[verdachte] ,
Hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Het vonnis
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003575-25
Uitspraakdatum: 22 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 14 augustus 2025 met parketnummer 08-054018-25 in de strafzaak tegen
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ( [land] ),
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,
op dit moment verblijvende in P.I. [locatie]
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde in artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.C. Reehuis, hebben aangevoerd.
De rechtbank heeft verdachte voor meerdere inbraken veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden met aftrek van het voorarrest.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank grotendeels op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis bevestigen, behalve de kwalificatie van het bewezenverklaarde en de strafoplegging. Voor deze onderdelen van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Het hof zal het vonnis voor het overige, met verbetering van de gronden op de wijze zoals hierna vermeld bevestigen.
Verbetering en aanvulling van de gronden
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft het hof verzocht het vonnis van de rechtbank te bevestigen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte als (mede)pleger bij de tenlastegelegde feiten betrokken is geweest.
Het oordeel van het hof
Het hof kan zich vinden in de gronden waarop de rechtbank de bewezenverklaring heeft gebaseerd. Het hof neemt dan ook de bewijsmotivering van de rechtbank over onder aanvulling van het volgende.
Verdachte en de verdediging hebben in hoger beroep het in eerste aanleg geschetste alternatieve scenario dat verdachte twee anderen naar de locatie van het delict heeft gebracht zonder te weten dat deze anderen daarna – met zijn handschoenen – de inbraken zouden plegen, gehandhaafd. Daarbij is aanvullend aangevoerd dat geen sprake was van een met bloed besmeurde handschoen, maar dat bij het plegen van het delict een handschoen is gebruikt waarop aan de binnenzijde bloed van de verdachte heeft gezeten doordat verdachte die handschoen eerder heeft gedragen kort nadat hij met een vingerprik zijn bloedsuikerspiegel had gecontroleerd. De handschoen en daarmee ook het aan de binnenzijde van de handschoen aanwezige bloed(puntje) moet, zo wordt nu aanvullend aangevoerd, nat zijn geworden tijdens de uitvoering van het delict en op die manier een bloedveeg met het bloed van verdachte op de kluis hebben veroorzaakt.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het alternatieve scenario als onaannemelijk en ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven. Dat bloed op of in een handschoen ook vegen kan veroorzaken als het later in water of andere vloeistof oplost, maakt daarbij geen verschil.
Bij het oordeel dat sprake is van een ongeloofwaardige verklaring betrekt het hof dat de verdachte zijn alternatieve scenario pas voor het eerst op de zitting in eerste aanleg en dus na kennisneming van het volledige politiedossier naar voren heeft gebracht. Tijdens het verhoor bij de politie heeft verdachte, nadat hij ermee werd geconfronteerd dat er in de nacht van 20 op 21 januari 2025 in [plaats] een inbraak heeft plaatsgevonden, geen verklaring willen afleggen. Ook bij de rechter-commissaris heeft de verdachte niet willen verklaren en gaf daarbij als reden dat hij het dossier nog niet heeft kunnen inzien. Vervolgens heeft verdachte bij de raadkamer van de rechtbank verklaard dat hij niets met de feiten te maken heeft en dat ook de op zijn telefoon aangetroffen foto’s (van het gestolen gereedschap) niets met de feiten te maken hebben. Verdachte heeft ervoor gekozen om zijn verklaring dat inderdaad sprake is van omstandigheden die hem in verband kunnen brengen met de inbraken maar dat voor al die omstandigheden een legitieme uitleg bestaat, pas af te leggen nadat hij bekend was geworden met de inhoud van het politiedossier. Verdachte heeft niet kunnen uitleggen waarom dat niet eerder kon en waarom hij eerder heeft volstaan met de verklaring dat hij en de foto’s niets met de feiten te maken hadden. Bij die stand van zaken is naar het oordeel van het hof de verklaring dat voor de belastende omstandigheden een legitieme uitleg bestaat onaannemelijk en ongeloofwaardig.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en/of maatregel
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van inbraken. Verdachte heeft samen met zijn mededaders op een bedrijventerrein een elektronisch hekwerk geforceerd, een ruit vernield en een kluis opengebroken om een contant geldbedrag van [slachtoffer] weggenomen. Daarnaast hebben zij een groot aantal gereedschappen weggenomen uit acht bedrijfsbussen en twee loodsen van [naam] , waarbij van zeven bedrijfsauto’s en die van de betreffende loodsen steeds de sloten zijn opengebroken. Verdachte heeft hiermee bij de aangevers veel schade aangericht die niet alleen bestond uit de (grote) waarde van de weggenomen goederen, maar ook uit de braakschade. Zo blijkt uit de aangifte van [naam] dat de geleden schade meer dan honderdduizend euro bedraagt. Daarmee heeft verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor eigendommen van een ander en enkel uit te zijn op eigen financieel gewin. Daar komt nog bij dat verdachte voor zijn handelen geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen. Dit rekent het hof verdachte zwaar aan.
Uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie van 4 november 2025 blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten waarbij forse onvoorwaardelijke gevangenisstraffen zijn opgelegd. Deze gevangenisstraffen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten ontwikkeld met als doel het bevorderen van een consistent straftoemetingsbeleid. Deze oriëntatiepunten kunnen dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de op te leggen straf. Bij een bedrijfsinbraak waarbij sprake is van recidive geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van tien weken en bij veelvuldige recidive een gevangenisstraf van vier maanden. Voorts geldt voor een diefstal uit een auto waarbij sprake is van recidive een gevangenisstraf van zes weken en bij veelvuldige recidive een gevangenisstraf van twee maanden.
Het hof merkt daarbij op dat het in dit geval gaat om (in totaal) zeven auto-inbraken en drie inbraken in bedrijfspanden (twee loodsen van [naam] en het bedrijfspand van [slachtoffer] ).
Daarnaast heeft het hof gelet op het reclasseringsadvies van 30 mei 2025 waaruit blijkt dat verdachte zich in het verleden schuldig heeft gemaakt aan het plegen van vermogensdelicten wegens geldgebrek. De reclassering schat de kans op recidive in als gemiddeld en ziet geen meerwaarde in het inzetten van interventies. De reclassering adviseert daarom aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat de straf zoals opgelegd door de rechtbank, een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Zoals blijkt uit de hiervoor opgenomen weergave van de oriëntatiepunten is, anders dan de verdediging heeft gesteld, geen sprake van een strafoplegging die niet rijmt met de oriëntatiepunten. Gelet op die uitgangspunten was ook een hogere straf denkbaar geweest. Het hof ziet echter geen aanleiding om in het nadeel van verdachte af te wijken van de door de rechtbank opgelegde straf.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie, de strafbaarheid van verdachte en de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. D.J. Stahlie, mr. D.R. Sonneveldt en mr. T. Bertens, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Klein en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 december 2025.