanwijzingen dat bij verdachte sprake is van een stoornis die nader onderzoek vergt en aanwijzingen voor het gevaar dat verdachte een strafbaar feit zal begaan.
Bij die beoordeling dient te worden betrokken dat, zoals hiervoor uiteengezet en anders dan in de parlementaire geschiedenis is betoogd, de aan de rapporteurs verstrekte gegevens ook buiten de kring van de Adviescommissie en de rapporteurs openbaar kunnen worden. Zodra deze gegevens in een rapport voor de strafrechter worden verwerkt zijn de gegevens immers kenbaar. Dit is een verschil met het aangehaalde arrest van het EHRM van 25 februari 1997 (Z. tegen Finland) waarin belang werd gehecht aan waarborgen om de medische gegevens geheim te houden (ro. 103 en 107). Verder is in deze zaak de noodzaak voor de doorbreking van het medisch beroepsgeheim gevonden in het onderzoek naar gepleegde strafbare feiten en de vervolging van de daders (ro. 97). Doorbreking van het beroepsgeheim op grond van artikel 37a Sr vindt zijn reden in het minder concrete en minder acute belang van het voorkomen van een toekomstig strafbaar feit door oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, terwijl nog niet is vastgesteld dat aan de voorwaarden voor oplegging is voldaan. Dat wordt juist onderzocht. Dit dient te worden meegewogen in het oordeel of verstrekking van de persoonsgegevens ook in het individuele geval proportioneel is.
Bij het antwoord op de vraag of een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, komt daarom ook betekenis toe aan omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat een zodanige noodzaak bestaat tot het onderzoeken van het bestaan van een stoornis, met het oog op het opleggen van een maatregel ter bescherming van anderen en ter vermindering van recidive, dat doorbreking van het medisch beroepsgeheim gerechtvaardigd is. Het hof wijst er in dit verband op dat artikel 1.1, onder i, aanhef, Bagwo onder een weigerende observandus de verdachte verstaat ten aanzien van wie de rechter al oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege overweegt.”
Afweging in het kader van de onderhavige vordering
Het misdrijf en de omstandigheden van het geval
Verdachte wordt verdacht van - en is door de rechtbank veroordeeld voor - (de eendaadse samenloop van) het opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft, meermalen gepleegd. Dit betreft een van de zwaarste in het Wetboek van Strafrecht voorkomende strafbare feiten, nu dit kan worden bestraft met een levenslange gevangenisstraf.
In het verband van deze vordering zijn daarbij als bijzondere, uit het strafdossier blijkende, omstandigheden in aanmerking te nemen:
in de periode van 27 april 2016 tot 1 juni 2016 zijn in totaal vijf branden gesticht in [plaats] , bij woningen van [slachtoffer 1] (de ex-partner van verdachte), [slachtoffer 2] (volgens verdachte de nieuwe partner van [slachtoffer 1] ) en zijn familie;
in de woning van verdachte werd een handgeschreven briefje aangetroffen met de namen en adressen van de familie [achternaam] . De branden zijn gesticht in dezelfde volgorde als op het briefje aangegeven;
op 14 september 2017 is verdachte veroordeeld voor vier van deze brandstichtingen (zonder dodelijke afloop) en voor belaging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar. Deze veroordeling is inmiddels onherroepelijk;
de slachtoffers van de thans nog aan de orde zijnde (dodelijke) brandstichting zijn de ouders van [slachtoffer 2] . Deze brandstichting is gepleegd op 20 mei 2016, dus in tijd tussen de andere brandstichtingen (zonder dodelijke afloop) in.
Aanwijzingen voor een stoornis en voor gevaar voor herhaling in de toekomst
In het PBC-rapport wordt geconcludeerd dat verdachte tijdens de procesgang van de andere brandstichtingen, waarvoor hij inmiddels onherroepelijk is veroordeeld, reeds tweemaal in het PBC is geweest. Deze onderzoeken hebben niet tot een diagnostische conclusie en advies geleid, omdat er vanwege zijn weigering mee te werken onvoldoende over hem bekend was geworden. Ook aan het huidige onderzoek heeft hij niet meegewerkt. De huidige observatie is niet wezenlijk anders verlopen dan de voorgaande keren en het heeft niet tot meer inzicht geleid. Alleen het huidige milieurapport heeft nieuwe informatie opgeleverd: door het in handen krijgen van het jeugddossier is (meer) duidelijk geworden dat er in verdachtes tienerjaren sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag en justitiecontacten. In het huidige onderzoek kunnen (opnieuw) geen diagnostische conclusies worden getrokken. Wel kunnen op basis van de beschikbare informatie richtinggevende hypotheses worden geformuleerd. De beschikbare informatie wijst vooral in de richting van persoonlijkheidspathologie. Verdachte heeft in zijn jeugdjaren gedragsproblemen en eenmaal in de volwassenheid oogt zijn persoonlijkheid kwetsbaar, met name in de intimiteit van een relatie. Er wordt door zijn ex-partners gerapporteerd dat verdachte een wantrouwende en jaloerse houding heeft, hij zich beperkt weet in te leven in een ander, kan liegen of manipuleren om eigen doelen na te streven en problemen ervaart in het reguleren van zijn emoties. Verdachte wordt beschreven als iemand met buien en/of stemmingswisselingen en als iemand die bij tegenslag reageert met suïcidaliteit en/of verbale en/of fysieke agressie. De wijze waarop verdachte met anderen omgaat en de wijze waarop hij zichzelf (emotioneel) in balans houdt, oogt aangedaan en dit moet worden begrepen als kenmerken van persoonlijkheidspathologie, waarbij de kleuring van de pathologie kan worden geduid als trekken van narcisme, antisocialiteit en borderline. In het PBC-rapport wordt samengevat gesteld dat er bij verdachte sprake is van een beperkte draagkracht in de vorm van (in ieder geval) een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur, maar dat het door verdachtes weigering onduidelijk is of deze kwetsbare structuur het niveau haalt van een persoonlijkheidsstoornis die er, los van de omstandigheden, onherroepelijk toe zal leiden dat verdachte op diverse levensgebieden disfunctioneert. Om hier zicht op te krijgen is met name de medewerking van verdachte noodzakelijk, maar het is ook voorstelbaar dat het beschikbaar krijgen van verdachtes hulpverleningsgeschiedenis (uit 2011/2012 en 2015/2016) voldoende oplevert om diagnostische conclusies te kunnen trekken, zoals de informatie van de huisarts en de GGZ. Deze informatie zou minder waarschijnlijke diagnoses, zoals toestandsbeelden, met meer zekerheid kunnen uitsluiten en de kwetsbare persoonlijkheidsstructuur verder kunnen inkleuren.
De justitiële documentatie van verdachte vermeldt, voor zover relevant, vier brandstichtingen en twee belagingen waarvoor verdachte (dus) reeds onherroepelijk is veroordeeld. Dat er geen andere relevante veroordelingen ter zake van (gewelds)misdrijven zijn vermeld, acht het hof anders dan de raadsman niet van bepalende betekenis. Dat de vermelde strafbare feiten zich hebben afgespeeld in dezelfde periode als de brandstichting die thans nog aan de orde is betekent geenszins dat die feiten in het kader van de beoordeling van de aanhangige vordering buiten beschouwing moeten blijven. Juist het meermalen herhalen van brandstichting en de omstandigheid dat ook na de in de huidige strafprocedure onderzochte brandstichting met dodelijke afloop mogelijk nog weer sprake is geweest van brandstichting ziet het hof als een zwaarwegende omstandigheid om persoonsgegevens op te vragen en te gebruiken in de strafprocedure.
Verdachte heeft in het kader van die onherroepelijke strafzaak, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, eveneens geweigerd om aan het gedragskundig onderzoek mee te werken, waardoor het voor de rapporteurs destijds ook niet mogelijk was de vraag te beantwoorden of bij verdachte in het bijzonder ten tijde van het in die zaak tenlastegelegde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.
De voorzitter van de AGWO heeft toegelicht dat de in het Advies genoemde persoonsgegevens doorslaggevend zijn voor de rapporteurs van het PBC om tot diagnostische conclusies te komen. Hij is ook van oordeel dat die gegevens van belang zijn om de vraag of sprake is geweest van doorwerking, als sprake zou zijn van een stoornis, te beantwoorden.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat de te verstrekken gegevens een substantiële toegevoegde waarde zullen hebben voor het nadere onderzoek naar de aan- of afwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de eventuele toerekenbaarheid van het tenlastegelegde en het mogelijke recidivegevaar.
De redenen voor de weigering tot medewerking aan het onderzoek
In het voorgaande kwam al naar voren dat verdachte geen toestemming verleent voor het gebruik van zijn (medische) persoonsgegevens, omdat de rapporteurs van het PBC alles al weten, de gegevens over 2011 en 2012 niets met de zaak te maken hebben, hij door het opvragen van die gegevens in zijn privacy wordt aangetast en hij - als de vordering wordt toegewezen - in de toekomst geen medische hulp meer durft in te roepen.
Het hof volgt verdachte niet in zijn stelling dat gegevens over 2011 en 2012 niets met de zaak te maken hebben. Met de rapporteurs van het PBC is het hof van oordeel dat het beschikbaar krijgen van verdachtes hulpgeschiedenis, onder andere uit 2011 en 2012, informatie op kan leveren om diagnostische conclusies te kunnen trekken.
Met de stelling dat de privacy van verdachte wordt aangetast en hij - als de vordering wordt toegewezen - in de toekomst geen medische hulp meer durft in te roepen wordt onmiskenbaar een beroep gedaan op rechtens te respecteren belangen, maar deze belangen wegen gelet op alle hierboven in aanmerking genomen omstandigheden van het onderhavige geval, in hun onderling verband en samenhang bezien, niet op tegen het belang van (de bescherming van) de maatschappij.
Gelet op hetgeen door de raadsman is aangevoerd wijst het hof nog op het volgende. Dat het maatschappelijk belang onder nadere voorwaarden andere rechtens te beschermen belangen ter zijde kan stellen is nu juist in de wet voorzien. Daarbij is tevens onder ogen gezien dat de persoonsgegevens (zo prudent mogelijk) bij de behandeling van de strafzaak in de openbare terechtzitting aan de orde kunnen komen. Zonder (ontbrekende) nadere adstructie van de raadsman zie hof niet in dat wettelijke voorziening van art. 37a lid 7 Sr in strijd is met art. 8 EVRM.
Overige factoren
Het hof heeft voorts nog gelet op de redenen die door de advocaat-generaal aan de vordering ten grondslag zijn gelegd en in raadkamer zijn toegelicht. In de kern betreft het de factoren, zoals hierboven onder 4.2 vermeld.
Voorts heeft het hof het Advies van de AGWO in aanmerking genomen. Daaruit blijkt dat het gaat om gegevens over de aard van de zorgbehoefte, diagnostiek, de context en aard van de behandeling/onderzoek/begeleiding, het type behandeling, de betrokken disciplines, het beloop van de behandeling/onderzoek/begeleiding en de ontwikkeling van de persoonlijkheid van verdachte.
Het hof heeft bovendien gelet op het standpunt van de raadsman inhoudende dat het in het kader van de bescherming van de maatschappij niet noodzakelijk is de vordering toe te wijzen en het medisch beroepsgeheim te doorbreken, nu het openbaar ministerie het niet nodig heeft geacht in hoger beroep te gaan tegen het vonnis van de rechtbank, waarbij de maatregel van terbeschikkingstelling niet is opgelegd, en in het onderhavige geval een alternatief, te weten oplegging van een (levens)lange gevangenisstraf, voorhanden is. Anders dan de raadsman ziet het hof niet in dat de enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld, dwingt tot het afwijzen van een vordering als bedoeld in art. 37a lid 7 Sr, omdat de noodzaak voor de gevorderde machtiging ontbreekt.
5. Slotsom
Het hof zal alle omstandigheden in aanmerking genomen de vordering toewijzen omdat het van oordeel is dat de doorbreking van het medisch beroepsgeheim wordt gerechtvaardigd door een dwingende eis in het algemeen belang. Daarbij heeft het zwaarwegend en daarmee overwegend gewicht toegekend aan het hetgeen hierboven in de eerste twee rubrieken van onderdeel 4.2 is vermeld.
BESLISSING
Het hof:
- Wijst toe de vordering tot verlening van een machtiging voor het gebruik van de persoonsgegevens van [terbeschikkinggestelde] .
Aldus gedaan op 16 oktober 2025 door
mr. M. Keppels, voorzitter,
mr. W.A. Holland en mr. P.C. Vegter, raadsheren,
en drs. I.E. Troost en dr. E.L.M. Klein Haneveld, raden,
in tegenwoordigheid van mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,
en ondertekend door de voorzitter en de griffier.